Het archeologisch museum

De archeologisch collectie van de Universiteit Gent geldt als één der belangrijkste van het land, en bevat unieke objecten die regelmatig uitgeleend worden voor tentoonstellingen in binnen- en buitenland.

De archeologische verzamelingen van de universiteit zijn sinds 2000 te vinden in het Pand, het voormalige dominicanenklooster in het Gentse stadscentrum. De verzamelingen zijn zeer divers en bestaan uit vondsten van zowel Mediterrane als regionale oorsprong. De meest bijzondere stukken zijn tentoongesteld, terwijl het overige deel ter plaatse in depot wordt gehouden. Het museum staat open op aanvraag voor zowel onderzoekers en studenten, als voor het brede publiek. Op uitzonderlijke dagen als Erfgoeddag, Monumentendag of de Nacht der Universitaire Musea is het vrij toegankelijk.

Maak een afspraak met dr. Patrick Monsieur om het museum (Het Pand, Onderbergen 1, Gent) te bezoeken.

Het Archeologisch Museum

Het Archeologisch Museum verrast haar bezoekers met een fijne collectie van archeologische voorwerpen uit Egypte, Griekenland, Italië, Spanje en Duitsland. Daarnaast zijn fraaie bodemvondsten uit West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Henegouwen te zien, het resultaat van zowel toevalstreffers sinds de achttiende eeuw als van het systematisch archeologisch onderzoek van de Gentse Universiteit vanaf 1950 (Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, Vakgroep Archeologie). Voor de archeologie in België geldt het Archeologisch Museum van de Universiteit Gent als één der belangrijkste van het land. Regelmatig worden objecten van de Archeologische Verzamelingen uitgeleend voor tentoonstellingen in binnen- en buitenland.

Het ontstaan van de collectie

De archeologische verzamelingen zijn sterk verbonden met de geschiedenis van de universiteit. Bij de stichting van de Universiteit Gent in 1817 is de opbouw van verzamelingen voor natuurhistorie, zoölogie, mineralogie, anatomie en archeologie al van in het begin voorzien. Dit blijkt niet enkel uit de archivalische bronnen van de Hollandse tijd maar ook uit het ontwerp van de Aula of ‘het Paleis der Universiteit’ door architect Lodewijk Roelandt die het bestaan van een ‘Cabinet d’Antiquité’ of een ‘Cabinet van Archeologie, penningen en zoo oudere als nieuwere zeldzaamheden’ bevestigen.

De kern van de archeologische verzamelingen dankt de universiteit aan een aantal bijzondere figuren. De meest markante was ongetwijfeld kanunnik Martin De Bast. Hij behoorde tot het prominente gezelschap van mensen die de oprichting van de rijksuniversiteit in Gents hebben waargemaakt. Indien het verzamelen van ‘le bel objet’ toen nog een archaïsche vorm van archeologische bedrijvigheid voorstelde, toonde De Bast zich in zijn publicaties een pionier door te wijzen op het belang van de context van de archeologische vondsten en hun plaats als materiële relicten in de geschiedenis. Zijn unieke verzameling van prehistorische, Gallo-Romeinse en middeleeuwse vondsten afkomstig van het vroegere gebied van het Graafschap Vlaanderen heeft hij quasi integraal aan de universiteit nagelaten. Waarschijnlijk heeft koning Willem I, die de overdracht van de collectie De Bast heeft bekostigd, toen ook de indrukwekkende maquette van het Pantheon geschonken. De prachtige achttiende-eeuwse maquette in kurk luistert tegenwoordig de bibliotheek van Het Pand op. Het is een werk van de Italiaanse architect Antonio Chichi, een tijdgenoot van de befaamde Venetiaanse architect en graveerder Gianbattista Piranesi waarvan de Gentse Universiteitsbibliotheek schitterende albums en bladen in haar bezit heeft.

De uitbouw van de collectie in de negentiende eeuw

Kolonel Bernard Rottiers is zo een andere figuur. Zijn bewogen leven als militair en zijn omgang in politieke en diplomatieke middens, evenals zijn activiteiten als archeoloog en marchand van archeologische en kunstobjecten kunnen op zijn minst opmerkelijk worden genoemd. Door zijn toedoen werden de collecties van de universiteiten van Gent en Leiden verrijkt met Egyptische, Griekse, Etruskische en Romeinse voorwerpen.

Een fraai marmeren vrouwenbeeld uit de hellenistische tijd, gevonden in Piraeus in 1821, dankt de universiteit aan de Brugse reder Jean Baptiste Delescluze. Misschien zijn ook door hem een aantal Egyptisch stukken in de universitaire collectie gekomen.

In 1836 kocht de Universiteit Gent een deel van de verzameling van graaf de Renesse-Breidbach die op verschillende plaatsen in Rijnland, de Moezelstreek en Limburg resideerde. Deze bestaat dan ook meestal uit bronzen, glazen en keramische vondsten afkomstig van Gallo-Romeinse necropolen uit die gewesten. De gaaf bewaarde voorwerpen, vooral de ceramiek, vormen nog steeds belangrijke typespecimens voor het academisch onderwijs en het onderzoek vandaag.

Naar het einde van de negentiende eeuw toe groeide de verzameling aan met vondsten uit binnen- en buitenland, vooral dankzij de inzet van mensen als de professoren Joseph Roulez, Adolphe De Ceuleneer en Louis Cloquet. Vermelden wij hier enkel de Henegouwse silexververzameling van laatstgenoemde. De meest opmerkelijke aanwinst evenwel was een deel van de protohistorische verzameling van metalen, aardewerken en benen voorwerpen van de gebroeders Siret. Deze Wase ingenieurs ontdekten in Spanje tijdens de aanleg van een spoorwegennet diverse necropolen uit de vroege bronstijd, waarvan het meest opmerkelijke dat van El Argar was. De wetenschappelijke manier waarop zij deze necropolen hebben opgegraven en geregistreerd, gold als een model voor die tijd.

De uitbouw van de collectie in de twintigste eeuw

De kennis van de bronstijd van onze gewesten, meer bepaald haar laatste fase, raakte vanaf het begin van de twintigste eeuw in een stroomverstelling dankzij de spectaculaire vondsten van bronzen wapens en voorwerpen die aan het licht kwamen bij baggerwerken in de Schelde, de Leie en de Dender, en de graafwerken van de dokken van Port-Arthur te Gent. Zij behoren zonder twijfel tot de pronkstukken van het museum.

De toenmalige conservator van het museum, Joseph Maertens, leverde bijzonder werk. Naast de verrijking van de universitaire collecties met objecten uit Noord-Afrika, Italië, Frankrijk en België dankzij zijn bemiddeling of eigen schenkingen, was hij ook verantwoordelijk voor de publicatie van de eerste volwaardige cataloog van de Gentse universitaire archeologische collecties in 1938. Nauwelijks bekend is de aanwezigheid in het museum van indrukwekkende verzamelingen van Merovingische, middeleeuwse en post-middeleeuwse voorwerpen (sieraden, wapens, metalen huisraad, vaatwerk, glas, bouwceramiek etc.) die in negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw in het museum zijn beland. Veel is afkomstig van Gent zelf of van diverse Vlaamse steden en gemeenten. Wegens plaatsgebrek wordt niets daarvan tentoongesteld en een groot deel overigens is nauwelijks onderzocht.

Het meest opvallende stuk, de grafsteen van Floribertus, één der oudste abten van de Gentse Sint-Baafsabdij, werd in bruikleen gegeven aan het STAM waar het in de zaal van de vroegste geschiedenis van de stad kan worden bewonderd.

Moderne archeologie

Kort voor, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, kreeg onder impuls van Hubert Van de Weerd en Sigfried De Laet de archeologie in België definitief een wetenschappelijke karakter. In de archeologie van Noord-West-Europa heeft de huidige Vakgroep Archeologie een benijdenswaardige plaats weten te veroveren die ze nog steeds in ere houdt. Ook buitenlandse missies (Iran, Griekenland, Emiraten, Siberië, Italië, Tunesië, Portugal) werden toen ondernomen en zijn vandaag nog steeds kernprojecten binnen het archeologisch onderzoek van de UGent. Door het verbod op uitvoer van archeologische stukken zijn de archeologische verzamelingen niet meer aangegroeid met vondsten uit het buitenland, maar des te meer met binnenlandse: Hofstade bij Aalst (Gallo-Romeins heiligdom), Blicquy bij Ath (Gallo-Romeins necropool), Destelbergen (necropool late bronstijd, Gallo-Romeinse nederzetting), Sint-Gillis-Waas/Kemzeke (grafheuvel midden-bronstijd, nederzetting ijzertijd), Verrebroek (mesolithische nederzetting), Maldegem (Romeins legerkamp), Evergem/Kluizendok (diverse periodes).
De toekomst van archeologie en de verzamelingen

De archeologische wetenschap krijgt steeds meer een interdisciplinair karakter waarbij de partnerwetenschappen als geografie, pedologie, geologie, scheikunde, archeozoölogie of paleobotanie en nieuwe disciplines als diverse remote sensing-technieken (luchtfotografie, electrische weerstandsmeting etc.) een vaste plaats hebben verworven. Interdisciplinariteit is noodzakelijk om een betrouwbaar totaalbeeld van de materiële leefwereld van de mens in het verleden op relevante wijze te reconstrueren.

Die aanpak kan het museum op dit ogenblik niet meer ten volle illustreren. In de toekomst zullen multi-mediale technieken een rol spelen om de laatste resultaten van het interdisciplinaire onderzoek voor specialisten, studenten en een breed publiek te ontsluiten. Het Archeologisch Museum van de Universiteit Gent bewaart dus het midden als behouder van een academisch erfgoed dat perfect de evolutie van de archeologie naar een volwaardige wetenschap illustreert, en als presentator van enkele aspecten van het recente onderzoek via vondsten in context: inter utrumque.

Contact

dr. Patrick Monsieur