Het Cisterciënzer-vrouwenklooster van Clairefontaine (2009-2013)

Een archeologische analyse van architectuur, ​consumptie en sociale identiteit in het Cisterciënzer-vrouwenklooster van Clairefontaine, doctoraatsonderzoek Davy Herremans

Kacheltegels aangetroffen in Clairefontaine: 1. Ladislas Posthumus, Koning van Hongarije en Bohemen, 2. Elisabeth de Frantz, Abdis in Clairefontaine, 3. adelaar van de Hertogen van Bohemen, 4. Maximiliaan I van Oostenrijk, Hertog van Habsburg en keizer van het Heilig Roomse Rijk, 5. Pierre-Ernest, Graaf van Mansfeld en Governeur van Luxembourg, en zijn vrouw Marguerite de Bréderode, 6. Karel V, Keizerlijke adelaar en ketting van de Orde Van het Gulden Vlies, 7. Eleonora van Habsburg, 8. Wapenschild Graafschap Luxembourg.
Kacheltegels aangetroffen in Clairefontaine: 1. Ladislas Posthumus, Koning van Hongarije en Bohemen, 2. Elisabeth de Frantz, Abdis in Clairefontaine, 3. adelaar van de Hertogen van Bohemen, 4. Maximiliaan I van Oostenrijk, Hertog van Habsburg en keizer van het Heilig Roomse Rijk, 5. Pierre-Ernest, Graaf van Mansfeld en Governeur van Luxembourg, en zijn vrouw Marguerite de Bréderode, 6. Karel V, Keizerlijke adelaar en ketting van de Orde Van het Gulden Vlies, 7. Eleonora van Habsburg, 8. Wapenschild Graafschap Luxembourg.
Dit onderzoek richt zich op het vrouwelijk religieus bestaan in de Lage Landen tijdens de Middeleeuwen en Vroeg Moderne tijd. Vertrekpunt van de studie is de Cisterciënzergemeenschap van Clairefontaine. Deze werd gesticht in de 13de eeuw als necropool voor de graven van Luxemburg (Huis van Limburg-Luxemburg). Hoewel de abdij slechts een honderdtal jaar werd gebruikt als aristocratische begraafplaats, bleef ze gedurende haar ganse geschiedenis een symbool voor Luxemburg als politieke en culturele entiteit. Dankzij haar symbolische betekenis kon de gemeenschap rekenen op de steun van allerlei sociale groepen die zich om uiteenlopende belangen probeerden te vereenzelvigen met de stichters van de abdij en de traditionele Luxemburgse aristocratie. Zo kon de gemeenschap rekruteren in de hoogste rangen van de feodale elite, wat niet enkel bijdroeg tot het adellijk karakter van de gemeenschap, maar ook tot de welstand van de abdij. Na de opheffing van de gemeenschap in 1796 verdween de abdij snel uit het zicht. Tussen 1997 en 2007 werd het grootste deel van het gebouwen bestand terug aan het licht gebracht dankzij grootschalig archeologisch onderzoek.

In dit onderzoek wordt dieper ingegaan op de creatie van sociale identiteit in religieuze context. Identiteit die gevormd werd door interactie tussen mensen binnen de gemeenschap, maar ook door wisselwerking tussen de gemeenschap en allerlei actoren in de seculiere maatschappij waaronder de patronen en de verschillende weldoeners van de abdij. Focus ligt op de rol van architectuur, materiële cultuur en consumptie in deze sociale processen. Archeologische resten vormen hierbij de primaire bron, in confrontatie met zo veel mogelijk ander historisch bronmateriaal.

Ons beeld van vrouwenabdij tijdens de Middeleeuwen en de Vroeg Moderne Tijd is vaak erg traditioneel. Vrouwenabdijen worden hierbij beschouwd als sterk gereguleerde gemeenschappen zonder enige ruimte voor vrijheid en persoonlijke ontwikkeling. Zo denken we vooral aan kloosterzusters die al biddend, eenzaam en alleen, hun dagen slijten in hun cel. Zij leiden een gedisciplineerd leven volgens strikte regels van afzondering en soberheid. Intrede in het klooster impliceert met andere woorden een radicale verandering in de levenswijze van de welstellende en in hoofdzaak adellijk vrouwen. Hierbij wordt verwacht dat ze resoluut afstand doen van alle materiële en niet materiële gewoonten uit hun werelds bestaan.

Huidig onderzoek nuanceert dit eerder traditioneel beeld. De zusters in Clairefontaine waren dan wel religieus maar zeker niet 'wereldvreemd'. Via architectuur, materiële cultuur en eetgewoonten creëerden ze een heel eigen leefwereld vorm gegeven door de regels van de Orde, maar met veel verwijzingen naar een werelds (en adellijk) leven.  Hierbij valt ook op dat smaak en consumptie binnen het klooster geen statisch gegeven was, maar sterk werd beïnvloed door veranderende modeverschijnselen buiten de muren.

Contact

dr. Davy Herremans

Prof. dr. Wim De Clercq