Grondradar en archeologisch onderzoek (2006-heden)

Archeologisch onderzoek met grondradar. Ondergrondse resten van Romeinse architectuur in beeld gebracht door middel van hoge-resolutie grondradar.

 Georadar-slice (diepte: c. 0.60 - 0.65 m) en interpretatie van Ammaia (Portugal)
Georadar-slice (diepte: c. 0.60 - 0.65 m) en interpretatie van Ammaia (Portugal)
Prospectie met georadar behoort, samen met magnetometerprospectie, elektrische weerstandsmeting en elektromagnetische inductie tot de meest gebruikte geofysische prospectietechnieken binnen de archeologie. Deze methode is gebaseerd op de weerkaatsing van radargolven door ondergrondse archeologische structuren. Het meten van het tijdsverloop waarbinnen een golf aan de oppervlakte terugkeert, laat toe de diepte van de sporen te schatten.

Hieruit volgt meteen het belangrijkste voordeel van deze techniek ten opzichte van andere geofysische prospectiemethoden: de informatie is driedimensionaal, men krijgt ook een idee van de diepte van de structuren. Daarnaast laat georadarprospectie toe ondergrondse sporen te reconstrueren met een ruimtelijke resolutie die door geen enkele andere prospectiemethode geëvenaard wordt. Georadar is in staat om een waaier van archeologische structuren te detecteren: muren, vloeren, grachten, graven, holtes, aan- en afvoerkanalen… Ook metingen onder verharde oppervlakken (vloeren in huizen of kerken, asfalt van parkings) zijn mogelijk. Een belangrijke beperking is het geringe dieptebereik op bodems met een hoog kleigehalte.

Sinds 2007 wordt deze techniek door Dr Lieven Verdonck met succes aangewend op archeologische sites te dateren vanaf de bronstijd tot de middeleeuwen. De inzetbaarheid van georadar is aangetoond in verschillende regio’s van Europa en daarbuiten, waaronder zandig Vlaanderen (Koekelare, Aalter, Middelburg), Kent (Bishopsbourne, Petham, Ickham) en de Verenigde Arabische Emiraten (Mleiha). Niettemin ligt het accent van het onderzoek op landelijke en stedelijke sites in het Middellandse Zeegebied daterend uit de Punische, de Griekse, Hellenistische en vooral de Romeinse periode. Prospecties werden uitgevoerd o.a. in Bidnija (Malta), Ammaia (Portugal), Potentia en Trea (Italië), Mariana (Corsica), Thorikos en Koroneia (Griekenland). Het onderzoek is ingebed in landschapsarcheologische projecten waarbij de georadargegevens worden geconfronteerd met data uit andere vormen van archeologische prospectie (bv. veldprospectie, remote sensing, topografische survey) en kleinschalige opgravingen. Momenteel ligt de nadruk op het onderzoek van twee Romeinse steden in Lazio (Italië): Falerii Novi en Interamna Lirenas. Dit gebeurt binnen het project ‘Beneath the surface of Roman Republican cities: a novel application of landscape-scale ground-penetrating radar (GPR) survey in archaeology’, dat loopt van 2015 tot 2017 in samenwerking met de Faculty of Classics, Universiteit van Cambridge. Het objectief is om meer inzicht te krijgen in de oorsprong van de Romeinse steden in Italië (vierde–derde eeuw v.C.). Het onderzochte areaal beslaat ongeveer 60 ha.

De methodologische invalshoek van het onderzoek omvat o.a. de bepaling van de optimale dichtheid van het meetnet. Deze is afhankelijk van de omstandigheden op het terrein, maar meestal kan een afstand tussen de metingen van 10 cm in twee loodrechte richtingen voorgesteld worden als optimaal. Verder wordt geëxperimenteerd met de semi-automatische interpretatie van georadargegevens, en wordt de meerwaarde van multi-offset metingen (dit zijn metingen met meerdere afstanden tussen zend- en ontvangantenne) onderzocht.

Contact

Dr. Lieven Verdonck