Wijn- en olijfteelt in Romeins centraal Adriatisch Italië (2011-2015)

De impact van overzeese handel en regionale consumptie op ontwikkelingen in de wijn- en olijfteelt in centraal Adriatisch Italië (250 v.C.-200 n.C.). (Doctoraatsonderzoek: Dimitri Van Limbergen)

De causale link tussen demografie en landbouw in pre-industriële economieën heeft altijd al een belangrijk element gevormd in historische studies gericht op 13de-19de -eeuws Europa. Ondanks de bijna wanhopige oproep van Bruce W. Frier om dergelijke bevolkingskwesties ook beter te integreren in het onderzoek omtrent de Romeinse wereld, kon Neville Morley in een recente publicatie niet anders dan het algemene gebrek daaraan in socio-economische studies van de oudheid aankaarten. Men moet echter maar het werk van Walter Scheidel raadplegen om te beseffen dat beperkingen van demografische aard ook hun schaduw moeten geworpen hebben op de agro-economische ontwikkelingen in vele delen van het Romeinse rijk.

Ondanks dit besef hebben interpretatieve modellen omtrent de Italiaanse economie in de Romeinse periode – en in het bijzonder de modellen rond de wijn- en olie industrie – vooral het belang benadrukt van de voedseltransporten op extra-regionaal en extra-Italiaans niveau. Daardoor zijn de archeologische maatstaven voor de prestaties van de Romeinse wijn- en oliesector – in de eerste plaats amforen en persinstallaties – bijna uitsluitend bestudeerd vanuit datzelfde standpunt. Er is echter maar weinig aandacht besteed aan hoe de ontwikkelingen in deze twee categorieën van archeologisch bewijs gelinkt zouden kunnen worden aan lokale gebeurtenissen, zoals bevolkingsdynamieken en de geassocieerde vereiste voedselbronnen.

Het was de bedoeling om met dit onderzoeksproject dergelijke kwesties te onderzoeken voor het centraal Adriatische deel van Italië tussen de Late Republiek en de Vroege/Hoge Keizertijd (250 v.C.  – 200 n.C.).  Het studiegebied omvat de regio Marken en het noordelijke deel van de Abruzzen. Het is gesitueerd tussen de Apennijnen en de centraal Adriatische kust en is gekarakteriseerd door een kamvormige geomorfologische structuur in de vorm van een serie van parallelle riviervalleien die afdalen in de richting van de zee. In de Romeinse periode was dit gebied grotendeels onderdeel van het vijfde administratieve district van keizer Augustus’ Provincia Italia (Picenum); het meest noordelijke deel van de streek behoorde toe aan de zesde Regio (Ager Gallicus).

Deze studie had voornamelijk de bedoeling om een interpretatief kader te creëren waarmee de mogelijke impact van lokale demografische omstandigheden op de evolutie van de wijn- en olie-industrie in centraal Adriatisch Italië tussen de Late Republiek en de Vroege/Hoge Keizertijd kon geëvalueerd worden. De belangrijkste vraag was hierbij of regionale demografische ontwikkelingen iets te maken zouden kunnen gehad hebben met de afnemende export van wijn in amforen vanaf de Augusteïsche periode, alsook met de minimale betrokkenheid van het gebied in de Mediterrane oliehandel in amforen. Dit model werd voornamelijk opgebouwd aan de hand van een diepgaande analyse van het archeologische bewijsmateriaal inzake wijn- en olie productie/transport; en door het positioneren van de diachronische veranderingen in dit bewijsmateriaal tegenover een theoretisch bevolkings- en landmodel geïnspireerd door het archeologische bestand.

De toegepaste methodologie omvatte vijf grote stappen. Eerst werden de twee belangrijkste categorieën van archeologisch bewijsmateriaal voor commerciële wijn- en olie productie – amforen en persen – aan een diepgaande analyse onderworpen om te zien welke patronen hieruit tevoorschijn kwamen. Vervolgens werd er een poging ondernomen om de stedelijke (en landelijke) bevolkingsevolutie in kaart te brengen op basis van de overgebleven structurele resten van bewoning. De aldus verkregen bevolkingscijfers werden daarna gekoppeld aan een consumptiemodel, en aan een theoretisch landgebruik model; beiden geïnspireerd door antieke schriftelijke bronnen en comparatief bewijsmateriaal uit de pre-industriële periode in centraal Adriatisch Italië. Deze modellen werden tenslotte vergeleken met de grootte van het studiegebied (11,600 km²) om een idee te krijgen omtrent het deel van de lokale landbouwproducten (graan, wijn, olie) dat verbruikt werd door de landelijke en stedelijke bevolking in de regio, en om te bepalen in welke mate mogelijke overschotten beschikbaar waren voor consumptiegroepen buiten de regio.

De uitkomst van al deze berekeningen met betrekking tot bevolkingsdynamieken, consumptiegedrag en de productiviteit van de landbouw moeten voornamelijk beschouwd worden als een referentiekader waarmee we de effecten van lagere en hogere bevolkingsaantallen op de wijn- en oliehandel in dit gebied in kaart kunnen brengen. Vanuit dit standpunt lijkt het dat de voorwaarden voor de bloei van die handel gunstiger waren in de Laat Republikeinse periode dan in de Vroeg/Hoog Keizerlijke periode. Inderdaad, er is een hoge graad van waarschijnlijkheid dat tussen de 40 en 85% van al het beschikbare land in het studiegebied – dat wil zeggen alle gronden en niet enkel de landbouwgronden – niet nodig was om aan de lokale voedselvereisten te voldoen in de eerste periode. Aan de andere kant, als de lokale landvereisten – en dan in het bijzonder de vereisten voor graanproductie – effectief zodanig groeiden in de Keizerlijke periode als de berekeningen hebben gesuggereerd, en indien deze toename vooral tegemoet werd gekomen door middel van lokale productie, dan zouden de effecten als dusdanig geweest zijn dat het aantal gronden beschikbaar voor de export van wijn en olie verminderd werd tot 67-5% van het totale gebied in de tweede periode.

Met andere woorden, in het eerste geval bevonden de Romeinse boeren in het Adriatische kustgebied zich in een zeer gunstige positie die hen toeliet om goede wijnlanden uit te kiezen en wijngaarden uit te breiden en te intensifiëren met het oog op maximale winst. Op die manier zou het gebied deel hebben kunnen nemen aan het bredere fenomeen van de extra-regionale wijnhandel in de Laat Republikeinse periode. Het zijn dan ook deze voortdurende intensifiërings- en uitbreidingsprocessen die zo goed tot uiting lijken te komen in het amforen materiaal besproken in het eerste hoofdstuk. In het tweede geval waren de zaken echter radicaal verschillend, met een bevolkingsdruk in zowel stad als platteland die het onwaarschijnlijk zouden gemaakt hebben dat er in de 1ste en 2de eeuw nog grote hoeveelheden lokale wijn en olie uitgevoerd werden naar de externe markten op jaarlijkse basis. Hiermee willen we niet gezegd hebben dat dergelijke ontwikkelingen de bestaande commerciële handel volledig een halt zouden toegeroepen hebben, maar onder dergelijke omstandigheden kon de omvang van die externe handel niet anders dan meer bescheiden geweest zijn, daar een groot deel van de overschotten nu verhandeld dienden te worden naar de steden binnen de regio. Een dergelijk proces ligt mogelijks aan de basis van twee andere patronen opgemerkt binnen het archeologische bestand: de geleidelijke afname van het gebruik van amforen in de 1ste-2de eeuw en de mogelijks gelijktijdige toename van houten tonnen (1); en het simultaan verder functioneren van een substantieel aantal persinstallaties (2).

Het belangrijkste doel van dit onderzoek was om het debat te stimuleren omtrent de fundamentele veranderingen die de centraal Italiaanse landbouw in de beschouwde periode doormaakte. Toegegeven, de speculatieve component van dit verhaal is nog steeds aanzienlijk, maar het was ook nooit de bedoeling om volledige historische accuraatheid te claimen. In plaats daarvan heb ik willen betogen dat de kruisbestuiving tussen het amforen materiaal, de persen en het opgebouwde landmodel suggereert dat er ‘iets’ gebeurd is in de loop van de 1ste en de 2de eeuw dat de centraal Adriatische wijn- en oliesector aanzienlijk hervormde; en dat dat ‘iets’ ook gekoppeld kan worden aan intra-regionale demografische ontwikkelingen, in plaats van enkel aan het verdwijnen van de provinciale markten. Het is mogelijk dat deze veranderingen een toename in de distributie van zowel ‘arbustum’ velden (een typische manier om aan extensieve wijnbouw te doen in het centrale/noordelijke deel van Italië in de Romeinse periode, waarbij wijnstokken gelinkt werden aan bomen in combinatie met graanteelt) als extensieve olijfboomgaarden in het gebied inhielden.

Dergelijke veranderingen liggen in de lijn met één van de rode draden van deze studie; namelijk dat de evolutie van de wijn- en oliehandel in Romeins Italië niet kan gezien worden als een geïsoleerd fenomeen, maar gekaderd dient te worden binnen een breder agrarisch geheel waarin graanproductie een prominente plaats had.

Contact

Dr. Dimitri Van Limbergen