22 maart 2016: inlichtingenfalen veroorzaakt door beleidsfalen

(21-03-2017) Na de binnen-en buitenlandse kritiek op België na de aanslagen onderzocht UGent -historicus en veiligheidsexpert Kenneth Lasoen de werking van onze veiligheidsdiensten. Lasoen pleit voor betere politieke sturing en een dynamisch veiligheidsplan.

Het onderzoek is gebaseerd op de verslagen van het Comité I, parlementaire vragen en antwoorden, het Franse verslag naar de aanslagen in Parijs, contacten met insiders van de diensten en ook met buitenlandse inlichtingen- en dreigingsanalyse-experts van o.a. de CIA, de Amerikaanse National Intelligence Council, de Britse geheime dienst, de Europese instellingen en de NAVO. Daarnaast maakt de studie gebruik van de gespecialiseerde literatuur inzake nationale veiligheid.

 De onderzoeker publiceert zijn conclusies in afwachting van de resultaten van de parlementaire onderzoekscommissies over de terreur en de aanslagen van 22 maart.

Gegevensstroom niet bij te houden

Omwille van de steeds groeiende dreiging die uitging van terugkerende Syriëstrijders werd het OCAD meer en meer belast met coördinatieopdrachten van gegevensverzameling door lokale en nationale organen om radicalisme op te volgen. De focus lag daarbij meer op gegevens verzamelen en delen dan ze ook effectief te verwerken. Het fenomeen nam zodanig snel toe dat de gegevensstroom niet meer bij te houden was. Gehandicapt door een chronisch tekort aan middelen, is de dreigingsanalyse verder bemoeilijkt doordat de veelheid aan gegevens weinig concrete aanwijzingen bevatte.

Niet alleen België maakt fouten

Het onderzoek weerlegt de kritiek dat men de aanslagen had moeten zien aankomen, door de vergelijking te maken met wat voorafging aan terreuraanvallen in het verleden, zoals de aanslagen in de VS in 2001, en die in Madrid en Londen in 2004 en 2005.  Wat toen is misgelopen is zeer gelijkaardig aan wat voorafging aan de meest recente aanslagen.

De prestaties van de Belgische diensten moeten globaler worden bekeken dan de ene mislukking. Er werd immers een groot aantal andere complotten verijdeld.

Politieke verwaarlozing

Het gebrek aan onderlinge samenwerking is alom erkend als een van de voornaamste problemen. Het bevragen van elkaars bevoegdheden, verschillende meningen over de aard van de dreiging, gemiste kansen door het monopolie van het gerecht, en vooral non-communicatie en concurrentiedrang staan in de weg van effectieve coördinatie, vooral in de strijd tegen terreur. Het is de taak van het politieke niveau om hierin tussen te komen, maar opeenvolgende regeringen hebben dat grotendeels nagelaten. Nochtans is ministeriële interventie een succesvolle remedie gebleken.

De grootste boosdoener is de traditionele desinteresse van de wetgevende en uitvoerende macht in de inlichtingendiensten en hun werking, een structureel probleem dat algemeen verlammend is. Niemand heeft oren naar de problemen van de diensten, omdat er geen middelen zijn om ze te verhelpen.

 De in 2015 opgerichte Nationale Veiligheidsraad heeft ondertussen wel al enkele stappen in de goede richting gezet, onder meer met een aantal lang uitgebleven richtlijnen.

Wat is het antwoord ?

Sinds de aanslagen verkeert ons land in het tweede hoogste dreigingsniveau dat een intensieve veiligheidsopdracht inhoudt voor de ordediensten en het leger. Deze zenuwoorlog wordt gevoerd op reactieve en defensieve wijze, wat hoge kosten met zich meebrengt. Er is nood aan een strategisch antwoord dat zelfs over het Europees niveau heen zou moeten gaan, dat zich richt op preventie en proactieve civiele bescherming.

Het onderzoek reikt vijf elementen aan waaruit een dergelijke veiligheidsstrategie kan bestaan.

  • Gecoördineerde inlichtingen  met de focus op analyse in plaats van louter gegevensverzameling.
  • Innovatie en creativiteit nemen het initiatief van aanvallers af en leggen het terug in onze handen.
  • Flexibiliteit moet de chirurgische inzet van de ordediensten mogelijk maken met een gelijkaardige bewegingsvrijheid als die van terroristen, opdat ze nergens nog veilig zijn en onze kwetsbare plekken niet zouden kunnen viseren.
  • Internationale harmonisatie is essentieel omdat de dreiging zich over de grenzen heen beweegt, en omdat alle andere landen net dezelfde problemen bekampen in de aanpak van de terreur.
  • De strijd tegen radicaliserende propaganda moet worden opgedreven, en de inzet van socio-economisch kapitaal moet de wortels van het radicalisme uitroeien.

Dit alles moet gekaderd zijn door een allesomvattend veiligheidsplan dat continu aanpasbaar is en waar het publiek bij betrokken is. Een moeilijke opdracht, maar de Veiligheidsraad is daar het best toe geplaatst. Door het voortzetten van de positieve evolutie kan dit orgaan zijn potentieel waarmaken om een nieuw tijdperk van veiligheid in te luiden.

Info

Kenneth Lasoen, vakgroep Geschiedenis
M 0471 87 47 79
Kenneth.Lasoen@UGent.be 

‘Indications and Warning in Belgium. Brussels is not Delphi,’ The Journal of Strategic Studies 40 (2017), DOI: 10.1080/01402390.2017.1288111

 

‘For Belgian Eyes Only: Intelligence Cooperation in Belgium,’ International Journal of Intelligence and CounterIntelligence 30 (2017), DOI: 10.1080/08850607.2017.1297110

 

Lees meer artikels over: