Samenwerking Centraal- en Oost-Europa
Wat en wie ?
De Vlaamse Gemeenschap wil de samenwerking met de Centraal- en Oost-Europese landen als een prioriteit blijven handhaven, aansluitend op het beleid van de Europese Unie. De oproep zal in 2010 pas in mei of juni worden gelanceerd, en zal waarschijnlijk beperkt worden tot de Westelijke Balkan en Oekraïne.
Het Samenwerkingsprogramma voor Centraal- en Oost-Europa is een van de instrumenten die de Vlaamse Regering bij het begin van de jaren ’90 in het leven heeft geroepen om de bilaterale betrekkingen aan te halen met de landen die toen pas uit het ‘Oostblok’ waren gestapt. Jaarlijks werd een aanzienlijk budget voorzien voor de financiering van projecten waarbij het Vlaamse middenveld (instellingen, ngo’s, gemeentelijke overheden, enz.) een projectpartnerschap aangingen met vergelijkbare organisaties in Centraal- en Oost-Europa om hen bij te staan bij de ontwikkeling van democratie en een vrije markteconomie. De overheid legde voor deze samenwerking in de voorbije jaren geregeld nieuwe geografische en inhoudelijke klemtonen, maar ook na de toetreding van 10 Centraal-Europese staten tot de Europese Unie bleef de Vlaamse overheid samenwerken met de landen van Centraal- en Oost-Europa bij de verdere uitbouw van een democratische samenleving, bij de opbouw van een vrije markteconomie en een evenwichtig sociaal model. De Vlaamse Regering wenst projecten te ondersteunen die ernaar streven het welvaart- en welzijnsniveau in de partnerlanden in Centraal- en Oost-Europa te bevorderen en tevens blijvende samenwerkingsbanden tot stand te brengen.
Het samenwerkingsprogramma met Centraal- en Oost-Europa is geen universitair samenwerkingsprogramma. Bilaterale onderzoeksprojecten worden niet gefinancierd, gezien er hiervoor andere financieringskanalen bestaan. Universiteiten kunnen wel deelnemen binnen een ruimer consortium om expertise ter beschikking te stellen, bijvoorbeeld samen met publieke administraties, bedrijven, ngo’s, kamers van koophandel etc.
Het beleid rust op drie pijlers, elk met zijn eigen klemtonen:
Pijler I: 10 nieuwe EU lidstaten - budget van 1.170.000 €
Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië
In de eerste pijler verloopt de samenwerking volgens het post-accessiemodel: streven naar versteviging van het partnerschap en ter beschikking stellen van specifieke Vlaamse ervaring en kennis bv. op het vlak van democratie, de kennismaatschappij en bestuurlijk beleid. Belangrijk bij deze eerste pijler is dat het niet om bijstandsprojecten gaat, maar om een gelijkwaardig partnerschap. Vorig jaar werden slechts 4 van de 19 projectvoorstellen goedgekeurd om deze reden. De aandacht gaat vooral uit naar de implementatie van EU regelgeving, een opstap naar Europese projecten, nieuwe netwerken opstarten, Vlaanderen promoten, vroegere contacten valoriseren en trilaterale of grensoverschrijdende samenwerking.
Pijler II: de Westelijke Balkan - budget van 1.900.000 €
Kroatië – 700.000 €, Macedonië – 450.000 € , Albanië, Bosnië-Herzegovina, Montenegro, Servië en Kosovo – 750.000 €
Hier ligt de focus vooral op het verwerven van het “acquis communautaire”; de transitie van wetgeving en integratie in de EU.
Pijler III: Oekraïne en Moldavië – 450.000 €
Met een derde pijler wil Vlaanderen nauw samenwerken met landen langs de nieuwe buitengrens van de Europese Unie. De klemtoon wordt gelegd op democratische en economische versterking, conflictpreventie en samenlevingsopbouw (Kopenhagen criteria). De voorziene 450.000 euro worden in 2009 voor de eerste keer ook voor Moldavië voorbehouden.
Duurzaamheid en overdraagbaarheid zijn fundamenteel bij het opzetten van een project. De mate waarin het project voor structurele verbeteringen zal zorgen in het partnerland enerzijds, en de mate waarin het kan worden voortgezet nadat de Vlaamse financiering is beëindigd anderzijds, zijn beslissende factoren bij de beoordeling van een aanvraag. Ook de vraag of de uitvoering van het project kan leiden tot een multiplicatoreffect (overdraagbaarheid naar anderen binnen het partnerland) is van cruciaal belang. Andere evaluatiecriteria zijn de betrokkenheid van het partnerland, de methodologie van het project en een budgettair evenwicht.
Budget
De maximale subsidie per project is 300.000 €, per jaar kan maximaal 150.000 € toegekend worden. De cofinanciering bedraagt 50% voor pijler I en 15% voor pijler II en III. Bij trilaterale projecten moet er steeds 50% gecofinancierd worden. Het is aan te raden om ook de lokale partners hierbij te betrekken, dit getuigt van betrokkenheid bij het project. De cofinanciering moet bevestigd worden in de intentiebrieven.
Aanvraag
De projecten moeten betrekking hebben op een samenwerkingsverband tussen minstens 1 Vlaamse promotor enerzijds en minstens 1 partner uit het partnerland anderzijds. De projectduur is maximaal drie jaar.
Het departement Internationaal Vlaanderen en/of de desbetreffende ambassade kan advies geven over uw projectvoorstel. U kunt een beknopte samenvatting sturen om na te gaan of het idee ontvankelijk zou zijn voor financiering binnen het programma.
Bijkomende informatie & aanvraagformulieren
Alle aanvraagformulieren en richtlijnen zijn beschikbaar op de website van de Vlaamse Gemeenschap.
Opgelet: voor dit kanaal dient u rekening te houden met de centraal voorziene overhead. Ook moet uw projectvoorstel mee ondertekend worden door de Rector.
Voor de ondertekening, en voor meer info, contacteer Tim Joosen.
