Studentenvertegenwoordiger Stijn Baert: "UGent: op naar de Vlaamse referentie-universiteit!"
De start van het academiejaar 2005-2006 wordt gekenmerkt door het aantreden van een nieuwe Rector en vice-Rector. Deze nieuwe bestuursploeg heeft het voorrecht te kunnen voortbouwen op de verwezenlijkingen van pro-Rector De Leenheer en pro-vice-Rector De Clercq die, beide gekenmerkt door hun liefde voor de instelling, de Universiteit Gent gemaakt hebben tot wat ze nu is: een kwaliteitsinstelling, waar onderwijs en onderzoek, de belangrijkste pijlers van de academische opdracht, verder zijn uitgebouwd.
Het is mijn overtuiging dat de incentives die de pro-Rector heeft gegeven aan het academisch onderzoek binnen de Universiteit, van het allerhoogste belang waren. Ik vermoed dat wij de mooiste vruchten daarvan pas zullen plukken wanneer hij weer achter de boeken Fysica en Sterrenkunde zal gekropen zijn. Ik hoop dan ook oprecht dat kersvers Rector Van Cauwenberge dit beleid van stimulansen voor het onderzoek zal verderzetten. Er dienen belangrijke engagementen aangegaan te worden, zoals de verdere uitbouw van het postdoctorale kader. Het kan immers niet de bedoeling zijn om massaal jonge, getalenteerde onderzoekers, na het afleggen van hun doctoraat te laten afvloeien, temeer daar vele faculteiten kreunen onder hun relatieve onderbezetting qua zelfstandig academisch personeel ten opzichte van de andere onderwijsinstellingen. Het blijvend uitbouwen van de onderzoekscultuur aan deze instelling is ten andere de enige manier om – zeker in een tijd waarin men steeds meer over outputfinanciering reflecteert - het Mattheüseffect tegen te gaan, dat veroorzaakt werd door de jarenlange onderfinanciering van de UGent. Bovendien is hoogstaand academisch onderwijs, inherent verstrekt vanuit relevant, actueel wetenschappelijk onderzoek, het grootste cadeau dat men de 27.000 studenten van deze instelling kan doen. Dat academisch onderwijs is immers de reden waarom zij aan de Universiteit studeren. Dit cruciale gegeven mag ook niet uit het oog verloren worden wanneer de nieuwe bestuursploeg de uitdagingen aangaat, waar de UGent in de 21e eeuw mee geconfronteerd wordt. De tijd is er immers nog lang niet naar om op onze lauweren te rusten, de Universiteit heeft immers de plaats die ze dient in te nemen, namelijk die van leidinggevende hogeronderwijsinstelling, nog niet veroverd en daar moeten we in de toekomst werk van maken.
Dames en Heren,
Deze instelling is groot geworden. Op 15 jaar zag de Universiteit Gent haar studentenaantal verdubbelen (van 15.000 in academiejaar 1990-1991 naar 27000 dit jaar). De Universiteit Gent staat internationaal hoog aangeschreven: voor het tweede jaar op rij eindigde de UGent als eerste Belgische universiteit in de Academic Ranking of World Universities van de Shanghai Jiao Tong University, en ook in Vlaanderen scoren onze opleidingen qua interne kwaliteitszorg steevast de beste punten.
En toch ontbreekt er iets. Ondanks de expansie, ondanks de erkenning van onze kwaliteit, zijn we niet dé referentie. Niet bij de man in de straat, niet bij de ouder van een toekomstige student. Het wordt dringend tijd dat we ons product beter gaan verkopen. We zijn het als grootste Vlaamse pluralistische universiteit, in de grootste studentenstad van Vlaanderen, verplicht om de Vlaamse referentie-universiteit te worden. Het pluralisme is immers de meest logische basis voor het verschaffen van academisch onderwijs, vrij van dogma's. Het laat studenten toe zich te ontwikkelen tot kritische jonge mensen, klaar voor onze democratische samenleving. Daarenboven biedt onze pluralistische visie alle kansen aan jonge, getalenteerde onderzoekers.
Ook door de politieke wereld voelen we ons vaak niet naar waarde geschat. De Universiteit Gent werd jarenlang ondergefinancierd tegenover de andere Vlaamse universiteiten. Ten dele werd zij immers gefinancierd op basis van het studentenaantal in 1991, hoewel dat studentenaantal jaar na jaar explosief toenam. Dat compensaties voor die onderfinanciering slechts via gerechtelijke weg verkregen konden worden, bewijst nog maar eens dat de Vlaamse politieke wereld een koele minnaar is van de UGent.
Meneer de Minister,
Ik wil de hoop uitdrukken dat de compensaties voor die onderfinanciering die de UGent de komende jaren zal ontvangen, zullen gegeven worden met in het achterhoofd dat deze instelling, één van uw vlaggenschepen, deze verdient. Nog meer hoop ik dat u bij het opstellen van een nieuw financieringsmodel, de jarenlange onderfinanciering van deze instelling niet uit het oog verliest. Zo zou het van een grote intellectuele oneerlijkheid getuigen mocht u een verhoogde outputfinanciering invoeren, zonder gebruik te maken van een coëfficiënt die de historische tekorten in rekening brengt. Deze instelling kan immers onmogelijk zonder meer afgerekend worden op haar output van het afgelopen decennium aangezien zij minder middelen kreeg om die te produceren, in verhouding met de andere instellingen. Op die manier zouden wij nogmaals de dupe zijn van onze groei. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn van uw beleid om een Mattheüseffect te creëren waarbij deze instelling steeds armer wordt en de instellingen tegenover de welke zij ondergefinancierd werd, steeds rijker.
Naast de erg voorwaardelijke liefde vanuit de politieke wereld voelen we ons ook door de pers vaak niet graag gezien. Keer op keer besluipt velen onder ons het gevoel dat we niet het aandeel in de media krijgen dat we verdienen, dat sommige kranten nog steeds meer aandacht schenken aan de niet-pluralistische instellingen overeenkomstig met hun eigen historische ideologie. Onze potentiële sterkte, ons pluralisme, lijkt ook hier soms onze zwakte: voor sommige zaken lijkt deze Aula een zuil tekort te hebben.
We moeten ons echter de vraag durven stellen of we de Universiteit Gent zelf wel graag genoeg zien om te mogen verwachten dat anderen, de man in de straat, de overheid en de pers dat zouden doen. We moeten ons durven afvragen of wij zelf wel fier genoeg zijn op deze instelling. Dragen wij die fierheid genoeg uit om die plaats op het voorplan, die de UGent verdient, te veroveren? Waarom verwijzen wij, wanneer ons gevraagd wordt naar de oorzaken van het al jaren stijgende studentenaantal, bescheiden naar demografische redenen en niet naar onze kwaliteit? Is een gezonde dosis chauvinisme aan deze instelling misschien verboden?
Geachte aanwezigen, ik vraag u dus ambitie. Aan elke professor, aan elke assistent, aan elk personeelslid en aan elke student, vraag ik dit jaar een beetje trotser te zijn op de UGent en dit uit te dragen. Ik vraag u een marketingboy of -girl te willen zijn van de UGent, een waardig ambassadeur van de instelling, door ambitieus te zijn in uw werk, door fier te zijn op het resultaat en op uw werkgever, zonder daarbij te vervallen in intellectueel snobisme. Elke vertegenwoordiger van deze instelling moet daarenboven, vanuit zijn positie, extern op tafel durven kloppen om de zaken binnen te halen waarop deze instelling recht heeft. Deze Universiteit hoort - zeker in Vlaanderen – niet volgzaam, maar leidinggevend en innovatief te zijn. Het is tijd om de eigen individuele dogma’s te laten varen en de blik te verruimen naar de instelling. Als de instelling het goed doet, zal dat immers afstralen op ieder lid van de universitaire gemeenschap. Elk van u kan meewerken aan de positionering van onze Universiteit als referentie-universiteit.
Om onze instelling beter te verkopen en ze leidinggevend te laten zijn, zal zeker ook het universiteitsbestuur enkele specifieke uitdagingen moeten durven aangaan. Vanzelfsprekend zullen het vooral deze mensen zijn die de zaak van de UGent zullen moeten gaan bepleiten bij de overheid, in de VLIR en in de bedrijfswereld. Daarnaast zouden ook een aantal stimulansen voor, en wijzigingen in het persbeleid wenselijk zijn. Het was in mijn ogen onaanvaardbaar dat de onderwijsjournalisten op de dag van de rectorverkiezingen niet eens toegelaten werden tot Het Pand, waar de verkiezingen doorgingen. De pers moest buiten blijven staan, als was ze de vijand. De teneur onder de aanwezige perslui was dan ook dat ze aan andere instellingen beter ontvangen zouden geworden zijn. Het zou me niet verbazen dat in deze manier van omgaan met de media voor een stuk de oorzaak ligt voor de enorme discrepantie tussen de hoeveelheid inkt die vloeide over de rectorverkiezingen aan de verschillende instellingen. Nog maar eens werd de positie van de UGent als zijnde niét de Vlaamse referentie-universiteit, op die manier bevestigd. Het is in die zin mijn overtuiging dat een positiever en meer proactief persbeleid nodig is.
Ook binnen de Associatie Universiteit Gent moet de Universiteit – nomen est omen - nog meer dé referentie worden. Eén van de sterktes van de Associatie is haar gedecentraliseerd model, waarbij de verschillende instellingen elk hun autonomie bewaren. Toch kan het niet de bedoeling geweest zijn van het associatiemodel dat de Universiteit Gent met de drie hogescholen aan tafel zou gaan zitten in volstrekte gelijkheid. Daarvoor is haar inbreng en haar status te verschillend van die van de andere hongeronderwijsinstellingen. De UGent moet zich binnen de Associatie ontwikkelen als dé leider, als diegene die de richting aangeeft bij het uitzetten én nastreven van een duidelijke visie.
De ambitie willen hebben om de Vlaamse referentie-universiteit te worden, om leidinggevend te zijn, betekent ook dat we onze eigen wegen moeten durven kiezen, zoals we dat al deden bij het opzetten van ons e-learningplatform Minerva, waartegen de “blackboards” aan andere instellingen niks vermogen. We moeten innovatief durven zijn en ons op die manier opwerpen als een trendsetter naar de andere Vlaamse onderwijsinstellingen toe. Dat kan enkel door de kwaliteit van ons onderwijs, ons onderzoek en onze dienstverlening continu te verbeteren. Zelfs ons systeem van interne kwaliteitszorg, met als speerpunt de onderwijsevaluaties door studenten, waar we terecht fier op zijn, kan nog verbeterd worden. Zo moet de wenselijkheid van het meer uniformiseren en het verplicht maken van de onderwijsevaluatie dringend worden nagegaan. Het is daarnaast noodzakelijk voor de kwaliteitsbewaking dat de resultaten van deze evaluaties ondubbelzinnig zichtbaar zijn in het ZAP-dossier dat opgesteld wordt naar aanleiding van de benoeming of bevordering van een professor. Net zoals voor vele andere zaken, zou het interessant zijn, mocht de Universiteit Gent zich bij het verbeteren van het evaluatiesysteem meer richten naar prestigieuze onderwijs -en onderzoeksinstellingen in het buitenland.
Het zou echter pretentieus zijn te denken dat deze instelling niets meer kan leren van andere binnenlandse universiteiten. Ik zou dan ook op het einde van deze rede een lans willen breken voor iets dat in de andere Vlaamse universiteiten wel bestaat, maar niet bij ons: de intersemesteriële vakantie. De afgelopen jaren hebben vele opleidingen een overgang gekend van het klassieke jaarsysteem naar het semestersysteem. Vorig jaar startte geen enkele student in het eerste Bachelorjaar nog in het jaarsysteem. Er wordt nu gerekend in studiepunten en semesters. Wel, dames en heren, ons semestersysteem is niet af! Momenteel is de studenten aan de UGent geen pauze gegund tussen de twee semesters. Na vier belastende examenweken, volgt meteen de eerste week van het tweede semester. De studenten beginnen het tweede semester, met allemaal nieuwe vakken, dan ook totaal uitgeput. Soms gaat het zo ver dat studenten na weken van studeren op zaterdag een laatste examen hebben en de volgende maandag alweer verwacht worden voor een practicum. Er rest hen dan één dag om de batterijen weer op te laden. Velen halen de opgelopen schade niet meer in gedurende het semester. Dit is enorm nefast voor de onderwijskwaliteit aan onze alma mater. Je kunt van de studenten immers niet verlangen dat zij opnieuw actief gaan participeren aan de lessen of cursussen doornemen, wanneer ze geen adempauze krijgen na weken van intensief studeren. Er is voor dit probleem slechts één oplossing: het inrichten van een intersemesteriële vakantie van minstens enkele dagen, en zodoende het semestersysteem afwerken. Vanzelfsprekend moeten daarvoor verschuivingen gebeuren in de academische kalender, of moet het inrichten van een paasvakantie van één in plaats van twee weken aan de UGent bij de overheid bepleit worden. Die consequenties zullen echter niet opwegen tegen de voordelen van het feit dat de studenten, maar ook het academisch personeel, met opgeladen batterijen het tweede semester kunnen aanvatten.
Mijnheer de Rector
U hebt uw weg naar de universitaire top nu voltooid. Student, Geneesheer, Specialist, Professor, Decaan... En nu… Rector. In het verleden kon u zich altijd snel opnieuw vastbijten in een nieuwe ambitie. Uiteindelijk zit u aan de top. Wat nu? Wel, meneer de Rector, ik heb voor u een nieuwe ambitie. Ik wens u toe degene te zijn naar wie in de toekomst gerefereerd zal worden als de Rector onder wiens bewind de Universiteit Gent gepositioneerd werd als referentie-universiteit, dé referentie binnen haar Associatie, en dé referentiehogeronderwijsinstelling van Vlaanderen, volwaardig opererend binnen de Europese Onderwijsruimte. Het is u in elk geval gegund.
Dames en heren,
Ik hoop dat u allen, hier aanwezig en dus met enige affiniteit met deze instelling, vanuit uw positie en met de nodige fierheid, dit academiejaar een krachtig ambassadeur zult zijn voor de UGent. Ik roep u dan ook op, zowel de academische als de extra-academische gemeenschap, elkeen die pretendeert deze instelling in zijn hart te dragen, dit uit te dragen en op alle terreinen te strijden voor een vooruitgang, een vooruitgang van de Universiteit Gent. Laat ons allen een pilaar, een grote of een kleine, zijn voor deze Aula, opdat de Universiteit die erin gehuisvest is, dé Vlaamse referentie-universiteit kan worden. Want als de instelling vooruitgang boekt, als het goed gaat met de Universiteit en als zij aan allure wint, dan is dat goed voor iedereen, niet in het minst voor de studenten.
Namens de studenten in de bestuursorganen van de Universiteit Gent wens ik u allen een voorspoedig academiejaar.
Reacties: Stijn.Baert@UGent.be
Dank aan Stefaan Stroo voor de inbreng.