INEMAD ontvouwt strategieën voor beter benutten mest

(10-02-2016) Het Europese INEMAD-project onderzoekt hoe mestproblemen zouden evolueren wanneer er een vrij verkeer van mest mogelijk was.

Meer info:  info.crelanleerstoel@ugent.be

Hoe vaak is het al niet herhaald dat dierlijke mest geen afvalstroom is maar een grondstof voor een vruchtbare bodem? In de praktijk blijven de (wettelijke) obstakels voor een betere benutting van mest groot. Zo is de taalgrens nog altijd een mestgrens. Terwijl de mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen op volle toeren draaien, zijn Waalse akkerbouwers aangewezen op energieverslindende kunstmest. Hoe zouden deze mestproblemen evolueren wanneer er een vrij verkeer van mest mogelijk was? Die vraag werd gesteld binnen het Europese INEMAD-project. Projectcoördinatoren Jeroen Buysse en Erik Meers (UGent) noemen dat een eerder theoretische oefening. Meer belang hechten beide professoren aan de vaststelling dat het scheiden van mest in een dunne en dikke fractie efficiënter is dan transport van ruwe mest of mestverwerking in geval van strenge fosfornormen.

Door de intensivering van landbouw worden een aantal regio's in Europa geconfronteerd met de paradoxale situatie van mestafzetproblemen voor veehouders terwijl akkerbouwers nutriënten importeren via kunstmest. "De problematiek stelt zich het scherpst in Vlaanderen en Nederland, maar er zijn heel wat meer landen en regio's die geconfronteerd worden met een mestprobleem", weet professor Jeroen Buysse (UGent). Ook in Bretagne (Frankrijk), Lombardije en de Povlakte (Italië) en in het noorden van Spanje wordt meer mest geproduceerd dan er lokaal op landbouwgrond afgezet kan worden.

Om de nutriëntencyclus beter te sluiten, kan je het gemengde landbouwbedrijf als ideaal naar voor schuiven. Een ander door Europa gesubsidieerd project dat past binnen dezelfde oproep doet het zo, maar de onderzoekspartners van het INEMAD-project zien andere mogelijkheden. Het kennisconsortium dat bestaat uit 13 partners uit acht landen gelooft in het potentieel van (bewerkte) mest en digestaat als groene meststof en volwaardig alternatief voor kunstmest. De technologie die gebruikt wordt voor de opwaardering van ruwe dierlijke mest kan je niet los zien van het transport van mest. Een eerste luik van het onderzoek behandelde daarom het transportvraagstuk. Welke invloed hebben grenzen op de keuze voor mesttransport, mestbewerking of mestverwerking?

Mesttransport

Momenteel moet ruwe dierlijke mest eerst gehygiëniseerd worden alvorens een mesttransport de grens over mag. De enige uitzondering daarop is transport van varkensmest vanuit Vlaanderen naar Zeeuws-Vlaanderen in Nederland. Voor pluimveemest geldt dit overigens niet, die wordt onbewerkt naar de Franse akkerbouwgebieden uitgevoerd, of afgevoerd naar een grote verbrandingsinstallatie in Nederland. Daarnaast bestaat het grensoverschrijdend mesttransport voor een groot stuk uit de gecomposteerde dikke fractie van varkensmest.

In een vrije marktsituatie met onbelemmerd mesttransport zou Vlaanderen een draaischijf worden voor mest. "De behoefte aan mestverwerking zou verminderen omdat ruwe mest afgezet kan worden in Wallonië en Frankrijk. Toch blijft de 'mestdruk' vrij groot door de nabijheid van Nederland en de bereikbaarheid van Wallonië voor mesttransporteurs uit het zuidoosten van Nederland. Vlaamse en Nederlandse mest gaan als het ware concurreren om afzetruimte op Waalse landbouwgrond", vertelt professor Buysse. In die situatie zou mestverwerking en vooral mestbewerking nuttig blijven. Als alleen de Vlaams-Waalse mestgrens opengaat zonder concurrentie uit het buitenland, dan geraken Vlaamse veehouders al hun mest kwijt door transport.

Strengere fosfornormen

Met de aanscherping van de fosfornormen door het vijfde mestactieplan zou de afzetruimte in een België zonder mestgrenzen er al wat meer om gaan spannen. Veehouders, vooral varkenshouders, verliezen door de verlaging van de fosfornormen weer een stuk afzetruimte. Ook voor akkerbouwers is het een probleem dat varkensmest sneller aanbotst tegen de fosfornorm dan tegen de stikstofnorm. De stikstofbehoefte van de plant zal daardoor minder goed ingevuld kunnen worden met dierlijke mest. Er zal nog meer dan in het verleden bijgepast moeten worden met kunstmest. De professor landbouweconomie voorspelt dat mestscheiding aan belang zal winnen door de strengere fosfornormen. De dunne fractie die vooral stikstof bevat, zal op Vlaamse velden aangewend worden terwijl de fosforrijke dikke fractie geëxporteerd kan worden.

Denitrificatie van de dunne fractie

Het onderzoek leert Buysse dat de behoefte aan mestverwerking van het type biologie sterk kan verminderen bij gebruik van mestscheiding. Waarom nog energie verspillen aan de verdere verwerking van de dunne fractie als de nutriënteninhoud daarvan goed aansluit bij wat de plant nodig heeft? Daarmee is Buysse aangekomen bij het tweede luik van het INEMAD-project, waarin zijn collega Erik Meers (UGent) de dunne mestfractie toetste op diens kwaliteiten als kunstmestvervanger. Dit deel is ook gebaseerd op informatie en expertise bekomen uit veldonderzoek uitgevoerd door de Universiteit Gent en praktijkcentrum Inagro in het kader van het EU-project BIOREFINE. Blijkt dat er haast geen verschil is in teeltopbrengst en nitraatresidu dat achterblijft in de bodem. Mestverwerking door denitrificatie van de dunne fractie lijkt dus neer te komen op het vernietigen van een waardevol bemestingsproduct. Bovendien is het een technologie die gepaard gaat met hoge vaste en variabele kosten.

De veldproeven in het kader van het INEMAD-project zouden de Europese Commissie kunnen overtuigen om de bemesting met dunne fractie toe te laten bovenop de 170 kilo stikstof die met dierlijke mest ingevuld mag worden. En zelfs al heeft Europa daar geen oren naar, dan nog is het belang van mestscheiding niet te onderschatten. "Alleen zo kan je de 170 kilo stikstof effectief invullen met dierlijke mest bij de huidige strenge fosfornormen", motiveert Jeroen Buysse. Gelet op de resultaten van het EU-project hoopt de landbouweconoom dat er voor de dunne mestfractie een toekomst als kunstmestvervanger is weggelegd. Hij beseft wel dat de kogel nog niet door de kerk is: "DG Research is het directoraat-generaal van de Europese Commissie dat ons onderzoek financierde terwijl de nitraatdoelstellingen vastgelegd worden door DG Environment en DG Enterprise over de regelgeving rond productkenmerken gaat."

Alternatieve bemestingsproducten

Ook de aanvaarding van alternatieve bemestingsproducten door de boer is een mogelijk obstakel. In de acht landen werd dit onderzocht en akkerbouwers stellen zich heel veeleisend op. Het ideale organische alternatief voor minerale meststoffen is een hygiënische meststof in korrelvorm met een zekere samenstelling, een snelle werking en liefst nog wat koolstof erbij. Ook zou het alternatief minder duur moeten zijn dan de traditionele chemische meststoffen. "Het ideale alternatief voor kunstmest lijkt op die manier wat op 'kunstmest plus koolstof', probeer dat organisch maar na te maken. Bovendien ligt de bereidheid tot betalen helemaal niet hoog wanneer de vertrouwde kunstmest ingeruild moet worden voor een biogebaseerde meststof. In landen waar men minder ervaring heeft met mesttransport, ligt het vertrouwen in organische meststoffen en de bereidheid tot betalen lager dan bij ons", constateert Jeroen Buysse.

Mestscheiding is overigens niet de enige strategie die binnen het INEMAD-project bestudeerd werd als strategie om de nutriëntencyclus in de landbouw beter te sluiten. Ook het Deense voorbeeld werd onder de loep genomen. Daar hanteert men heel strenge bemestingsnormen waarmee een optimale gewasopbrengst bijna uitgesloten is. Economisch lijkt dat moeilijk te verantwoorden maar er schuilt een beleidsvisie achter. De overheid wil landbouwers aansporen tot het beter aanwenden van dierlijke mest en kunstmest zodat de nutriënten beter benut worden en niet uitspoelen. Ook een optie die aan bod komt in het EU-project is een taks op kunstmest, andermaal een strategie met voor- en nadelen.

INEMAD ging vier jaar geleden van start met als Vlaamse partners de Universiteit Gent, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), adviesbureau DLV en technologiebedrijf Innova Energy. De andere onderzoekspartners situeren zich in Nederland (Wageningen Universiteit), Bulgarije, Kroatië, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Hongarije. Het slotcongres vindt plaats op 17 maart in Gent.

Meer info: INEMAD

Bron: VILT

AANVULLENDE VERSLAGGEVING

VILT