Cel- en genbiotechnologie & Bio-informatica

Veelgestelde vragen over de masteropleidingen Cel- en genbiotechnologie & Bio-informatica.

Inhoud en focus

De opleiding Cel- en Genbiotechnologie focust op de fundamentele en praktische kennis van biologische, biochemische en moleculaire aspecten en genetische engineering van plant, dier en micro-organismen op een holistische en kwantitatieve manier met nadruk op industriële toepassingen.

Als je na de bachelor met afstudeerrichting Cel- en Genbiotechnologie de masteropleiding Bio-informatica volgt (afstudeerrichting Bioscience Engineering), zijn de toepassingsgebieden dezelfde, maar ga je vooral biologische problemen oplossen aan de hand van (big) data.

De opleidingen zullen milieuproblemen onderzoeken op cel- en moleculair niveau, bijvoorbeeld het effect van de omgeving op een genoom, of de samenstelling en interacties van microbiële gemeenschappen.

Daarnaast besteedt de opleiding Bio-ir Cel- en Genbiotechnologie aandacht aan biotechnologische oplossingen ontwikkeld voor duurzame processen (bv. duurzame alternatieve oplossingen voor huidige processen startend vanuit petrochemie/chemie, duurzame landbouw, valoriseren van zijstromen en afvalstromen in het kader van een circulaire economie).

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie worden klimaat en klimaatveranderingen op zich niet behandeld. Klimaat komt wel aan bod via het toepassen van cel- en genbiotechnologie bij de ontwikkeling van alternatieve duurzame oplossingen in het kader van de 17 Sustainable Development Goals (SDGs) geformuleerd door de Verenigde Naties.

In de opleiding Bio-informatica kunnen deze als toepassing aan bod komen, maar staat klimaat minder centraal.

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie komt het aspect duurzaamheid aan bod in functie van alternatieve duurzame oplossingen voor de 17 Sustainable Development Goals (SDGs). Voorbeelden hiervan zijn duurzame alternatieve oplossingen voor huidige processen startend vanuit petrochemie/chemie, valoriseren van zijstromen en afvalstromen in het kader van een circulaire economie, en duurzame landbouw.

In de opleiding Bio-informatica komt dit ook aan bod als toepassing, en wordt daarnaast aandacht besteed aan het hergebruik van big data voor alternatieve doeleinden.

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie wordt diepgaande fundamentele en praktische kennis met betrekking tot de biologische, biochemische en moleculaire aspecten van mens, dier, plant en micro-organismen aangebracht en toegepast voor het oplossen van complexe problemen, rekening houdend met ethische en ecologische aspecten.

Hierbij wordt ook de implementatie en economische levensvatbaarheid in rekening gebracht. Vooral via de vakken ‘Management for engineers’ en ‘Case studies in biotechnology’ wordt een inleiding gegeven op economische en bedrijskundige aspecten. Via het opnemen van keuzevakken (bv. uit de module Entrepreneurship and Management) kan dit verder aangevuld worden.

In de opleiding Bio-informatica met major Bioscience Engineering komen economische en bedrijfskundige aspecten beperkt aan bod in het vak ‘Capita Selecta in Bioinformatics’, met sprekers uit het werkveld. Via keuzevakken, voornamelijk in de keuzemodule 'Entrepreneurship & Management', kan je opteren om je verder te verdiepen in deze aspecten.

We behandelen voorbeelden uit verschillende werelddelen en focussen op globale problematieken zoals de 17 Sustainability Development Goals (SDGs).

Ja, de opleiding heeft veel aandacht voor duurzame en biologische productie.

In de major groene biotechnologie komen biotechnologische toepassingen voor biologische en duurzame landbouw aan bod. In de major witte biotechnologie ligt de focus op het gebruik van micro-organismen en hun enzymen voor de biologische en duurzame productie van chemicaliën, materialen en energie uit hernieuwbare grondstoffen.

Ja, als een van de verschillende technologieën die in de opleiding aan bod komt. Zowel voor- als nadelen worden besproken.

Majors

Deze kleuren staan voor de verschillende toepassingsgebieden van de biotechnologie.

De rode biotechnologie focust op de dierlijke en menselijke cel met biomedische en gezondheidstoepassingen.

De groene biotechnologie of plantenbiotechnologie focust op de plantencel met toepassingen in de landbouw.

De witte biotechnologie of industriële biotechnologie focust op microbiële organismen en hun enzymen voor industriële toepassingen.

De major Computational Biology binnen de master Cel- en Genbiotechnologie focust op generieke computationele methodes die nuttig kunnen zijn in biologie, bijvoorbeeld het gebruik van databanken, unix/linux, machine learning (predictive modelling), complexe modellen, wiskundige optimalisatie, enzovoort.

Binnen de opleiding Bio-informatica met major Bioscience Engineering ga je die generieke methodes voor een deel ook zien, maar ligt de focus op specifieke methodes die gebruikt worden voor moleculair biologische data.

Met enkel de major Computational Biology binnen Cel- en Genbiotechnologie word je dus geen bioinformaticus, aangezien je een flink aantal 'echte' bio-informaticavakken mist die je wel ziet in de opleiding Bio-informatica. Enkele voorbeelden zijn ‘Statistal genomics’ en ‘Genome biology’.

Ten slotte heeft de opleiding Bio-informatica vooral droge practica, terwijl de Cel- en Genbiotechnologie ook natte practica heeft.

Vakken

Programmeren is in feite ondergeschikt aan het abstract en logisch denken dat ervan aan de grondslag ligt, wat als ingenieur wel essentieel is. Binnen zowat elke bio-ingenieursopleiding, inclusief Cel- en Genbiotechnologie, komen dan ook toepassingen aan bod waarbij programmeren nodig is. Als je niet zo graag programmeert, hoeft dit voor de meeste masteropleidingen geen probleem te zijn.

Als je voor de master Bio-informatica kiest, en in mindere mate voor de major Computational Biology binnen de Cel- en Genbiotechnologie, is programmeren uiteraard belangrijker. Maar ook hier geldt dat je vooral goed moet kunnen abstract denken: de meeste bio-informatici zullen immers nog maar weinig of niet zelf programmeren, maar wel de strategie uitdenken om een bepaald probleem rond big data op te lossen.

In alle bio-ingenieursopleidingen komen deze disciplines aan bod in meer of mindere mate en vooral toegepast.

De master Bio-informatica met major Bioscience Engineering bestaat voornamelijk uit vakken die je aanleren om biologische problemen op te lossen door de combinatie van abstract denkwerk en computerkracht. Hiervoor zal je kennis van onder meer toegepaste wiskunde, computerwetenschappen en statistiek nog worden bijgespijkerd, terwijl fysica en chemie maar heel weinig nog aan bod komen. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld ‘Proceskunde II’ en ‘Bio-imaging and image informatics’, die in sterke mate gebaseerd zijn op fysica.

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie komen deze disciplines en hun toepassingen vooral aan bod in de leerlijn ingenieursdenken. Voorbeelden hiervan zijn ‘Proceskunde II’ en ‘Bio-imaging and image informatics’, die in sterke mate gebaseerd zijn op fysica. ‘Genome analyse’, ‘Experimental design’, ‘Microbiomics’ en ‘Industrial biotechnology’ zijn gebaseerd op wiskunde en statistiek.

De opleiding Cel- en Genbiotechnologie bevat nog vele biologische of ecologische gerichte vakken waarbij vooral de moleculaire aspecten en interacties van micro-organismen, planten-, dierlijke en menselijke cel worden behandeld. Voorbeelden van dergelijke vakken zijn 'Plant biotechnology', 'Microbiomics', 'Gene regulation and epigenetics'.

Bij de opleiding Bio-informatica komen deze vooral als toepassing aan bod.

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie wordt de kennis van onder andere biochemische aspecten van mens, dier, plant en micro-organismen verder uitgediept en toegepast voor het oplossen van complexe problemen. Dit wordt verder aangevuld met technologische, proces- en ingenieursgerichte cursussen die steunen op chemische kennis. Voorbeelden van dergelijke vakken zijn ‘Protein chemistry’, ‘Proceskunde II’, ‘Industrial fermentations and downstream processing’.

In de master Bio-informatica komen deze aspecten minder aan bod. Uitzonderingen zijn ‘Protein chemistry’ en ‘Proceskunde II’.

Binnen de opleiding Bio-informatica heb je met je bachelor bio-ingenieurswetenschappen 13 studiepunten vrije keuze. Daarvan kan je 5 studiepunten volledig vrij kiezen. 8 studiepunten moet je kiezen binnen het ruimere vakgebied van de bio-informatica, zijnde bv. ook statistiek, (toegepaste) moleculaire biologie, computerwetenschappen enzovoort. Je kan dus in principe zowat alle vakken van de rode major kiezen.

In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie is er een variatie aan types practica waarbij wet lab practica, (computer-)werkcolleges en groepswerk of microteaching het meest voorkomen.

In de opleiding Bio-informatica zijn er nog maar weinig wet lab practica, en ligt de focus op het hands-on oplossen van onderzoeksvragen aan de hand van (computer-)werkcolleges. Naast mogelijke practica voor je keuzevakken hebben ook vakken zoals ‘Protein chemistry’, ‘Plant biotechnology’ en ‘Bio-imaging and image informatics’ labopractica.

Jobs

Veel afgestudeerden van Cel- en Genbiotechnologie en Bio-informatica komen in het onderzoek terecht. Dat kan zowel in de privésector (R&D), aan universiteiten of aan andere onderzoeksinstellingen, waar ze innovatieve concepten ontwikkelen voor allerhande toepassingen. Hierbij nemen ze zowel onderzoekstaken op in een labo en sturen ze onderzoeksteams aan.

Anderzijds nemen velen een functie op in het management, de business development, de kwaliteitszorg of in het productieprocesteam van een bedrijf.

Door de brede basis en de verschillende toepassingsgebieden in de opleiding is de arbeidsmarkt zeer divers en kan je in allerhande sectoren terecht.

Veel afgestudeerden komen terecht in het onderzoek. Velen behalen dan ook eerst een doctoraat.

Dat is echter geen verplichting om onderzoek uit te voeren en door te groeien naar een managementfunctie: dit is afhankelijk van de sector en type bedrijf. De chemische en farmaceutische sector zijn voorbeelden waar traditioneel een doctoraat gevraagd wordt om te kunnen doorgroeien naar hogere managementfuncties. Bij de voedingssector geldt dit meestal niet.

Door de brede basis en de verschillende toepassingsgebieden in de opleiding is de arbeidsmarkt zeer divers en kan je in allerhande sectoren en functies terecht waarvoor een doctoraat niet nodig is.

Neen, de majorkeuze noch de keuzevakken binnen de opleiding Cel- en Genbiotechnologie zijn bepalend voor de tewerkstelling.

Door de brede basis en de verschillende toepassingsgebieden in de opleiding Cel- en Genbiotechnologie is de arbeidsmarkt zeer divers en kan je in allerhande sectoren terecht.

Een bio-informaticus zal vooral strategieën bedenken om biologische problemen met big data op te lossen. Hoewel je in staat moet zijn om zo’n strategie zelf te implementeren op een computer, zal je dit in een latere fase van je carrière meestal nog maar weinig zelf doen.

Net zoals afgestudeerden van de Cel- en Genbiotechnologie een pipet moeten kunnen gebruiken, moet een bio-informaticus met een computer overweg kunnen. Bij allebei zijn pipet en computer slechts technische hulpmiddelen die ondergeschikt zijn aan het analytisch denken.

Als je deze opleiding succesvol afrondt, ben je een bio-ingenieur met een brede basis. Daardoor kan je in allerhande sectoren terecht.

Je grote kennis van data-analytische technieken maakt je ook gegeerd buiten de biotechnologie.

Buitenland

Er zijn verschillende mogelijkheden om internationale ervaringen op te doen. Er zijn in het verleden al veel studenten voor een half jaar op Erasmus gegaan. Ook een thesis of stage in het buitenland is mogelijk en alles samen maakt dat een redelijk aantal studenten in de opleiding op de één of andere manier een buitenlandse ervaring heeft opgedaan.

Ook op eigen campus kom je in de masterjaren in contact met buitenlandse studenten, met wie je samen les zal volgen. Heel veel vakken zijn dan ook in het Engels, mede omdat ze ook worden aangeboden in Engelstalige opleidingen. Dankzij de vele groepswerken kom je zeker in contact met buitenlandse studenten en krijg je zicht op de situatie in hun thuislanden.

Er zijn zeker jobmogelijkheden in het buitenland. De topics die bestudeerd worden in deze opleiding hebben betrekking tot problemen die in de hele wereld voorkomen.

Taal

De opleidingen Cel- en Genbiotechnologie en Bio-informatica zijn Engelstalig: alle stamvakken en de meeste majorvakken worden gedoceerd in het Engels. Indien alle studenten het Nederlands machtig zijn, kan de lesgever er evenwel voor opteren om toch in het Nederlands les te geven. Je kan wel Nederlandstalige keuzevakken opnemen.

De bedoeling van deze Engelstalige opleidingen is enkel en alleen om jullie beter voor te bereiden op het grotendeels internationaal georiënteerde werkveld. Als je een normale basiskennis Engels hebt, is dan ook geen specifieke voorbereiding nodig. Specifieke vakterminologie wordt aangereikt via de lessen. Bovendien worden reeds 2 vakken in de afstudeerrichting Cel- en Genbiotechnologie in het Engels gedoceerd om de overgang naar een andere doceertaal te vergemakkelijken. Bij deze vakken kunnen studenten steeds vragen stellen in het Nederlands en ervoor kiezen om het examen in het Nederlands af te leggen. Ook wordt bij het verbeteren geen rekening gehouden met het taalgebruik, zolang duidelijk is wat wordt bedoeld.

Vergelijking met andere opleidingen

Er is uiteraard een zekere mate van overlap, maar de opleiding Chemie en Bioprocestechnologie besteedt meer aandacht aan de biochemische en de technologische aspecten van de industriële biotechnologie, daar waar de opleiding Cel- en Genbiotechnologie zich meer toespitst op biologische processen die ingrijpen op het genoom.

Een voorbeeld: op het vlak van biokatalyse is de bio-ingenieur Chemie en Bioprocestechnologie vooral geïnteresseerd in de industriële productie van enzymen en het gebruik ervan voor de aanmaak van hoogwaardige verbindingen. De bio-ingenieur Cel en Genbiotechnologie is eerder geïnteresseerd in genetische modificatie (enzyme engineering) voor de ontwikkeling van meer performante enzymen.

In beide opleidingen zijn micro-organismen belangrijk, waarbij je dezelfde analysetechnieken aanleert.

De opleiding Levensmiddelenwetenschappen en Voeding concentreert zich eerder op micro-organismen in de context van voedselproductie, houdbaarheid en veiligheid van levensmiddelen. De opleiding Cel- en Genbiotechnologie richt zich eerder op de manieren waarop micro-organismen kunnen ingezet worden voor industriële doeleinden, zoals de productie van bepaalde substanties.

Het belangrijkste verschil? In de opleiding Cel- en Genbiotechnologie ligt de nadruk meer op cellen, moleculaire biologie, en DNA en hoe je dat naargelang je major toepast op menselijke gezondheid, planten, industriële productie of computationele biologie. In de opleiding Levensmiddelenwetenschappen en Voeding ligt de nadruk minder op het submicroscopische en wat er zich afspeelt in de cellen, maar meer over hoe we gezonde, veilige voeding helemaal tot bij de consument kunnen brengen.

Er zijn raakvlakken tussen beide bio-ingenieursopleidingen en meer specifiek in de plantaardige productie en gewasbescherming.

Het belangrijkste onderscheid is dat Landbouwkunde focust op gewassen en landbouwsystemen, terwijl de opleiding Cel- en Genbiotechnologie met major groene biotechnologie zich vooral richt op het onderzoeken en sturen van moleculaire biologische processen in planten.

De opleidingen Cel- en Genbiotechnologie, Bio-informatica, Chemie en Bioprocestechnologie en Levensmiddelenwetenschappen en Voeding hebben een link met de geneeskunde.

In de major rode biotechnologie binnen de opleiding Cel- en Genbiotechnologie ligt de nadruk op moleculaire aspecten en biotechnologie van de dierlijke en menselijke cel voor biomedische toepassingen. Hierbij wordt zowel gekeken naar de gezondheidstoestand van mens en dier, interacties tussen de dierlijke en menselijke cel met hun omgeving alsook naar preventieve en therapeutische oplossingen (bv. ontwikkeling van biologische geneesmiddelen zoals vaccins).

Voorbeelden van vakken zijn ‘Immunology’, ‘Cancer genetics’, ‘Stem cell biology and reprogramming’, ‘Interphase processes of host-associated microorganisms’ en ‘Biochemical and molecular nutrition’. Binnen de opleiding wordt ook de mogelijkheid aangeboden tot het behalen van een certificaat om te mogen werken met proefdieren.

Daarnaast behandelen zowel in de major groene biotechnologie als witte biotechnologie de productie van biologische medicijnen. Dat gaat bijvoorbeeld over medicinale plantmetabolieten, recombinante eiwitten of microbiële metabolieten. Ten slotte is er ook aandacht voor moleculaire diagnostiek.

Gezien de grote rol van big data in de huidige R&D werken veel lesgevers binnen de opleiding Bio-informatica aan nieuwe data-analytische methoden voor geneeskundige toepassingen. In de opleiding Bio-informatica komen toepassingen en voorbeelden dan ook vaak uit de medische wereld, en vele alumni komen in de biomedische sector terecht.

De plicht- en keuzevakken m.b.t. (organische) chemie binnen de opleiding Chemie en Bioprocestechnologie focussen op hoogwaardige verbindingen met toepassingen binnen o.a. de farmaceutische sector. Dit is mede een gevolg van het feit dat meerdere lesgevers binnen de opleiding actief betrokken zijn bij wetenschappelijk onderzoek in de medicinale chemie, zoals blijkt uit het ruime aanbod aan masterproefonderwerpen met toepassingen in de geneeskunde. Op dat vlak gaat de interesse binnen de richting Chemie en Bioprocestechnologie vooral uit naar de ontwikkeling van nieuwe bioactieve verbindingen vanuit chemisch (synthesemethoden) en technologisch perspectief (microreactoren...). De link met de geneeskunde binnen de opleiding Chemie en Bioprocestechnologie (bv. in het kader van een Masterproef) situeert zich dus vooral op vlak van synthese van nieuwe geneesmiddelen en een eerste screening van hun biologische activiteit.

In de opleiding Levensmiddelenwetenschappen en Voeding is er geen uitgesproken link met geneeskunde. In de opleiding wordt het gedrag van voeding in het menselijk lichaam besproken en komt ook de gezondheid aan bod, via de plichtvakken ‘Functional foods’ en ‘Voeding van de mens’. Je kan je eventueel verder verdiepen in deze materie via een aantal keuzevakken, zoals ‘Nutrition disorders’.