Prof. dr. Myriam Hesta, PhD Vet Sci, Dip ECVCN

Prof. Hesta is verantwoordelijk voor het onderzoek, onderwijs en dienstverlening met betrekking tot voeding van gezelschapsdieren (vnl. honden, katten, paarden). Naast de voeding van gedomesticeerde carnivoren wordt ook onderzoek verricht bij wilde carnivoren zoals de jachtluipaard. Op deze manier wordt geprobeerd om de voeding van deze met uitsterven bedreigde diersoort te optimaliseren maar ook om meer inzicht te verkrijgen in de nutritionele evolutie die gedomesticeerde carnivoren hebben doorgemaakt.

Het onderzoeksgedeelte omvat 2 dominante onderzoekslijnen.

Nutritionele sturing van de gastro-intestinale en algemene gezondheid

De gastro-intestinale (GI) flora speelt een belangrijke rol in het behoud van de gezondheid van mens en dier, ook bij diersoorten die van nature een weinig ontwikkelde dikke darm hebben zoals carnivoren. Een onevenwichtige samenstelling van de GI flora kan allerlei nefaste gevolgen hebben. Bij mensen werd aangetoond dat een overmatige fermentatie van eiwitten kan leiden tot een verhoogde concentratie aan rottingsproducten en zelfs tot een verhoogd risico op colonkanker. Echter, carnivoren hebben een veel hogere eiwitbehoefte en nemen dus meer eiwitten op. Er zal dus van nature meer eiwit gefermenteerd worden in de dikke darm. Momenteel wordt onderzocht wat het effect is van de hoeveelheid en kwaliteit van het eiwit op de fecale flora en merkers voor GI gezondheid bij gezonde honden (Jia Xu). Het effect van haem dat aanwezig is in rood vlees, op de fecale microbiota van katten kan interessante gevolgen hebben voor vb. het voederen van ‘natuurlijk’ diëten (Sandra Debevere). Daarnaast wordt ook onderzocht wat het effect is van het voeden van prooien (inclusief vacht, pezen, botten etc.) versus zuiver vlees op de fecale flora (Anne Becker) en fecale merkers (Cfr. PhD Sarah De Pauw) bij wilde carnivoren nl. jachtluipaarden jachtluipaarden en wat het effect is op het voedingspatroon bij honden (Annelies De Cuyper). Tevens zal ook bij huiskatten nagegaan worden of eventuele nefast effecten van haem kunnen verminderd worden door het dieet te supplementeren met dierlijke vezels (Sandra Debevere). Bovendien zal onderzocht worden wat de rol is die de GI flora speelt bij het ontstaan en ontwikkelen van inflammatory bowel disease (IBD) (Jia Xu) en hoe daarop preventief en curatief kan ingespeeld worden door de voeding aan te passen bv. door pre-, pro-, syn- of postbiotica toe te voegen of door de hoeveelheid en kwaliteit van het eiwit aan te passen.

Daarenboven, toonde onderzoek aan dit labo (Cfr. PhD Adronie Verbrugghe, Kristel Rochus) aan dat de GI fermentatie ook het algemeen metabolisme kan sturen en mogelijks het aminozuur (AZ) metabolisme kan beïnvloeden. Het sparen van AZ kan vooral voor een zuivere carnivoor als de kat interessant zijn bv. wanneer de eiwitopname beperkt moet worden omwille van nier- of leverpathologie of wanneer een verlies aan magere massa zoveel mogelijk beperkt moet worden (intensieve zorgen of obese patiënten die een vermageringsplan volgen). Bij paarden zal worden nagegaan of een postbioticum een positief effect heeft op de gastrointestinale functie (Wendy Wambacq).

Door onderzoek te verrichten naar dit aspect binnen zowel gezonde als zieke dieren bij verschillende diersoorten zal het inzicht in deze problematiek verbeteren en kunnen onderliggende mechanismes ontrafeld worden. Dit kan dan op zijn beurt leiden tot een aangepaste preventieve en/of curatieve dieetbehandeling.

Nutritionele sturing van de immuniteit in het algemeen en inflammatie in het bijzonder.

Obesitas leidt tot een verhoogd risico op allerlei andere aandoeningen zoals blaasstenen, gewrichtsproblemen, warmte intolerantie, constipatie, huid-, hartproblemen etc. Wanneer obese dieren plots stoppen met eten, dan kan hepatische lipidose (kat) of hyperlipemie (paard) ontstaan en kan de afloop fataal zijn.

Er wordt gesuggereerd dat een chronische ‘low grade’ inflammatie aan de basis ligt voor de gestegen prevalentie van veel aandoeningen bij obese dieren en mensen.
Het effect van verdikken en vermageren op de inflammatie en immuniteit in het algemeen werd reeds onderzocht bij zowel de hond als de kat (Cfr. PhD Hannelore Van De Velde). Bij de mens is obesitas een risico factor voor vasculaire dysfunctie en nierziekte. Bij de hond is het effect nog niet gekend en zal daarom a.d.h.v. een vernieuwende techniek (CEUS) onderzocht worden (Daisy Liu). Obesitas kan ook leiden tot insuline resistentie en voeding en vermagering spelen een belangrijke rol in de behandeling van diabetes. Dat laatste zal onderzocht worden bij de kat (Veerle Vandendriessche).

Meer en meer wordt het belang van de GI microbiota bij overgewicht benadrukt en hierbij komen beide onderzoekslijnen samen. Er zal dus nagegaan worden wat het effect van het verdikken en vermageren is op de fecale microbiota en hoe deze het energiemetabolisme kan beïnvloeden bij honden (Daisy Liu) en bij paarden (Wendy Wambacq). Bij paarden en pony’s is obesitas, naast insuline resistentie (IR) een belangrijke factor in het equine metabole syndroom (EMS). Pony’s met EMS hebben een sterk verhoogd risico op laminitis. Zowel algemene als regionale vetafzettingen spelen een belangrijke rol. Er werd reeds aangetoond dat verschillende gradaties van energiebeperkingen, verschillende van deze aspecten kunnen beïnvloeden (Cfr. PhD Lien Bruynsteen).

Aangezien vermageringsprogramma’s niet altijd het optimale effect geven, zal geprobeerd worden om een ideaal vermageringsdieet te ontwikkelen door onderzoek naar de onderliggende mechanismen bij verschillende diersoorten. Bovendien zal gestreefd worden om de negatieve effecten van obesitas via de voeding of een supplement te omzeilen en indirect de co-morbiditeit te verminderen.