Waarom een Masterproef?

De Europese Bolognaverklaring (1999) heeft geleid tot een grondige reorganisatie van het universitair onderwijs in een Bachelor- en Masterstructuur, die verplicht wordt afgesloten met een masterproef.

Deze laatste wordt gedefinieerd als "een werkstuk waarin een student op het ogenblik van het afstuderen blijk geeft van een analytisch, synthetisch en zelfstandig probleemoplossend vermogen op academisch niveau, en daarmee aantoont dat hij/zij de verworven kennis en vaardigheden kan toepassen. Het werkstuk weerspiegelt de kritisch-reflecterende ingesteldheid of de onderzoeksingesteldheid van de student."

Om ruimte te maken voor dergelijke masterproef en daarbij geen afbreuk te doen aan de klinische opleiding van de tweede cyclus, diende de opleiding tot dierenarts een grondige hervorming te ondergaan. Daarbij heeft de faculteit geopteerd om de masterproef volgens een portfolio-concept uit te bouwen, waarbij de student veel verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en initiatief aan de dag moet leggen om zich te verdiepen in een diergeneeskundig onderwerp dat zijn of haar speciale persoonlijke interesse geniet. Daarbij werd het eindstudiewerk, dat in het voorbije decennium tot een belangrijke meerwaarde van de opleiding heeft geleid, omgebouwd tot een literatuurstudie en aldus geïncorporeerd in de nieuwe structuur van de masterproef. Daardoor kunnen dierenartsen in opleiding zich blijven bekwamen in het opzoeken, kritisch interpreteren en samenvatten van wetenschappelijke literatuur. 

Deze vaardigheden zijn noodzakelijk voor de beroepsactiviteiten van iedere dierenarts die, ongeacht zijn of haar loopbaan, zich blijvend moet herbronnen om op de hoogte te blijven van de steeds sneller toenemende veterinaire feitenkennis, en in staat moet zijn om als deskundige wetenschappelijk verantwoorde rapporten op te stellen.