Nieuwjaarstoespraak 2016 decaan Rik Van de Walle

Mevrouw de rector, Mijnheer de vicerector,

Mijnheer de voorzitter, Mevrouw de ondervoorzitter,

Mijnheer de ererector, Mijnheer de erevicerector,

Mijnheer de regeringscommissaris,

Geachte beheerder(s), Geachte directeur(s),

Beste collega's en studenten,

Goede vrienden van onze faculteit,

 

Soms is stilte krachtiger dan spreken, ik kom daar straks nog op terug. Maar het zou natuurlijk wat raar zijn indien ik nu meteen zou zwijgen. Laat mij dus toch maar even spreken, en openen met een klassieker: samen met de academisch secretaris (Patrick De Baets) en de onderwijsdirecteur (Gert De Cooman) ben ik bijzonder blij u hier te mogen begroeten. Mede namens Patrick en Gert: zeer hartelijk welkom!

In de uitnodiging voor deze nieuwjaarsreceptie gaven we het al aan: er is het afgelopen jaar heel wat gebeurd, zowel binnen als buiten onze faculteit. Onze Facultaire Dienst Onderwijsondersteuning 'nieuwe stijl' kreeg vorm – dit gebeurde misschien in de luwte, maar is toch belangrijk; we bouwden onze internationaliseringsactiviteiten verder uit; er was de herschikking/clustering van de vakgroepen; er is de renovatie van het Plateaugebouw; onze nieuwe faculteitsbibliotheek werd een aantrekkelijke lees- en studeerplek; er waren tal van PR-initiatieven; en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Het is echter niet mijn bedoeling om hier een volledig jaaroverzicht te presenteren. Ik zoom liever in op enkele markante realisaties en gebeurtenissen.

Intern óf extern? Well... it takes two to tango...

Onze faculteit staat bekend als een faculteit die zeer sterk inzet op onderzoek. Getuige hiervan de rol die we spelen in een aantal Vlaamse Strategische OnderzoeksCentra (SOC's) en samenwerkingsverbanden zoals Imec, iMinds, Flanders Make, SIM (het Strategisch Initiatief Materialen in Vlaanderen) of VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek). Getuige hiervan de rol die vanuit onze faculteit wordt gespeeld in tal van nationale en internationale onderzoeksprojecten. Getuige hiervan het zeer groot aantal houders van prestigieuze mandaten, toegekend door de European Research Council (ERC), die deel uitmaken van onze faculteit: onze faculteit telt 2 Advanced Grant Holders, 3 Consolidator Grant Holders en 7 Starting Grant Holders om precies te zijn.

Maar de faculteit zet niet alleen in op onderzoek; we zetten ook zeer sterk in op onderwijs. Toen het universiteitsbestuur een tijdje geleden aan de faculteiten vroeg om een onderwijsbeleidsplan op te stellen, diende zich een mooie gelegenheid aan om onze onderwijsvisie scherp te stellen. Vanuit de Facultaire Dienst Onderwijsondersteuning werd een visiedocument voorbereid, dat na bespreking met verschillende onderwijsverantwoordelijken en na unanieme goedkeuring door de faculteitsraad, zeer goed werd onthaald door het universiteitsbestuur. Ofschoon – en misschien zelfs omdat – we in dit document spijkers met koppen slaan.

Ik had het vorig jaar al even over de invoering van instellingsreviews, ter vervanging van de klassieke onderwijsvisitaties waarbij specifieke opleidingen werden beoordeeld door visitatiecommissies. Een belangrijk gevolg hiervan is dat universiteiten voortaan zelf instaan voor de organisatie van interne onderwijskwaliteitsbewaking. Indien universiteiten op een verstandige manier omgaan met deze autonomie, biedt deze nieuwe manier van werken duidelijke voordelen. We moeten er echter over waken dat 'onderwijskwaliteitsbewaking in eigen regie' niet leidt tot 'de zaken louter intern bekijken'. Net zoals we dat veelvuldig doen op het vlak van onderzoek, moeten we ons op het vlak van onderwijs durven te meten met het beste wat internationaal voorhanden is. We moeten ambitieus zijn; we moeten het aandurven om de kwaliteit van onze opleidingen af te toetsen aan internationale standaarden en normen.

Daarom ben ik zeer blij met het feit dat onze faculteit het heeft aangedurfd om internationale kwaliteitsbeoordeling van onze opleidingen te organiseren: binnen enkele maanden zal CTI (La Commission des Titres d'Ingénieurs) in onze faculteit neerstrijken en al onze opleidingen burgerlijk ingenieur(-architect) onder de loep nemen. De documenten die we ter voorbereiding hiervan opstelden en waarin onder meer een SWOT-analyse van ons opleidingsaanbod is opgenomen (een SWOT-analyse die ik als 'streng maar rechtvaardig' zou durven omschrijven) behoren tot het allerbeste van wat ik de voorbije jaren de revue heb zien passeren op het vlak van 'kritische zelfevaluatie van onderwijsactiviteiten'. Het is niet mijn gewoonte om tijdens nieuwjaarstoespraken namen te vermelden, maar ik wil hier een uitzondering maken: onze faculteit is de collega's Daniël De Zutter en Bart Dhoedt zeer veel dank verschuldigd. Zij hebben de opdracht aanvaard om de voorbereiding van de CTI-visitatie te coördineren, en zij hebben dat op uitstekende wijze gedaan. Ze hebben dat overigens niet alléén gedaan: de Facultaire Dienst Onderwijsondersteuning, een redactieteam, de voorzitters en leden van de betrokken opleidingscommissies, vakgroepvoorzitters en verschillende directies uit de Centrale Administratie van onze universiteit hebben eveneens voor de nodige input gezorgd. Aan allen: een zeer gemeend dankjewel hiervoor!

Maar wacht eens even, er zijn grenzen! Of toch niet?

Ons facultair onderwijsbeleidsplan was reeds tot stand gekomen als een echt facultair beleidsplan: het is géén samenvoeging van individuele beleidsplannen of -plannetjes die werden opgemaakt door elfendertig opleidingscommissies of twaalfenveertig vakgroepen, waarin opleidingen of vakgroepen hun eigen sterktes etaleren (willen aangeven waarom zij beter zijn dan andere opleidingen of vakgroepen). Neen, ons onderwijsbeleidsplan is een plan waarin grenzen tussen opleidingen of vakgroepen geen rol spelen; het is een plan waarmee de faculteit zich als één geheel aan de lezer presenteert. Hetzelfde geldt voor de documenten die we opmaakten met het oog op de internationale kwaliteitsbeoordeling van onze opleidingen: we presenteren ons in deze documenten als één faculteit; opleidingen of vakgroepen worden niét tegenover elkaar afgewogen, laat staan beoordeeld.

Ik benadruk dit aspect, omdat ik dit zeer belangrijk vind. Nog té vaak wordt binnen onze universiteit belang gehecht aan grenzen, meer dan aan datgene wat zich binnen die grenzen afspeelt. Grenzen tussen faculteiten: ze zijn belangrijk bij de verdeling van nogal wat middelen. Denk maar aan de toekenning van personeelsmiddelen aan de 11 faculteiten. Of aan de toekenning van onderzoeksmandaten en -projecten aan clusters van faculteiten (alfa-, bèta- en gammafaculteiten). En dan zwijg ik nog over de grenzen tussen 'de faculteiten' en 'de Centrale Administratie'. 'Wat is de relevantie van die grenzen?', vraag ik mij soms af. 'Voor een buitenstaander nul komma nul.', bedenk ik vaak... Laat dit dus alvast een van mijn nieuwjaarswensen zijn: dat we erin slagen om, over fictieve en reële grenzen heen, sámen te werken. Niet alleen op facultair niveau, maar ook op universitair niveau. En laat ons de moed hebben om obstakels daarvoor uit de weg te ruimen.

Aansluitend bij dat laatste maak ik van de gelegenheid gebruik om een oproep te doen aan het universiteitsbestuur. De komende maanden zal een nieuw mechanisme worden uitgewerkt voor de verdeling van personeelsmiddelen, de zogenaamde P-punten of personeelspunten. Ik hoop dat dit nieuwe mechanisme zal gericht zijn op het aanmoedigen van samenwerking over grenzen heen, zowel op het vlak van onderwijs als op het vlak van onderzoek.

Ik wil tegelijkertijd een lans breken voor een nieuw personeelsevaluatiebeleid. De huidige personeelsevaluaties zijn gericht op de evaluatie van individuele medewerkers; slechts impliciet wordt teamwerk mee in overweging genomen. Als we het ernstig menen met ons streven naar samenwerking-over-grenzen-heen, dan moeten we dit expliciteren in onze personeelsevaluatie-processen. Ik vraag het universiteitsbestuur om hier werk van te maken. Voor alle duidelijkheid: ik vraag niét om in de toekomst nog frequenter te evalueren dan nu reeds het geval is, wel integendeel. Want naast aandacht voor 'evaluaties op het niveau van teams', vraag ik nadrukkelijk om de frequentie waarmee aan individuele medewerkers wordt gevraagd om taakomschrijvingen aan te leveren, drastisch te reduceren. Idem dito voor de frequentie waarmee medewerkers afzonderlijk worden geëvalueerd.

Overhoop en over hoop

Ik beloofde dat ik het tijdens deze toespraak alleen zou hebben over enkele markante realisaties en gebeurtenissen. In hoeverre iets 'markant' of 'vermeldenswaardig' is, is natuurlijk voor interpretatie vatbaar. Maar het is hoe dan ook niet gebruikelijk om tijdens nieuwjaarsbijeenkomsten zoals deze te spreken over politiek of over godsdienst.

Wees gerust, ik zal dat evenmin doen. Maar u zal het mij hopelijk niet kwalijk nemen dat ik even terugdenk aan wat anderhalve maand geleden is gebeurd in Parijs. En u zal het mij hopelijk ook niet kwalijk nemen dat ik even terugdenk aan wat vier dagen later gebeurde, bij de aanvang van een les.

Ik wil u een verhaal vertellen. Een verhaal dat illustreert dat onze universiteit niét die kille plek is waarvoor ze soms versleten wordt, waar alles alleen maar zou draaien om aantallen, evaluaties en performantie-indicatoren. Een verhaal dat een ándere kant van onze universiteit toont: die van haar maatschappelijke betrokkenheid.

15 november 2015, zondagnamiddag. Buiten is het bewolkt, binnen ook. Twee dagen na de aanslagen in Parijs. Tientallen jonge mensen zijn er neergemaaid, door andere jonge mensen. Ik bereid de les voor die ik twee dagen later ga geven. Ik twijfel, en doe het dan toch maar. Ik post een bericht op Minerva.

 

Beste studenten,

Als gevolg van de gebeurtenissen in Parijs afgelopen vrijdag zal ik jullie bij het begin van het hoorcollege van dinsdag a.s. vragen om 5 minuten absolute stilte in acht te nemen. Ik meen dat een universiteit niet onverschillig kan/mag blijven wanneer dergelijke gebeurtenissen zich voordoen, en wil daar via dit initiatief uitdrukking aan geven.

Ik wil jullie graag vragen om dinsdag tijdig aanwezig te zijn in de leszaal; aan diegenen die toch iets te laat zouden zijn, wil ik vragen om het stiltemoment niet te doorbreken.

Vriendelijke groet,

Rik Van de Walle

 

17 november 2015, aan de ontbijttafel. Ik ben benieuwd naar de manier waarop de studenten straks zullen reageren, op het ogenblik dat ik vijf minuten stilte zal vragen. Vrezend dat het niet spontaan stil zal worden. Bang voor die ene slungel die het nodig zal vinden om de stilte te doorbreken. Ik ben ook zenuwachtig. Want hoe zal ik ze nu precies formuleren, die vraag om vijf minuten absolute stilte in acht te nemen?

Een paar uur later. Het auditorium zit afgeladen vol. De klok tikt, zo banaal als een klok tikken kan. Het beginuur van de les nadert. 8u25, 8u27, 8u29, ... 300 jonge mensen. Het auditorium wordt ingenomen door geroezemoes. Ik sta vooraan, nóg maar eens overwegend wat ik precies zal zeggen. Ik heb de juiste woorden gevonden, denk ik. Maar ik ben niet zeker.

8u29 dus, bijna 8u30. Het geroezemoes neemt af... zonder dat iemand een teken gaf, zonder dat ik zelf één woord heb gezegd. Het gebeurt vanzelf.

8u30. Absolute stilte. 300 studenten, 1 prof. Er zijn er die naar beneden kijken. Er zijn er die voor zich uit staren. Ik zie open ogen. Ik zie gesloten ogen. Ik hoor niets. Ik zie hen. Zij zien mij. Ze gaan geruisloos voorbij, die vijf minuten.

Nooit eerder heb ik de kracht van stilte zó indringend ervaren als toen. De verbondenheid die 300 studenten uitstraalden, door simpelweg niéts te zeggen en daardoor net zeer véél te zeggen, het bewegingloze staren, de bijna tastbare sereniteit van die vijf minuten: het was ronduit indrukwekkend.

Die vijf minuten stilte kwam natuurlijk tot stand als reactie op vreselijke gebeurtenissen. Maar misschien moeten we zo'n vreselijke gebeurtenissen niet afwachten om af en toe eens een moment van stilte te creëren. Misschien moeten we wat vaker tijd nemen om voorbij de waan van dag te kijken, en even stil te staan bij uitdagingen waarmee de wereld als geheel wordt geconfronteerd.

Ik geloof dat onderwijsinstellingen, en universiteiten in het bijzonder, op dit vlak een zeer belangrijke rol te spelen hebben. Universiteiten horen een plek te zijn waar verschillende culturen elkaar vinden, waar vrij kan worden gedacht en gesproken. Universiteiten horen een plek te zijn waar extremisme plaats maakt voor nuancering.

... de wensen

Goede vrienden, ik heb geen glazen bol. Wat 2016 voor elk van ons zal brengen? Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat 2016 voor onze faculteit een zeer boeiend jaar zal worden, want er staan reeds heel wat activiteiten in de steigers. Ik wil u graag aanmoedigen om de facultaire nieuwsbrieven in de gaten te houden; hopelijk mogen we u op een (en liefst meer) van deze activiteiten opnieuw ontmoeten! Eén initiatief wil ik in het bijzonder vermelden: het iTrack-initiatief. Zegt passie u iets? Zegt innovatie u iets? En u wilt iets ondernemen? Neem dan zeker eens een kijkje op de website www.itrack.ugent.be/. Meer zeg ik er niet over. Meer moet u zélf ontdekken!

Bij de aanvang van een nieuw jaar wensen we elkaar van alles en nog wat toe. Grote wensen en kleine wensen. Wensen die in vervulling zullen gaan en wensen die 'vergeten' zullen worden.

Ik hoop oprecht dat deze eenvoudige wens in vervulling mag gaan: laat 2016 voor elk van u een goed jaar zijn. Laat het een jaar zijn waarin u verbondenheid mag ervaren, een jaar van samenwerking over grenzen heen. Laat 2016 dus een grens-verleggend, en liever nog een grens-vervagend jaar zijn!

Voor vandaag wens ik u een leuke namiddag toe, en ik dank u nogmaals voor uw aanwezigheid!

 

Rik Van de Walle

Gent, Het Pand

5 januari 2016