Onderzoekseenheid Archeologie van het Oude Nabije Oosten

Het Oude Nabije Oosten

De oorsprong van veel kenmerken van beschaving – zoals het schrift, urbanisatie, wetenschap en metaalbewerking – kan worden gevonden in het Oude Nabije Oosten, waar samenlevingen evolueerden van kleine dorpen van jager-verzamelaars en landbouwers tot de eerste echte steden.

‘Oude Nabije Oosten’ is een term die een brede lading dekt. Het gaat zowel om een zeer uitgestrekt geografisch gebied alsook een aanzienlijke periode in de geschiedenis. Verschillende volkeren leefden in deze streek die zich over bijna 5 miljoen km2 uitstrekte gedurende 10 millennia. Het gebied bestaat uit een grote ecologische diversiteit: alluviale vlaktes, kuststreken, hoge bergsteppes en woestijnen. De combinatie van zoveel verschillende leefomgevingen en etnische diversiteit heeft geleid tot rijke en complexe culturen die vandaag worden verzameld onder de term Oude Nabije Oosten.

De archeologie van het Oude Nabije Oosten wordt vaak cultuurgericht ingedeeld. Enerzijds bestudeert de archeologie van Voor-Azië de kernlanden Irak en Syrië (ten oosten van de Eufraat) (= Mesopotamië), Israël, Libanon, Jordanië en Syrië ten westen van de Eufraat (= de Levant of Syro-Palestina), en meer aan de periferie gelegen gebieden zoals Turkije (= Anatolië of Klein-Azië), Iran, Afghanistan en het Arabische schiereiland. De archeologie van het Oude Egypte maakt deel uit van de Egyptologie, en wordt algemeen als een aparte discipline beschouwd. Naast de archeologische vondsten is onze historische kennis van de Sumeriërs, Assyriërs, Babyloniërs, Hethieten en andere volkeren ook gebaseerd op geschreven bronnen. Voor Mesopotamië betekent dit kleitabletten beschreven met spijkerschrift.

Archeologie

 4300 jaar oude Beydar paleis
4300 jaar oude Beydar paleis
Sinds 1920 wordt aan de UGent onderzoek verricht naar het verleden van het Nabije Oosten. De eerste titularis was Louis Speleers. In 1953 werd hij opgevolgd door Louis Vanden Berghe (1923-1993), die er tot 1989 de Archeologie van het Nabije Oosten leidde. Vanden Berghe is door zijn interesse voor Iran en zijn vele veldwerk aldaar richtinggevend geweest voor het Gentse onderzoek. Zijn jaarlijkse opgravingscampagnes tussen 1965 en 1979, in Pusht-i Kuh Luristan in het W-Iraanse Zagrosgebergte, zijn wereldbekend. "Luristan Bronzen" in talrijke verzamelingen kunnen thans, dankzij dit onderzoek, in een betere culturele en chronologische context geplaatst worden.

In 1986 werd door zijn opvolger, Ernie Haerinck, een nieuw initiatief genomen om met onderzoek te starten in ZO-Arabië met opgravingen in ed-Dur in het Emiraat Umm al-Qaiwain (1e eeuw n. Chr.) en in het Emiraat Ajman (3e mill. v. Chr.), beiden  in de Verenigde Arabische Emiraten. Na het beëindigen van dit project, werd in 1998 gestart met onderzoek op het eiland Bahrein. In 2009 werd een nieuw project geïnitieerd te Mleiha (Emiraat Sharjah, VAE – 3e-1e eeuw v. Chr.).

Sinds oktober 2014 wordt Ernie Haerinck opgevolgd door Joachim Bretschneider. In Syrië leidde hij de Duitse opgravingen in Tell Beydar (Boven-Mesopotamië - 3e mill. v. Chr.) tussen 1993-2000 en sinds 1999 leidt hij de Belgische opgravingen in Tell Tweini (Noordelijke Levant – zwaartepunt op Laat-Brons en Vroege IJzertijd periode (ca. 1400-800 v. Chr.)). Sinds 2012 is hij directeur van het Belgische team van het Al-Ghat onderzoeksproject in Saoedi-Arabië (prehistorisch en 1e mill. rotstkunst). Verder is hij sinds 2014 codirecteur van de opgravingen in Pyla-Kokkinokremos op Cyprus (Laat-Bronstijd, rond 1200 v. Chr.), waar een groot aantal wetenschappers en studenten elk jaar interdisciplinair veldonderzoek verrichten.

Binnen het onderzoeksgebied Oude Nabije Oosten worden verschillende onderzoekstechnieken gecombineerd; van veldprospectie, opgravingen, topografisch meetwerk, geofysische prospectie en luchtfotografie over palynologie, archeobotanie, archeozoölogie en geoarcheologie tot de studie van collecties met typochronologische onderzoek, herkomstanalyse en interactieve beeldsystemen.

Recent verdedigde doctoraten zijn die van Nadine Nys (2018), Francesca Porta (2019) en Hendrik Hameeuw (2020).

Contact

Prof. dr. Joachim Bretschneider