Vlaamse Luchtfotografie (1984-heden)

De vakgroep is sinds de jaren 1980 actief bezig met archeologische luchtfotografie van Vlaanderen, vooral boven Oost- en West-Vlaanderen

De geschiedenis van de luchtfotografie

Nadar.pngDe eerste luchtfoto’s kunnen geplaatst worden in loop van de 19de eeuw, wanneer fotografen als Felix Tournachon, beter gekend als Nadar, opnames vanuit een luchtballon beginnen te maken. Op dat moment hebben de foto’s slechts een documentaire of militaire waarde. De beelden worden voornamelijk gemaakt tijdens de vele grote oorlogen (de Amerikaanse burgeroorlog, de bezetting van Parijs in 1870, de Eerste Wereldoorlog enz.). Voor onze gewesten zijn de opnames die het Belgische leger tijdens de oorlog van de frontstreek maakte, vermeldenswaard (zie ook militaire luchtoftografie). Vanaf het begin van de 20ste eeuw werden de foto's vanuit vliegtuigen genomen.

De Eerste Wereldoorlog heeft de observatoren voor het eerst duidelijk gemaakt welk potentieel aan archeologie er in luchtfotografie kan zitten. Snel na de oorlog, vooral in het Midden-Oosten en in het Middellands Zeegebied, komen de eerste louter archeologische projecten van de grond. De Fransman A. Poidebard, de Duitser Th. Wiegand, de Engelsen G.A. Beazeley en A. Stein zijn de grondleggers van de archeologische luchtfotografie in de echte betekenis van het woord. Hun onderzoek naar vergane steden, forten, kampen, wegen, en dergelijke meer, tekende een nieuwe kaart van de regio.

Een bijzondere plaats wordt in diezelfde periode ingenomen door O.G.S. Crawford. Hij is vermoedelijk de meest invloedrijke persoon op dat gebeid. Bovendien ligt hij aan de basis van de archeologische luchtfotografie in Engeland, vooral in Wessex. Dankzij zijn werk begint men nu ook in te zien dat archeologische luchtfotografie tot nieuwe inzichten kan leiden, niet alleen in de klassieke wereld, maar ook in onze gewesten. Zijn aandacht voor de luchtfoto-interpretatie, de kartering en vooral de terreincontroles liggen nog steeds aan de basis van elk luchtfotografisch project. De Engelse school zal het interbellum en de naoorlogse periode domineren. Na Crawford zal K. Saint-Joseph het roer overnemen. De Engelse koninklijke commissie voor historische monumenten en de universiteit van Cambridge spelen hierin een zeer voorname rol.

Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw zetten andere landen de stap naar luchtfotografie. Frankrijk, met de prospectievluchten van R. Agache, Duitsland (O. Braasch), Nederland (J. Brongers en W. Metz) en ook België (Ch. Leva) zullen het nut van de techniek ontdekken en aantonen. Het valt hierbij te betreuren dat de rol van Nederland in de luchtfotografische prospectie momenteel volledig is weggevallen.

Luchtfotografie aan de Universiteit Gent

Shadowmarks van grafcirkels
Shadowmarks van grafcirkels
Het is wachten tot het einde van de jaren 1970 en het begin van de jaren 1980 vooraleer in Vlaanderen het eerst aandacht wordt geschonken aan deze techniek. Merkwaardig genoeg komt de verandering niet vanuit de academische wereld, maar vanuit een totaal andere hoek. Jacques Semey, toen een piloot-instructeur, stelde tijdens opleidingsvluchten vast dat er in de groei van de gewassen kleurverschillen en merkwaardige patronen optraden, die niet zomaar te verklaren waren. Enkele vergelijkingen uit boeken toonden snel aan dat het mogelijk om archeologische sporen zou gaan. Na enkele omzwervingen, onder andere langs de academische wereld die eerst niet bereid was het belang van de vondsten in te zien, belandde hij bij een jonge student, Jan Vanmoerkerke. Samen begonnen zij aan de eerste wetenschappelijke verwerking van deze vondsten en voerden zij op het terrein de eerste controles en opgravingen uit.
Eind jaren 1970 was Jacques Semey de eerste in Vlaanderen die het potentieel van archeologische luchtfotografie ontdekte. Als piloot-instructeur stelde hij tijdens opleidingsvluchten vast dat er in de groei van de gewassen kleurverschillen en merkwaardige patronen optraden, die niet zomaar te verklaren waren. Enkele vergelijkingen uit boeken toonden snel aan dat het mogelijk om archeologische sporen zou gaan. Na enkele omzwervingen, onder andere langs de academische wereld die eerst niet bereid was het belang van de vondsten in te zien, belandde hij bij een jonge student aan de Gentse universiteit, Jan Vanmoerkerke. Samen begonnen zij aan de eerste wetenschappelijke verwerking van deze vondsten en voerden zij op het terrein de eerste controles en opgravingen uit. Hiermee konden ze prof. dr. Jacques Nenquin overtuigen toen die in 1984 diensthoofd werd, en zo is de luchtfotografie aan de UGent ontstaan. Sindsdien is Jacques Semey altijd blijven vliegen, met jaarlijks een gemiddelde van een 90-tal vlieguren boven Vlaanderen en met als resultaat een uiterst rijk archief van meer dan 60.000 beelden.

In 1984, toen wijlen Prof. dr. Jacques Nenquin diensthoofd werd van het Seminarie voor Archeologie (nu vakgroep Archeologie), kon men overgaan tot een verder doorgedreven prospectie en tot het systematisch verwerken van de informatie. Het is ongetwijfeld zijn verdienste dat luchtfotografie en archeologie aan de universiteit Gent zo nauw verbonden zijn.

Met financiële steun van het Fonds voor Gemeenschappelijk Onderzoek – Vlaanderen (1985-1987) en de vzw Archeologisch Inventaris Vlaanderen (1988 tot nu) was het voor de universiteit mogelijk jaarlijkse vluchten te laten uitvoeren en te begeleiden. Voortbouwend op het succes van deze vluchten, konden verschillende projecten gefinancierd worden. Het FKFO (Fonds voor Collectief en Fundamenteel Onderzoek,1991-1993), het Bijzonder Onderzoeksfonds van de Universiteit Gent (1992-1993), het Impulsprogramma Humane Wetenschappen van de Vlaamse Gemeenschap (1997-1999) en het Fonds Max Wildiers van de Vlaamse Gemeenschap (FWO-Vlaanderen, 2000-2003) leverden de nodige middelen om verder te werken. Het is vooral de verdienste van wijlen Marc Meganck dat luchtfotografie in Gent uitgroeide tot een zeer productieve vorm van archeologische prospectie dankzij zijn expertise in luchtfotografische prospectie.

Sedert 1998 bestaat er tevens een samenwerkingsakkoord tussen de Universiteit Gent (Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa) en de Provincie Oost-Vlaanderen, waarmee jaarlijks luchtfotografische prospecties en vooral veldonderzoek van luchtfotografische sporen gefinancierd worden. Deze wezenlijke bijdrage van de Provincie Oost-Vlaanderen toont aan dat men bewust is van het belang van deze methode, als beleidsinstrument en als middel tot de sensibilisering van het grote publiek.

Tot op heden blijft de vakgroep archeologie actief in het veld van de archeologische luchtfotografische prospectie. Jaarlijks worden tientallen uren gevlogen in de provincies Oost- en West-Vlaanderen.

Wat is luchtfotografie?

Soilmarks op een geploegde akker
Soilmarks op een geploegde akker
Archeologische luchtfotografie maakt gebruik van een eenvoudig principe. Mensen hebben altijd kuilen, grachten en graven aangelegd: graven om hun doden te begraven, grachten om monumenten aan te leggen of om hun nederzettingen te verdedigen, grachten om hun akkers te begrenzen of af te wateren, kuilen om voedsel op te slaan of om hun afval te dumpen,… Soms werden ook muurfunderingen gegraven of werden muren opgetrokken. Al deze ingrepen hebben blijvende verstoringen veroorzaakt in de ondergrond. Bovendien zijn deze vergravingen dikwijls opgevuld geraakt met minder compact en veelal humusrijker sediment.

Deze verstoringen worden zichtbaar vanuit de lucht wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Er zijn tal van parameters die een rol spelen en zorgen voor het verschijnen van sporen. Men onderscheidt traditioneel verschillende soorten van sporen.

Gewasmarkeringen of ‘crop marks’ zijn sporen die zich in opschietend of rijpend gewas vertonen. De ingegraven structuren, zoals grachten, werden opgevuld met humeuzer materiaal, waardoor de planten die erboven groeien sterker en beter bestand zijn tegen stress (omwille van bijvoorbeeld droogte). Daarom zullen de gewassen daar iets langer groen blijven, terwijl de planten ernaast eerder beginnen te verdorren. Boven een muur is de situatie net omgekeerd.

Bodemmarkeringen of ‘soil marks’ komen voor op de naakte grond. Hetzij na recent ploegen, hetzij na een regenbui, wordt de ploeglaag boven een kuil of gracht donkerder dan de omliggende grond. Bij een fundering gebeurt het wel eens dat de landbouwer stukjes baksteen of natuursteen bovenploegt, waardoor een bleek spoor op een donkere ondergrond zichtbaar wordt.

Schaduwsporen of ‘shadow marks’ zijn te wijten aan het feit dat lichte oneffenheden op naakte grond of in grasland, zowel als groeiverschillen in gewassen kunnen geobserveerd worden onder speciale omstandigheden, met name bij een zeer lage zon. Dit resulteert in slagschaduwen.

Wetenschappelijke bijdrage van de luchtfotografie

Inventarisatie aan de hand van luchtfoto's
Inventarisatie aan de hand van luchtfoto's
Er kan niet de minste twijfel over bestaan dat de archeologische luchtfotografie een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het wetenschappelijk archeologisch onderzoek in Vlaanderen. Het ligt echter niet in onze bedoeling hier tot in de details in te gaan op die wetenschappelijke bijdrage. Het volstaat te wijzen op bv. het onderzoek naar de grafheuvels uit de bronstijd (Cherretté & Bourgeois, 2005), de Romeinse wegtracés (Vermeulen & Antrop (ed.), 2001), middeleeuwse sites met gracht. In de eerste twee gevallen is onze kennis zelfs bijna uitsluitend te danken aan de luchtfotografische prospecties.

Opvallend is ook dat, mede door de bijdrage van de luchtfotografie, de Vlaamse archeologie geëvolueerd is van een site- of objectgerichte wetenschap naar een meer landschappelijk gerichte studie. De luchtfotografie heeft duidelijk aangetoond dat een site nooit alleen kan worden gezien, maar deel uitmaakt van een groter geheel. De grenzen van de archeologische sites werden als het ware verlegd. Met de komst van GIS-technologie is die tendens natuurlijk nog versterkt.

Meer nog, de 70.000 opnames die de Gentse collectie uitmaken, vormen een basis voor nog vele jaren wetenschappelijk onderzoek.

Beleidsmatige bijdrage van de luchtfotografie

Er kan niet getwijfeld worden aan de bijdrage van de archeologische luchtfotografie aan het archeologisch beleid. In heel wat archeologische dossiers is er dankzij de luchtfotografie aandacht geweest voor het archeologisch erfgoed. Tot op heden is dat echter nog steeds geen standaardpraktijk, door het ontbreken van voldoende financiële middelen. In de toekomst groeit dit hopelijk nog uit tot een volwaardige en vlakdekkende kaart van alle bekende archeologische monumenten op de luchtfoto’s.

Toekomst?

Al verscheidene jaren wordt geijverd voor de uitbouw en bestendiging van de archeologische luchtfotografie in Vlaanderen. Hoewel we al over tienduizenden beelden van Vlaanderen beschikken, zijn we ervan overtuigd dat de noodzaak tot systematische voortzetting van de prospectievluchten zich opdringt. Het welslagen van archeologische luchtfotografie is afhankelijk van zeer diverse parameters waar de archeologen geen vat op hebben, waaronder klimaat, bodemgebruik en gebruik van bepaalde plantensoorten. Uitzonderlijke jaren, zoals 1986, 1989-1990, 1996, 2003 en 2009 zullen zich nog voordoen en dan kan een nieuwe uitgebreide oogst aan archeologische vindplaatsen worden verwacht. Daarnaast is ook duidelijk dat het systematisch opnieuw overvliegen van bekende sites een verdieping en verfijning van onze kennis van het Vlaamse archeologische landschap oplevert.

Contact

Prof. dr. Jean Bourgeois

Dr. Birger Stichelbaut