Een schitterend rapport voor het onderwijs aan de UGent!

(25-09-2017) Op 14 september werd in de Aula het rapport voorgesteld aan de UGent’ers die van dichtbij betrokken zijn geweest bij de instellingsreview van mei 2016.

De UGent is bijzonder trots op de zeer goede beoordeling van het onderwijsbeleid en de onderwijskwaliteitszorg in het kader van de Instellingsreview NVAO. De commissie die de instellingsreview heeft uitgevoerd is onder de indruk van het nieuwe systeem voor continue kwaliteitsmonitoring van de UGent.

Dit schitterend rapport van de instellingsreview heeft de UGent enkel verdiend dankzij de enorme inzet van alle collega’s die zich al vele jaren voor 100% inzetten voor kwaliteitszorg en onderwijsbeleid in de opleidingen, de faculteiten en op centraal niveau. We willen iedereen daarvoor nogmaals hartelijk danken!
Wat zegt het rapport?

“De commissie kwam tot de conclusie dat de UGent een sterk nieuw onderwijsbeleidsmodel heeft uitgewerkt, dat op het centrale beleidsniveau werd ontwikkeld met grote voeling voor en afstemming met wat zich op de werkvloer afspeelt. Doorheen de gesprekken kreeg de commissie bevestiging dat de participatie in en het draagvlak voor het gevoerde onderwijsbeleid aan de UGent sterk aanwezig is. In het bijzonder de sterke betrokkenheid van de studenten was opvallend. Dit draagvlak bestaat niet alleen voor de strategische onderwijsdoelstellingen, maar ook voor de instrumenten die een effectieve beleidsuitvoering moeten garanderen. Er is een brede appreciatie binnen de universiteit voor het kader dat de portfolio’s bieden om formeel en uniform te expliciteren wat voordien grotendeels al op minder gestructureerde wijze op de werkvloer gebeurde. De uniforme manier van werken en het gemeenschappelijk gehanteerde vocabularium bevordert de verticale samenwerking tussen verschillende beleidsniveaus en stimuleert horizontale (interfacultaire) communicatie en de uitwisseling van ‘good practices’. Het nieuwe onderwijsbeleidsmodel vormt op die manier een belangrijke stimulans voor de kwaliteitscultuur binnen de instelling. Dit neemt niet weg dat er voldoende ruimte is voor een autonome invulling van het beleid en de beleidsuitvoering door de faculteiten.”

“De commissie stelde vast dat opleidingen, faculteiten en het centrale bestuur op de hoogte zijn van de belangrijkste werkpunten en een proactieve houding aannemen om hieraan te werken. De consistent open discussies tijdens de locatiebezoeken dragen verder bij tot dit vertrouwen. De feedback- en opvolgsystemen die de instelling heeft opgezet om de reële implementatie van het beleid te monitoren, zijn solide. De portfolio’s maken een constante opvolging van de effectiviteit van de beleidsuitvoering mogelijk. De ‘peerleerbezoeken’, het jaarlijkse kwaliteitsoverleg en het Onderwijskwaliteitsbureau (OKB) zorgen ervoor dat de PDCA-cyclus op verschillende beleidsniveaus gesloten wordt en helpen om het verbeterbeleid scherp te houden nu de prikkel van externe visitaties wegvalt.”
Wat verdient nog verdere aandacht?

De commissie formuleert ook enkele aandachtspunten die ze tijdens de gesprekken verzamelde.
  • De commissie beveelt aan om te blijven investeren in lerende netwerken voor voorzitters van Opleidingscommissies, in honours programma’s, in het betrekken van studenten bij het formuleren van sterke en zwakke punten van opleidingen, en in het betrekken van werkveldvertegenwoordigers in de opleidingen.
  • Inzake internationalisering plaatst de commissie enkele kritische kanttekeningen bij de implementatie van het beleid. Het geeft de commissie vertrouwen dat deze problematiek op het vizier van de meeste opleidingen en faculteiten staat en dat bovendien een top-down verbeterbeleid wordt gevoerd, waarbij harde eisen gecombineerd worden met ondersteuning.
  • De commissie beveelt aan om vanuit het centrale niveau na te denken over mogelijke impulsen die kunnen worden gecreëerd om faculteitsoverschrijdende initiatieven te ondersteunen. De commissie raadt aan om bij het herzien van het allocatiemodel hiervoor stimulansen in te bouwen.
  • Verder doet de commissie de suggestie om het format van de portfolio’s en de uitwerking van de indicatoren verder te blijven optimaliseren. De commissie raadt aan goed na te denken over hoe de portfolio’s optimaal geïntegreerd (kunnen) worden in de werking van de opleidingen. Het is hierbij belangrijk dat men blijft bewaken dat de belasting niet nodeloos hoog wordt, bijvoorbeeld door het invoeren van formaliteiten die weinig tot geen inhoudelijke meerwaarde leveren.
  • De commissie raadt ten slotte aan verder te reflecteren over de rol van de peerleerbezoeken met name over de afweging tussen proces en inhoud en het aandeel die de externen hierin hebben. De commissie benadrukt dat de externe blik op de kwaliteit van de opleidingen heel belangrijk blijft en een internationale benchmark hier een belangrijke rol speelt.
Drie acties voor de toekomst

  1. Erkennen van engagement in onderwijs

    De verhouding onderzoek-onderwijs blijft een moeilijke evenwichtsoefening zowel voor het ZAP als voor AAP. Toch blijft de indruk bestaan dat (uitzonderlijke) verdiensten of belangrijke taken op gebied van onderwijs nog te weinig worden gevaloriseerd. De evaluatie van de ‘onderwijscomponent’ moet gebaseerd worden op een ruimer kader en op meer diverse informatie. De specifieke facultaire invulling van het functioneel loopbaanmodel zorgt tevens voor grote verschillen tussen faculteiten – verschillen die in de toekomst voorwerp moeten zijn van verdere evaluatie en aanpassing.
  2. Reflectie over het nieuwe systeem van kwaliteitsborging

    Samen met faculteiten en opleidingen is reeds een overleg opgestart over de rationalisatie van de portfolio’s, de reflectie over de indicatoren, het optimaal inbedden van de nieuwe instrumenten in de huidige werking van OC en CKO, het optimaliseren van de peerleerbezoeken en het meer leren van elkaar en delen van good practices. Deze reflectie moet leiden tot efficiëntiewinst binnen de kwaliteitscultuur.
  3. Van administratie/belasting naar reflectie/kwaliteitscultuur

    Het uitrollen van het nieuwe systeem heeft veel tijd en inspanningen gekost van veel mensen. Deze inspanningen worden vaak beschouwd als loutere administratie en extra belasting. Het is tijd om wat gas terug te nemen, en na te denken om enkel die inspanningen en tijdsinvesteringen over te houden die zorgen voor reflectie en kwaliteitscultuur, en dus voor beter onderwijs. Vanuit centraal zal ondersteuning geboden worden om deze omslag te kunnen maken.

Info