Eentaligheid als hindernis voor leren van Nederlands en burgerschap

(23-12-2017) De voorbije weken was er heel wat discussie over meertaligheid op school. Reinhilde Pulinx onderzocht de invloed van de attitudes van leerkrachten over taal, burgerschap en sociale interactie, en stootte op de ‘eentalige paradox’.

Nederlands als voorwaarde voor participatie

Het onderwijs is een van de belangrijkste instellingen die leerlingen voorbereidt op een actieve deelname aan het maatschappelijk leven. Leerkrachten spelen daarbij een cruciale rol. In haar doctoraatsonderzoek bracht Reinhilde Pulinx hun overtuigingen in kaart, en de invloed daarvan op de interactie tussen leerkrachten en hun leerlingen.

Het Vlaamse onderwijssysteem beschouwt de kennis van het Nederlands als een belangrijke voorwaarde om optimaal te kunnen deelnemen op school, in de maatschappij en later op de arbeidsmarkt. Om succes te hebben op school wordt die taalkennis als een essentiële voorwaarde gezien. Een eentalig onderwijsbeleid, enkel ruimte voor het Nederlands op school, geldt daarbij als de meest efficiënte manier om het Nederlands aan te leren.

Enkele resultaten

De meerderheid van de leerkrachten is er sterk van overtuigd dat eentaligheid in het onderwijs een goede zaak is.
De opvattingen die leerkrachten hebben tegenover eentalig onderwijs beperken zich niet tot de taalkennis van leerlingen met een migratieachtergrond, maar hangen ook samen met hun mening over het integratieproces van de leerlingen en hun ouders.

De studie vergeleek leerkrachten die sterk gewonnen zijn voor eentalig onderwijs met hun collega’s. De eerste groep

-          heeft minder vertrouwen in het engagement van leerlingen op school

-          heeft lagere verwachtingen van de leerlingen.

-          legt meer nadruk op een autoritaire (in tegenstelling tot een participatieve) invulling van burgerschap.

Eentalige paradox

Dat alles kan het schoolsucces van hun leerlingen negatief beïnvloeden: minder vertrouwen in de leerlingen leidt tot lagere verwachtingen, wat op zijn beurt voor minder goede resultaten zorgt (zoals uit recent en minder recent onderzoek blijkt).

Het onderwijsbeleid gaat er dus van uit dat de leerlingen Nederlands moeten leren om optimaal te kunnen deelnemen aan het onderwijs en het maatschappelijk leven. Tegelijk blijkt dat leerkrachten die sterk te vinden zijn voor die eentalige benadering, tegenover leerlingen met een migratieachtergrond een eerder autoritaire invulling geven aan dat burgerschap.

Het Vlaamse integratie- en participatiebeleid stimuleert actief burgerschap en sociale participatie van mensen met een migratie-achtergrond, maar een belangrijke groep leerkrachten benadrukt de sociale competenties en participatieve vaardigheden onvoldoende.

Dit noemt de onderzoekster de monolinguale paradox van integratie en burgerschap.

Taalkennis niet langer voorwaarde, maar resultaat

Reinhilde Pulinx stelt als conclusie van haar onderzoek in vraag of de kennis van het Nederlands wel als voorwaarde moet gezien worden om optimaal te kunnen deelnemen aan het onderwijs, in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Ze pleit ervoor om taalkennis te beschouwen als resultaat van participatie, en niet langer als voorwaarde.
Ook al staan leerkrachten nog achter de eentalige aanpak, ze merken dagelijks in de klas dat die aanpak onvoldoende efficiënt is, dat de taalvaardigheid van leerlingen met een meertalige achtergrond onvoldoende verbetert. Maar tot hiertoe is een alternatieve aanpak niet voorhanden.
Reinhilde Pulinx beschouwt leerkrachten dan ook als sleutelactoren bij het doorbreken van de monlinguale paradox. Op basis van recente, wetenschappelijke inzichten in taalverwerving en in nauwe samenwerking tussen leerkrachten, scholen, lerarenopleidingen en onderzoekers kunnen nieuwe pedagogische en didactische kaders ontwikkeld worden. Deze nieuwe kaders maken gebruik van alle talige competenties van leerlingen om het Nederlands als instructietaal aan te leren en nieuwe kennis te verwerven.

Info

Reinhilde Pulinx
M 0477 70 32 52