Werk voor ouderen in België: werkt het beleid?

(20-02-2017) De bevolking wordt steeds ouder. Indien we niet langer blijven werken, worden behoorlijke publieke pensioenen onbetaalbaar. De overheid neemt al jaren allerlei maatregelen in om de werkzaamheidsgraad van ouderen te verhogen. Maar werken die?

De professoren Bart Cockx (UGent), Muriel Dejemeppe en Bruno Van der Linden (beiden UCLouvain) onderzochten in opdracht van de FOD Wetenschapsbeleid of de maatregelen die de overheid hanteert, het beoogde effect hebben.

De globale impact van het beleid

Vele federale overheidsmaatregelen kwamen tot stand in het verlengde van het Generatiepact in 2005. De onderzoekers gingen in welke mate het globaal pakket van de maatregelen genomen in opvolging van het pact de werkzaamheidsgraad van vijftigers heeft verhoogd. Om het effect van het beleid te meten, dient de autonome trendmatige evolutie van de werkzaamheidsgraad en de invloed van de economische activiteit hierop uitgezuiverd: de werkzaamheidsgraad van ouderen evolueert immers ook zonder dat de overheid specifieke maatregelen neemt. De onderzoekers gebruikten statistische methoden om dit in rekening te brengen.
Conclusie? Het gros van de groei in de werkzaamheidsgraad van ouderen tussen 2007 en 2008 wordt verklaard door de trendmatige evolutie en door gunstige economische conjunctuur. Het globale effect van de maatregelen uit het Generatiepact was verwaarloosbaar. De Grote Recessie van 2008 en de massale overheidsinterventie die hierop volgde, verhinderde om de globale impact van het beleid in de daaropvolgende jaren te bestuderen.

Effecten van specifieke maatregelen

Zelfs al hebben overheidsmaatregelen globaal geen invloed uitgeoefend,  sluit dit niet uit dat specifieke maatregelen wel werken, mogelijk onder voorwaarden en enkel voor bepaalde deelgroepen. De onderzoekers namen drie belangrijke maatregelen onder de loep: (1) de permanente lastenverlagingen die werkgevers ontvangen voor de tewerkstelling van oudere 'zittende' werknemers (te onderscheiden van de tijdelijke lastenverlagingen voor de tewerkstelling van niet-werkende werkzoekenden); (2) het tijdskrediet eindeloopbaan; (3) de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen. Ze bepaalden de zuivere effecten van deze maatregelen op de tewerkstelling van ouderen met behulp van geavanceerde statistische methoden. Voor deze analyse maakten ze gebruik van een steekproef van een kwart miljoen individuen waarvoor informatie uit diverse sociale zekerheidsinstellingen werd bijeengebracht.

Permanente lastenverlagingen voor oudere werknemers

Tijdens het tweede kwartaal van 2016 werden de werkgeversbijdragen van 183.000 voltijdsequivalente oudere werknemers verlaagd. Deze lastenverlagingen kostten de overheid in 2015 ongeveer 460 miljoen euro. Dit is ongeveer 0,1% van ons Bruto Binnenlands Product. Sinds 2016 zijn de regio’s bevoegd. De doelgroep is vandaag ouder dan 54 jaar.
Worden deze middelen efficiënt ingezet? De onderzoekers vinden van niet. Ze baseren hun conclusies op een evaluatie van de lastenverlaging van 400€/kwartaal die de overheid in 2002 voor werknemers van 58 jaar en ouder invoerde. Ze stellen vast dat de maatregel de tewerkstelling van 58 plussers met slechts 0,4 procentpunt heeft doen toenemen, een toename die bovendien statistisch niet van nul verschilt. Voor een deelgroep die anders met brugpensioen (vandaag stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag) zou vertrekken, vinden de onderzoekers dat de lastenverlaging de uittrede uit werk wel significant vertraagt. Dit gaat echter ten koste van een versnelde uittrede van de iets jongere groep werknemers die net niet in aanmerking kwam voor de verlaging. Het netto effect verschilt bijgevolg ook niet veel van nul.
Oorzaak van deze povere resultaten? “De verlaging is onvoldoende gericht op lage lonen”, stellen de onderzoekers. In voorgaand onderzoek toonden ze immers aan dat in dat geval lastenverlagingen wél doeltreffend zijn. Hoewel de huidige lastenverlagingen voor oudere werknemers enkel gelden voor lonen onder een bepaald plafond, geldt deze kritiek ook voor de huidige regeling. Dit plafond is immers helemaal niet selectief: slechts 20% van de oudere werknemers heeft een loon dat boven dit plafond uitstijgt.

Tijdskrediet eindeloopbaan

Waarnemers stellen dat werknemers op het einde van hun carrière vaak vervroegd uittreden omdat ze, al dan niet omwille van gezondheidsproblemen, het werkritme niet meer aankunnen of omdat ze in die fase van het leven meer zorgtaken voor partner, kleinkinderen of andere naasten wensen op te nemen. Door op latere leeftijd geleidelijk wat minder te gaan werken, zou een vervroegde uittrede vermeden kunnen worden. Al sedert 1985 is het in ons land mogelijk om op het einde van de loopbaan de werktijd met 20% of 50% te verminderen en een uitkering ter compensatie te ontvangen. In 2015 maakten er niet minder dan 93.000 werknemers ouder dan 50 gebruik van dit tijdskrediet eindeloopbaan.

De vorige en huidige federale regeringen hebben de toegang tot het stelsel echter verstrengd: in 2012 werd de gerechtigde leeftijd (behoudens tijdelijke uitzonderingen) verhoogd van 50 naar 55 jaar en in 2014 opnieuw tot 60 jaar. Was dit verstandig? De onderzoekers zijn genuanceerd. Ze onderzochten het effect van oudere werknemers die instroomden in dit tijdskrediet in de jaren 2003-4. Ze volgen deze werknemers en een controlegroep gedurende 7 à 8 jaar, tot eind 2011. Ze vinden dat het tijdskrediet gedurende de eerste 4 jaar voor vrouwen (2 voor mannen) de uittrede significant vertraagt in vergelijking met de controlegroep. In de volgende jaren wordt de uittrede daarentegen zeer sterk bespoedigd. Dit laatste wijten ze aan de gelijkstelling van de (mogelijk vervroegde) pensioenrechten van de begunstigden van het tijdskrediet aan die van een voltijdse werknemer. Hierdoor is het voor begunstigden van het tijdskrediet financieel voordelig om uit te treden zodra ze recht hebben op een vervroegd pensioen.

Ondertussen verhoogt de regering Michel de leeftijd van vervroegde pensionering geleidelijk van 60 jaar tot 63 jaar in 2019, maar zonder deze gelijkstelling aan te passen. De onderzoekers verwachten dat hierdoor het tijdskrediet de uittrede tussen 60 en 63 jaar kan vertragen, maar niet meer nadien. Een hervorming van het systeem van de gelijkstelling is daarom essentieel.

Verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd

De huidige federale regering heeft beslist dat de wettelijke pensioenleeftijd vanaf 2025 ingaat vanaf 66 jaar in de plaats van 65 jaar nu, en in 2030 vanaf 67 jaar. In het verleden heeft de overheid een gelijkaardige maatregel doorgevoerd. Tussen 1997 en 2009 is de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen geleidelijk verhoogd van 60 naar 65 jaar. De onderzoekers bestudeerden deze maatregel om inzicht te verwerven in de impact van de meer recente leeftijdsverhoging. Meer in het bijzonder analyseerden ze de effecten van de leeftijdsverhoging van 63 naar 64 jaar op 1 januari 2006.

Acht procent van de 63-jaar-oude vrouwen zouden ook zonder de verhoging van de pensioenleeftijd (halftijds) aan de slag gebleven zijn. Na verhoging groeide dit aandeel tot 10 procent, dit is in relatieve termen een verhoging met een kwart. Voor de 90% vrouwen die al voordien waren uitgetreden veranderde er echter niets: ze bleven uitgetreden. Bovendien vonden de onderzoekers geen evidentie dat de betrokken vrouwen omwille van de leeftijdsverhoging vervroegd zouden zijn uitgetreden of gedurende de maanden voor de verhoging minder uren zouden zijn gaan werken. Globaal was het effect van de leeftijdsverhoging dus gering. Zolang de effectieve uittrede leeftijd onder de wettelijke pensioenleeftijd blijft, verwachten de onderzoekers dan ook maar weinig effect van de komende verhoging van de pensioenleeftijd op de globale werkzaamheidsgraad van 55 plussers.

Info

De resultaten van dit onderzoek worden bekendgemaakt op een studievoormiddag op maandag 20 februari 2017.

Prof. Bart Cockx
Vakgroep Sociale Economie           
M 0491 93 14 08            

Lees meer artikels over: