Naar de kleuterschool gaan volstaat niet om beter Nederlands te leren

(14-02-2019) Nergens ter wereld gaan meer peuters en kleuters naar school dan in Vlaanderen. Maar tegelijk is bijna nergens de ongelijkheid binnen het onderwijs zo groot. Onderzoekers van de UGent gingen in kleuterscholen op zoek naar mogelijke verklaringen.

In de discussie over het realiseren van gelijke onderwijskansen wordt sinds 2006 vooral kleuterparticipatie als oplossing gezien: hoe vroeger kinderen naar school gaan, hoe meer kansen op gelijkheid. Dat geldt zeker bij groepen kinderen uit gezinnen in armoede die met minder kennis van het Nederlands aan hun schoolcarrière beginnen. Door hen te stimuleren om al op kleuterleeftijd –vóór de leeftijd van 6 jaar dus, waarop ze leerplichtig worden- naar school te gaan, zou de achterstand in kennis van het Nederlands ingehaald worden.

Uit UGent-onderzoek blijkt echter dat niet de participatie op zich de bepalende factor blijkt te zijn, maar wél de kwaliteit van de gesprekken van en met de kinderen op school.

Kwaliteitsvolle interacties

De onderzoekers namen onder meer de contacten tussen volwassenen en kinderen waarbij woorden gebruikt werden onder de loep. Dat gebeurde in een periode van tien maanden in vier zorgvuldig geselecteerde Vlaamse scholen. De wetenschappers filmden zowel in de klas als op de speelplaats. Dat leverde honderden uren aan beeldmateriaal op. Het ging om interacties in beide richtingen: zowel op initiatief van de volwassenen als van de kinderen. Die ‘gesprekken’ waren niet altijd dialogen: in veel situaties kwam er geen reactie (in woorden) van de ‘gesprekspartner’.
De wetenschappers analyseerden vooral de kwaliteit van de interactie. Die kwaliteit bepaalt immers de mate waarin de (taal)ontwikkeling van het kind gestimuleerd wordt.  

Daarbij keken ze naar de taal die de juf gebruikte: bij voorkeur spontane, natuurlijke en begrijpelijke taal met volzinnen, die aansluit bij de voorkennis en leefwereld van het kind. Daarnaast werden de kansen onderzocht die de volwassene bood aan het kind om zelf te praten: onder meer door open vragen te stellen en interactie te stimuleren. Een laatste kwaliteitsaspect was de feedback die de volwassene bood: bijkomende vragen stellen, hints geven indien een kind het antwoord op een vraag niet weet, extra info geven bij het antwoord…

Uit het onderzoek blijkt dat de kinderen weinig kwalitatieve leerkansen kregen. Zowel over de taal die de volwassene gebruikte, de kansen die het kind kreeg om zelf te praten als over de feedback die het kind kreeg, kan gezegd worden dat het weinig was, en bovendien weinig kwaliteitsvol. De beste momenten waren op dat vlak de individuele momenten, waarbij één volwassene met één kind bezig was, en dit zowel tijdens typische leer- als zorgmomenten. Maar die momenten kwamen niet al te vaak voor, waren vaak kort en er bleven veel kansen onbenut om tot meer kwaliteitsvolle interactie te komen.

Meer aandacht voor zorg

De onderzoekers merkten dat de meest kwaliteitsvolle interacties vaak tijdens zorgmomenten plaatsvonden. Onder meer in die context kaarten ze het te strikte onderscheid aan tussen leer- en zorgmomenten aan.
Het onderscheid tussen leren en zorg is mee ingegeven door de strikte scheiding die in Vlaanderen meestal bestaat tussen kinderopvang en de kleuterschool. Waar de aandacht bij die eerste zo goed als volledig naar zorg gaat, verschuift die in de kleuterschool al snel naar een (te) enge invulling van leren.

Nochtans bieden zorgmomenten ook heel wat leerkansen. Zo blijkt de interactie tijdens zorgmomenten zoals verluieren of toiletbezoek (o.m. doordat dit vaak één-op-één gebeurt) vaak van hogere kwaliteit dan tijdens echte leermomenten. Anderzijds kan leren uiteraard ook zorgzaam gebeuren. Met andere woorden: een beter evenwicht, en vagere grenzen tussen leren en zorg komen de kleuters ten goede. De vorm waarin dat gebeurt is bijkomstig: het kan even goed in een instapklas als in een kleuterklas, en even goed in het klaslokaal als op de speelplaats.

Enkele aandachtspunten en aanbevelingen met oog op taalverwerving

  • Naast de kwaliteit van de taal, moet er ook aandacht zijn voor de kwantiteit: kinderen die al taalvaardiger zijn, worden op school vaker door de volwassenen aangesproken en uitgedaagd, onder meer doordat de volwassenen tegenover hen een rijkere woordenschat hanteren. Daardoor krijgen ze nog meer voorsprong op andere kinderen.
  • In de loop van een schooldag komen veel dode momenten voor, waarop kinderen –vaak in stilte- moeten wachten. Dit kan oplopen tot maar liefst 30% van de tijd die het kind op school doorbrengt. Het gaat om wachten tot iedereen naar het toilet is geweest, zijn jas aan heeft of klaar is met eten. In die wachttijd wordt heel weinig tegen de kinderen gesproken, tenzij om instructies te geven of gedrag te corrigeren. Dit soort interacties biedt weinig leerkansen.
  • Meer aandacht voor een degelijk taalaanbod in de kleuterschool. Het aanbod nu is ondermaats: dat blijkt ook uit recent Vlaams onderzoek (Sierens e.a.): hoe vaak de kinderen als kleuter naar school gaan heeft geen invloed op hoe goed ze begrijpend lezen in de hogere jaren van het basisonderwijs.
    De onderwijsinspectie heeft al meer dan vroeger aandacht voor kwaliteit in kleuteronderwijs, met aandacht voor meertaligheid, maar taalverwerving valt momenteel nog buiten die focus. 
  • Een doordachte schoolstructuur: instappers (kinderen die voor het eerst naar school gaan) worden beter bij iets oudere kinderen gezet, zodat ze de schoolroutine informeel kunnen leren. In uniforme instapklassen gaat bijna alle aandacht naar het aanleren van die routines, waardoor er weinig individuele leerkansen zijn.
  • Vermijd al te grote groepen: ze bieden minder kansen op (vaak één-op-één) kwaliteitsvolle contacten tussen kinderen en volwassenen. 

We verwachten als samenleving (terecht) veel van de kleuterschool, maar bieden die school niet de middelen om aan die verwachtingen te kunnen voldoen. Leerkrachten zijn vaak onvoldoende toegerust en te weinig ondersteund om voldoende kwaliteitsvol met de kinderen om te kunnen gaan.

Info

Link naar het onderzoeksrapport: https://www.ugent.be/pp/swsp

Michel Vandenbroeck
Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek
M 0479 29 14 73
michel.vandenbroeck@ugent.be

Piet Van Avermaet
Vakgroep Taalkunde
M 0495 24 19 03
piet.vanavermaet@ugent.be