Rector

Identificatie

1. Entiteit: Bestuursorgaan

2. Geautoriseerde naam: rector

3. Parallelle namen: rector magnificus, recteur

4. Identificatiecode: 3J

 

Historiek

1. Bestaansperiode: 1817-heden

2. Institutionele geschiedenis:
In de wet van 25 september 1816 die de oprichting van de Gentse universiteit regelde,  kwam de rectorale functie pas in de artikelen 184-192 aan bod. Gestipuleerd werd dat de rectorale waardigheid elk jaar op 1 oktober diende overgedragen te worden aan een andere faculteit. Daarom diende voor het einde van het academisch jaar door de academische senaat een lijst opgemaakt te worden van twee professoren per faculteit die voor het ambt van rector voorgedragen werden. Het was uiteindelijk de koning die de rector magnificus benoemde (art 184).

De rector kreeg de bevoegdheid om de academische senaat samen te roepen en voor te zitten. Hij was het hoofd van de academische politie en in die hoedanigheid had hij het recht om studenten op te roepen,  te ondervragen en te berispen, huisarrest op te leggen of in hechtenis te nemen. In het  laatste het geval was hij wel verplicht om binnen de 24 uur de commissie van rector en assessoren op de hoogte te brengen, die zich dan zouden beraden over het al of niet opheffen van het arrest en /of de te nemen maatregelen.

De rector kreeg het grootzegel en de academische scepters in bewaring. Als de rector naar de universiteit ging werd hij begeleid door een pedel met scepter en bij academische plechtigheden werd hij geflankeerd door twee pedellen met scepter.
De wet voorzag dat de jaarlijkse terugbetaling van de onkosten en voorschotten van de rector. Na voorlegging en goedkeuring moesten de curatoren de aanvraag voor terugbetaling overmaken aan het ministerie. Voor de uitvoering van zijn functie had de rector recht op een aantal financiële vergoedingen (o.m. inschrijvingsrecht op de rol, vergoeding voor promoties enz.).

Bij het neerleggen van zijn ambt was de aftredende rector er aan gehouden een Latijnse rede uit te spreken, die opgenomen werd in de academische annalen. De toespraak diende te bevatten:
1. Een historisch overzicht van wat er aan de universiteit het afgelopen jaar was gebeurd
2. Een beknopte biografie  van professoren overleden in het voorbije jaar, met vermelding van hun publicaties

Het KB van 3 dec. 1835 behoudt het rectorale mandaat op 1 jaar. Veel bevoegdheidswijzigingen zijn er niet. De rector roept nog steeds de academieraad en assessorenraad samen; hij is belast met het afhandelen van lopende zaken; hiervoor kan hij het advies inwinnen van het college van assessoren (art.19); hij houdt toezicht op de regelmatig geven van de lessen door de professoren. Hij schrijft de studenten in op de rol: hij maant hen aan tot goed gedrag en tot zinvol gebruik van hun studietijd en als hoofd van de academische politie waakt hij over hun gedrag.

Het KB van 9 december 1849 verlengt het rectorale mandaat tot 3 jaar, dat hernieuwbaar wordt (art.12). De rector wordt bevoegd voor alle academische aangelegenheden. Hij kan het advies inwinnen van het college van assessoren (art 26); hij is belast met het toezicht op de aanwezigheid van professoren; hij schrijft de studenten in en wijst hen op hun plichten; hij is het hoofd van de academische politie en als dusdanig houdt hij het gedrag van de studenten in het oog die hij ook kan bestraffen. De rector is dus hoofdzakelijk belast met het toezicht over professoren en studenten, terwijl het toezicht op het personeel en het materiële beheer en tot de prerogatieven van de beheerder-inspecteur behoren.
Van 1921 tot 1971 was de rector ook voorzitter van de beheerscommissie van het Universiteitsvermogen.

Het lijkt er op dat voor 1918 geen afzonderlijke rectorale administratie bestond. De administratieve jaarboeken van de Gentse universiteit vermelden onder de ‘administration’ de beheerder-inspecteur, de ontvanger van de academieraad,  de secretaris van de beheerder-inspecteur, de conservator van de gebouwen, twee opstellers en twee pedellen. Pas na de eerste wereldoorlog komt er een onderscheid in het ‘personnel administratif ‘tussen ‘rectorat’ en ‘administration-inspection’. Onder het rectoraat vallen de ontvanger van de academieraad, die terzelfder tijd ook fungeert als secretaris, één opsteller en twee pedellen. Deze personeelsformatie blijft quasi ongewijzigd, tot aan de wet van 28 april 1953 die o.m de functies van beheerder-inspecteur en van ontvanger van de academieraad afschaft.

Dezelfde wet brengt het rectorale mandaat op 4 jaar. De koning benoemt de rector nu uit een lijst van drie hoogleraren voorgedragen door de academische raad (art. 6). Zoals eertijds fungeert de rector nog steeds als voorzitter van de academieraad en voert hij diens beslissingen uit. De algemene leiding van de universiteit berust bij hem evenals de uitvoering van de academische aangelegenheden die niet tot de bevoegdheden van de academieraad behoren. Als voorzitter van de raad van beheer voert hij de raadsbesluiten uit die niet zijn voorbehouden aan de ondervoorzitter.

Artikel 23 van het KB van 23 oktober 1967 omschrijft en actualiseert de bevoegdheden van de rector:
1. Hij is voorzitter van de academieraad en de raad van beheer, die hij ook samenroept; hij voert de beslissingen uit betreffende de inrichting van plaatsvervangingen; 3. hij schrijft de studenten in op de rol; hij ondertekent mede de academische diploma’s en reikt diploma’s uit voor geaggregeerde voor het hoger onderwijs, speciaal doctor en doctor honoris causa; hij vertegenwoordigt de universiteit bij openbare plechtigheden; hij vertegenwoordigt de universiteit in de instellingen en groeperingen tot bevordering van het wetenschappelijk onderzoek; hij leidt de sociale dienst voor studenten en behandelt kwesties die betrekking hebben op studentenverenigingen; hij is belast met de academische politie; hij voert de  beslissingen uit van de raad van beheer die niet voorbehouden zijn aan de ondervoorzitter; hij waakt erover dat de leden van het onderwijzend personeel regelmatig hun cursussen geven.

In artikel 7 van de wet 24 maart 1971 worden de rectorale bevoegdheden nogmaals aangevuld.. Hij is voorzitter van de raad van beheer en van het (nieuwe) vast  bureau en zorgt voor het voorafgaandelijk onderzoek van de punten van academische aard welke aan de raad of het vast bureau worden voorgelegd. Daarna zorgt hij ook voor de uitvoering van de beslissingen van academische aard goedgekeurd door de  raad van beheer en het vast bureau. Die uitbreiding van bevoegdheden weerspiegelt zich geleidelijk  in de uitbreiding van de rectorale administratie. . Geleidelijk personeelsbestand toenemen: het aantal pedellen verdubbelt, er komt ook een aantal voorzieningen voor studenten (een sociale dienst voor studenten, kamerdienst,  sedert 1954 ook een dienst bevoegd voor restaurants en homes en eind de jaren 50 een public relations dienst die sedert 1966 uitgroeit tot de dienst culturele aangelegenheden en public relations.

Begin de jaren 70 worden de diensten van de rector uitgebreid. Er  komt een Dienst Onderwijzend Personeel  (voorbereiding van de dossiers voor de aanstelling, bevordering van docenten en professoren) en een Dienst  Studiën en Studenten (inschrijvingen, programma’s enz.), waaronder ook de pedellen vallen, Deze diensten worden in 1975 samengebracht in de Dienst voor academische aangelegenheden.
Daarnaast wordt er ook een Dienst Betwiste Zaken opgericht , die in 1983 wordt overgebracht naar de Diensten van de administrateur. In 1973 worden de rectorale diensten nog aangevuld met  het Universitair Studiebureau.

Vermits door het bijzonder decreet van 26 juni 1991 de academieraad afgeschaft werd, moest ook de verkiezingsprocedure voor de rector (en vicerector) aangepast worden. Beiden worden nu gekozen door een kiescollege, samengesteld uit de leden van de faculteitsraden en van de raden van de daarmee gelijkgestelde organen van de universiteit. Het kiescollege beraadslaagt over de ingediende kandidaturen en draagt bij geheime stemming één kandidaat voor elke functie voor. De uiteindelijke benoeming gebeurt door de Vlaamse regering. De ambtstermijn blijft vier jaar en is éénmaal hernieuwbaar.

Rectoren

Bronnen

Règlement sur l’organisation de l’enseignement supérieur dans les provinces méridionales du royaume des Pays-Bas, 25 septembre 1816.  In: NOTHOMB, M.  , Etat de l’instruction supérieur en Belgique. Rapport présenté aux chambres législatives le 6 avril 1943. Bruxelles, 1844,  T. I, p. 294-296.

Loi organique de l’enseignement supérieur en Belgique, 27 sept. 1835  In : NOTHOMB, M. , Etat de l’instruction supérieur en Belgique. Rapport présenté aux chambres législatives le 6 avril 1843. Bruxelles,1844,  tome II, pp. 1003-1005.

Arreté royal portant reglement pour l’execution de la loi organique de l’enseignement supérieur, 3 dec. 1835.  In Nothomb, M .  dl II, p. 1020-1021.

Arrête royal organique du 9 décembre 1849. In: Beckers, L. L’enseignement supérieur en Belgique, Code annoté…. Bruxelles, 1904, pp. 24-25.

Wet betreffende de inrichting van her hoger onderwijs in de Rijksuniversiteiten, 28 april 1953 in: Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad 1 mei 1953  p. 1-2.

KB houdende het algemeen reglement voor de Rijksuniversiteiten en de Rijksuniversitaire centra, 23 oktober 1967.

Wet tot wijziging van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de staat, gewijzigd door de wet  van 9 april houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie en van de wet van 5 juli 1920 tot toekenning van rechtspersoonlijkheid aan de Staatsuniversiteiten Gent en Luik, 24 maart 1971 in Belgisch Staatsblad, 16 sept. 1971 p. 10663-10667.

Bijzonder decreet betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen, 26 juni 1991. In Belgisch Staatsblad, 29 juni 1991.

De Winter, S. Het archief uit de centrale administratie van de Universiteit Gent en de overdracht ervan naar de archiefdienst.

Inventaris

Beste bezoeker,

De inventarissen worden momenteel bewerkt om opgenomen te worden in een archiefbeheersysteem. Indien u stukken wil raadplegen, gelieve ons te contacteren: archief@ugent.be

We begeleiden  graag uw zoektocht. Dank voor uw begrip.