Historiek van het universitair genderbeleid

Anno 2011 is de studentenpopulatie van de Europese universiteiten uitgesproken vrouwelijk: er schrijven zich meer vrouwen dan mannen in én er studeren meer vrouwen dan mannen af. Aan de UGent is 57% van de eerstejaarsstudenten en 60% van de afgestudeerden een vrouw. Vrouwen legden er een lange weg af sinds Sidonie Verhelst er zich in 1882 als eerste vrouw inschreef. België was een trage leerling als het op vrouwelijke studenten aankwam: in de Verenigde Staten schreef Elisabeth Blackwell zich (al?) in 1849 in aan Geneva College (staat New York) en ook Rusland (1861), Frankrijk (1861), Zwitserland (1864) en Groot Brittannië (1867) gingen België met meer dan een decennium vooraf.
Drie vrouwen, Anne-Marie Van der Meersch (1982), Annick Vandenbilcke (1987) en Sofie Veramme (2010) bestudeerden de eerste generaties Gentse studentes: hun afkomst, studiekeuze, traject en strijd om gelijke behandeling. Daarvoor onderzochten ze niet alleen de wetten en cijfers, maar interviewden ze tientallen vrouwelijke alumni van het eerste uur. Ter gelegenheid van de internationale vrouwendag 2011 werden hun studies in deze virtuele tentoonstelling herwerkt en aangevuld met nieuwe cijfers .
  1. Geen hoger onderwijs zonder middelbaar onderwijs
  2. Toelatingsvoorwaarden voor universitaire studies
  3. Laatste hindernis: de beroepsuitwegen
  4. Vrouwelijke studenten in cijfers
  5. Studiekeuze
  6. Afkomst
  7. Integratie van de studentes in de mannelijke universiteit
  8. Glazen plafond
  9. Bibliografie dossier vrouwelijke studenten

1. Geen hoger onderwijs zonder middelbaar onderwijs

De belangrijkste oorzaak van de late en trage intrede van vrouwen aan de universiteit is het gebrek aan een volledige cyclus middelbaar onderwijs die vrouwen voorbereidt op hogere studies. De eerste Belgische wet op het middelbaar onderwijs van 1 juni 1850 regelt enkel de oprichting van jongensscholen. Voor meisjes zijn er de vrije scholen van religieuze congregaties, waar de nadruk ligt op een toekomst als echtgenote en als moeder. Het hoogste diploma dat vrouwen kunnen bereiken, is dat van onderwijzeres.

Privéscholen

De Belgische feministe Isabelle Gatti de Gamond brengt daar verandering in. Zij heeft begrepen dat onderwijs een belangrijk wapen is in de emancipatiestrijd van de vrouw en sticht in 1864 in samenwerking met het Brusselse stadsbestuur de eerste stedelijke middelbare meisjesschool. Ook in andere steden worden naar het voorbeeld van Gatti de Gamond privéscholen opgericht. Pas in 1881 neemt de overheid initiatief en organiseert ze met een nieuwe wet de oprichting van vijftig middelbare meisjesscholen. Maar van een pre-universitaire opleiding is nog lang geen sprake: het onderwijs blijft in deze nieuwe meisjesscholen beperkt tot de lagere graad en inhoudelijk ligt het accent op de huishoudelijke taken zoals handwerk en huishoudkunde. 

Athenée de Jeunes Filles

Het is opnieuw Gatti de Gamond die de volgende stap zet naar hoger onderwijs voor meisjes. In 1892 richt ze in Brussel de ‘cours d’éducation’ op: een drie jaar durende lessencyclus die meisjes voorbereidt op examens voor de Centrale Jury. Het initiatief krijgt navolging in Luik en tenslotte ook in Gent, waar Rosa De Guchtenaere, een oud-leerlinge van De Gatti de Gamond, in 1907 het ‘Athenée de Jeunes Filles’ opricht. De school biedt meisjes een klassieke humaniora aan, waardoor de overstap naar de universiteit mogelijk wordt. Dit meisjesatheneum zal na de Eerste Wereldoorlog uitgroeien tot de kweekschool van de vrouwelijke studenten van de Gentse universiteit.

Een definitieve doorbraak in de vorm van volwaardig middelbaar onderwijs voor vrouwen komt er pas in 1925. De socialistische minister van Onderwijs Camille Huysmans schakelt de onderwijsprogramma’s van lycea (voor meisjes) en athenea (voor jongens) gelijk. Voortaan bieden ook de middelbare meisjesscholen klassieke humaniora aan.

Naoorlogs gelijkekansenbeleid

Na de Tweede Wereldoorlog doet de overheid inspanningen om de verschillen tussen het middelbaar en het hoger rijksonderwijs voor jongens en het onderwijs voor meisjes weg te werken. In het naoorlogse België staat de publieke opinie gunstiger tegenover werkende vrouwen en er is een economische behoefte aan meer en beter opgeleide werknemers. Een andere factor is dat vrouwen vanaf 1948 stemrecht hebben en het dus noodzakelijk is hen op te leiden tot goede burgers die hun plichten en rechten kennen. In de meisjesscholen verliezen vakken als huishoudkunde aan belang ten gunste van wiskunde, geschiedenis en moedertaal en men probeert meisjes te overtuigen om ‘mannelijke’, wetenschappelijke, richtingen te kiezen. In de jaren 1970 groeien deze inspanningen uit tot een volwaardig gelijkekansenbeleid. Wat de doorstroming naar het hoger onderwijs betreft, slaagt dat beleid maar gedeeltelijk in zijn opzet: de inhaalbeweging van de vrouwelijke inschrijvingen aan de universiteiten is spectaculair (in Gent stijgt hun aandeel tussen 1960 en 2000 met 10% per decennium en sindsdien zijn de vrouwelijke studenten met 57% duidelijk in de meerderheid) maar de verhouding mannen/vrouwen verschilt aanzienlijk per faculteit.

 2. Toelatingsvoorwaarden voor universitaire studies

Naast het gebrek aan pre-universitair onderwijs zijn het vooral de door de staat opgelegde toelatingsvoorwaarden voor de universiteiten die hoger onderwijs voor jonge vrouwen saboteren. Die toelatingsvoorwaarden worden in de 19de eeuw verschillende keren aangepast en dat heeft telkens gevolgen voor de inschrijvingen van vrouwen. Na twintig jaar van volledig vrije toegang tot de universiteit bepaalt de organieke wet op het hoger onderwijs van 15 juli 1849 dat hogere studies kunnen worden aangevat als men in het bezit is van de graad van ‘élève-universitaire’. Deze graad kunnen aspirant-studenten behalen door een proef af te leggen. Het biedt universiteiten een soort kwaliteitsgarantie wat betreft de eerstejaarsstudenten, die vaak een uiteenlopende middelbare scholing hebben doorlopen.

Getuigschrift van volledige humaniora

Eenmaal de eerste generatie jongens afstudeert aan de middelbare scholen opgericht na de wet van 1850, biedt het humanioradiploma op zich voldoende garanties op het niveau van de kandidaat-student en wordt de proef afgeschaft. De wet van 1857 reguleert de praktijksituatie en bepaalt dat voor de toelating tot de universiteit een getuigschrift van het volledige humaniora volstaat. Tien jaar later (1867) wordt de ingangsproef toch opnieuw ingevoerd als extra kwaliteitscontrole, nu onder de titel van ‘gradué en lettres’. Omdat er in deze periode nog geen middelbaar onderwijs voor meisjes bestaat, is het voor hen überhaupt onmogelijk een humanioradiploma voor te leggen, ergo om universitaire studies aan te vangen. Als de overheid in 1876 alle toelatingsproeven en voorwaarden afschaft, is dat dus goed nieuws voor alle jonge vrouwen die dromen van hoger onderwijs.

Emma Leclercq en Sidonie Verhelst

De vermetele onderwijzeres Emma Leclercq is de eerste om zich in 1880 aan de Université Libre de Bruxelles aan te bieden voor de studies natuurwetenschappen. Het jaar daarop ontvangt de Luikse universiteit haar eerste studentin en in 1882 is het de beurt aan Gent: de 23-jarige onderwijzeres Sidonie Verhelst meldt zich aan voor de opleiding natuurwetenschappen. De Gentse kruideniersdochter zorgt voor heel wat beroering op de auditoriumbanken. Ondanks haar geïsoleerde plek op de eerste rij moeten de lessen herhaaldelijk worden onderbroken om de rust te herstellen. De heren stoppen haar voortdurend briefjes toe en als een Roemeense student te dicht bij haar wil plaatsnemen, komt het tot een handgemeen tussen de studenten. Hoewel ze onderscheiding behaalt, stopt Sidonie Verhelst met studeren na haar kandidatuursjaren. Zo is het Emma Leclercq, die zich na haar kandidatuur aan de ULB in 1883 inschreef aan de Gentse universiteit, die de geschiedenis ingaat als de eerste Belgische vrouw met een doctoraatsdiploma. (Tot 1929 is het doctoraat het equivalent van het licentiaat of de master.) Na deze twee pioniers zet een twintigtal jonge vrouwen de stap naar hogere studies in Gent. Maar een nieuwe wet zal de volgende generatie de pas afsnijden.

De wet van 1890 sluit de poorten opnieuw

De wet van 1876 heeft de universitaire poorten wagenwijd opengegooid maar krijgt felle kritiek: jongelingen verlaten voortijdig het middelbaar onderwijs, de kwaliteit van het academisch onderwijs daalt en het aantal studenten verdubbelt met een overschot aan universitair gediplomeerden als gevolg. De overheid reageert met de wet van 1890, die stelt dat het diploma van de klassieke humaniora de enige toegangsvoorwaarde wordt voor de universiteit. Aangezien er nog altijd geen volwaardige middelbare opleiding voor meisjes bestaat, neemt de wet hen de kans om te studeren af en dat laat zich onmiddellijk zien in de inschrijvingscijfers.

De kweekschool voor studentinnen

De wetgever voorziet als achterpoortje in de wet van 1890 dat wie geen humanioragetuigschrift kan voorleggen zich voor een centrale jury mag aanbieden. Het is in dit kader dat Isabelle Gatti de Gamond in 1892 in Brussel haar drie jaar durende lessencyclus inricht. Het ‘Athenée de Jeunes filles’ dat in 1907 wordt opgericht door Rosa de Guchtenaere biedt uitzonderlijk wel een klassieke humaniora voor meisjes. Slechts via de privé-initiatieven van deze Belgische feministes kunnen meisjes zich goed voorbereid inschrijven aan de universiteit. In 1912 stroomt een eerste lichting humaniorastudentes van het Gentse meisjesatheneum door naar de universiteit. Maar de opstoot van vrouwen aan de universiteit wordt snel weer gestuit door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de opening van de Duitsgezinde Vlaamsche Hoogeschool. Enkele studentes kunnen aan de slag met hun kandidaatsdiploma en een paar zullen hun studies hervatten na de wapenstilstand, maar de meesten haken af.

De aantrekkingskracht van de nieuwe instituten

Vlak na de eeuwwisseling zorgt de oprichting van Scholen en Instituten verbonden aan de faculteiten voor extra studiemogelijkheden voor vrouwen. Om zich in te schrijven aan de Hogere Handelsschool (1906), het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding (HILO, 1908), het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (HIKO, 1920) en het Hoger Instituut voor Opvoedkundige Wetenschappen (HIOW, 1927) is een gehomologeerd humanioradiploma niet noodzakelijk, maar volstaat het een toelatingsproef af te leggen. Het HILO zorgt in 1919 voor een primeur door een vrouwelijke docente te benoemen: Irène van der Bracht geeft Bijzondere methodeleer van de gymnastiek aan de vrouwelijke studenten en zal in 1925 de eerste vrouwelijke Gentse hoogleraar worden. Het HIOW is dan weer het populairste instituut bij de studentinnen en dat heeft alles te maken met de beroepsmogelijkheden in het onderwijs.

1954 en 1964

Na de Tweede Wereldoorlog wordt de overheid geconfronteerd met een tot dan toe ongekend probleem: er zijn te weinig hoger opgeleiden. Na decennia van maatregelen die de toegang tot de universiteit bemoeilijkt hebben, wisselt de overheid het geweer van schouder en zet ze de deuren van het hoger onderwijs wagenwijd open. Dat doet ze in 1954 met de oprichting van een Nationaal Studiefonds. Voortaan is ‘uitmuntendheid’ niet langer het hoofdcriterium om van een studiebeurs te kunnen genieten. De impact van de hervorming is onmiddellijk en totaal: de universiteiten worden overspoeld door studenten. In het academiejaar 1954-55 schrijven zich in Gent drieduizend studenten in, vier jaar later zijn dat er vierduizend. De stijging van het studentenaantal wordt nog eens extra gestimuleerd door de Omnivalentiewet van 1964. Die schaft het klassieke humanioradiploma als toelatingsvoorwaarde af: ook wie handel of moderne studeerde en succesvol het maturiteitsexamen aflegt, kan zich inschrijven aan de universiteit.

 3. Laatste hindernis: de beroepsuitwegen

Zelfs als vrouwen de hindernissen van het middelbaar onderwijs en de toelatingsvoorwaarden overwinnen, zijn universitaire studies geen vanzelfsprekendheid: wat moet een vrouw immers met een diploma? Lange tijd is haar enige beroepsuitweg het onderwijs, maar zolang er geen middelbare meisjesscholen zijn, is er ook geen vraag naar academisch geschoolde leerkrachten. Het debat over de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt wordt zeer expliciet gevoerd in de geneeskunde en de advocatuur. Maar het zijn zeker niet de enige sectoren waar vrouwen geweerd worden: het notariaat en de staatsfuncties bijvoorbeeld blijven tot na de Tweede Wereldoorlog ontoegankelijk voor vrouwen.

Geneeskunde

Dat het debat over de beroepsmogelijkheden voor vrouwen voor het eerst wordt gevoerd in de medische sector is niet onlogisch. Daar zijn reeds bekwame verpleegsters en vroedvrouwen aan het werk en de sector apprecieert de opvoedende en zorgende kwaliteiten die met vrouwen worden geassocieerd. Het pleidooi van de liberale volksvertegenwoordiger Eudore Pirmez om bepaalde medische beroepen open te stellen voor vrouwen botst in 1875 nog op een njet van de universiteiten maar vijftien jaar later geeft de wet van 1890 vrouwen wél de toestemming zich als arts of apotheker te vestigen.

Bertha De Vriese

De zestienjarige Bertha De Vriese, dochter van de Gentse liberale uitgever Lodewijk De Vriese, dient zich in 1893 als eerste aan voor studies in de geneeskunde. Door de privélessen die ze kreeg, passeert ze met succes de Centrale Jury en kan ze zich aan de Gentse universiteit inschrijven. Zeven jaar later studeert Bertha De Vriese met grote onderscheiding af. Ze is niet alleen de eerste vrouwelijke Gentse arts, De Vriese is ook de eerste vrouw die een universitaire wedstrijd wint en in die hoedanigheid de eerste vrouw die de Aula van de universiteit toespreekt. Ze moet er de Gentse burgemeester Emiel Braun trotseren die zich in zijn toespraak vragen stelt bij de nefaste concurrentie voor de mannelijke artsen. De briljante De Vriese zet haar opeenstapeling van primeurs onverstoord verder door in 1902 de eerste vrouwelijke assistente te worden bij de Gentse anatoom Hector Leboucq – enkele van haar preparaten zullen de 20ste eeuw trouwens overleven. Bertha De Vriese ambieert een academische loopbaan maar dat blijkt een brug te ver: het professoraat wordt haar geweigerd en ze wordt diensthoofd van de kinderkliniek van de Bijloke.

Advocatuur

Een ander symboolberoep waar vrouwen maar moeilijk toegang toe krijgen is dat van advocaat. Het kan toch niet dat kwetsbare vrouwen worden blootgesteld aan gewelddadige criminelen? In 1888 wordt het Marie Popelin, in 1888 afgestuurd aan de ULB als doctor in de rechten, geweigerd de eed van advocaat af te leggen. Het duurt nog tot 1922 vooraleer de wetgeving wordt aangepast en vrouwen de advocatentoga mogen aantrekken. De Gentse Madeleine Schauvliege, een leerlinge van het Athenée de Jeunes Filles die in 1912 de eerste kandidatuur rechten aanving en na de oorlog verder studeert, kan door de nieuwe wetgeving na haar afstuderen in 1922 onmiddellijk aan de slag aan de Gentse balie.

Vrouwen aan de haard ten tijde van economische crisis

In de jaren 1930 wordt België getroffen door de economische wereldcrisis met als gevolg een enorme werkloosheid onder de bevolking. De overheid redeneert dat vrouwen het werk afnemen van mannen en neemt daarom maatregelen om hen dichter bij de haard te houden. Vrouwenarbeid wordt aan banden gelegd door staatsfuncties voor te behouden aan mannen (1934), het aantal gehuwde en ongehuwde vrouwen in industriële en handelsondernemingen proportioneel vast te leggen (1934) en de uitkering van de werkloze mannen met een werkende vrouw met 25% te verminderen (1935). Het zijn ongunstige tijden voor jonge vrouwen die willen studeren en een loopbaan uitbouwen. De overheid maakt het hen extra moeilijk door te sleutelen aan de studieduur binnen de 'vrouwaantrekkelijke' instituten. In het HILO worden in 1931 drie kandidaturen geneeskunde geëist vooraleer men de opleiding kan starten. De studieduur wordt naar vier jaar gebracht in respectievelijk de Bijzondere Handelsschool (1934), het HIOW (1937), het HIKO en het HILO (beiden 1942). Bovendien kunnen de nieuwe opleidingen tot tandarts (1929), dierenarts (1934) en criminoloog (1938) nauwelijks vrouwen aantrekken. Pas in 1936 promoveert de eerste (en voor WOII de enige) vrouwelijke tandarts en in 1954 (!) de eerste vrouwelijke dierenarts.

 4. Vrouwelijke studenten in cijfers

99 pioniers

Tussen 1882 en 1914 schrijven zich in totaal 99 jonge vrouwen in aan de Gentse universiteit. Daarvan hebben er 77 de Belgische nationaliteit, waarvan er zestig ingeschreven zijn als regelmatige student. De andere zeventien volgen cursussen als toehoorster en ambiëren geen universitair diploma. De negatieve invloed van de wet van 1890, die het humanioradiploma verplicht als toegangsvoorwaarde, is duidelijk af te lezen in de grafieken: tussen 1882 en 1890 schrijven zich 21 vrouwen in, in het daarop volgende decennium zijn dat er slechts drie. Ook de mannelijke studenten worden getroffen door de wet, maar hun aantal herstelt zich al vanaf 1895. Bij de vrouwen is er pas vanaf 1902 een stijging waar te nemen, met aan de basis hoofdzakelijk de toename van buitenlandse studentes. Voor de regelmatig ingeschreven Belgische studentes situeert de doorbraak zich pas in 1912: dan levert het Gentse ‘Athenée de jeunes filles’ zijn eerste lichting vrouwelijke studenten aan de universiteit. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telt de Gentse universiteit 28 vrouwelijke studenten - dat is 2,1% van de totale populatie van 1315 studenten.
De Vlaamsche Hoogeschool, de Nederlandstalige universiteit onder voogdij van de bezetter, trekt tussen 1916 en voorjaar 1918 512 studenten aan. Daartoe behoren 31 vrouwen, maar slechts drie zijn regelmatig ingeschreven studentes. Niemand behaalde een einddiploma aangezien de von Bissung-universiteit slechts twee volle academiejaren bestond.

De jaren 1920: de Gentse burgerdochters verlaten de universiteit

Tussen 1919 en de vernederlandsing in 1930 telt de universiteit 400 inschrijvingen van vrouwen, waarvan 83 buitenlandse. Van de Belgische studentes zijn er slechts 207 regelmatige studenten, 110 zijn vrije studentes. Die laatste komen naar de universiteit om hun culturele vorming te vervolmaken maar ambiëren geen diploma of beroep. De opvallende terugval van het aantal meisjes in het midden van de jaren 1920, van 7,23% naar 4,75% t.o.v. de totale studentenbevolking, is te wijten aan het verlies van deze vrije studentes. In 1923 wordt de Gentse universiteit immers tweetalig en dat is zeer tegen de zin van de Franstalige bourgeoisie. Het is net uit dat milieu dat veel vrije studentes afkomstig zijn. Bij de installatie van het tweetalig Nolf-regime in 1923/24 maken de dochters van de Gentse bourgeoisie de overstap naar de ‘Ecole des Hautes Etudes’, een francofiele privé-instelling die voor elke Nederlandstalige cursus aan de Gentse universiteit een Franstalige parallelcursus aanbiedt. Het aandeel regelmatig ingeschreven studentes aan de Gentse universiteit stijgt wél gedurende de volledige jaren 1920, met in 1928/29 een hoogtepunt van 69 vrouwen. De vrouwen schrijven zich bovendien, ondanks de boycot van de Vlaamse studentenverenigingen, allemaal in in het Nederlandstalige stelsel.

De jaren 1930: de vernederlandsing en de economische crisis gaan aan de vrouwen voorbij

In de geschiedenis van de Gentse universiteit is 1930 een scharnierjaar: de instelling wordt vernederlandst, verliest een derde van haar studentenpopulatie door de economische wereldcrisis en draagt de gevolgen van de anticrisismaatregelen van de Belgische overheid. Het is dus des te opmerkelijker dat het aantal vrouwelijke studenten onverstoord zijn gestage stijging verder zet. Dat komt enerzijds omdat vrouwen sowieso nauwelijks aanwezig zijn in de Technische Scholen, waar de meest spectaculaire daling van het aantal studenten plaatsvindt door het wegblijven van de buitenlandse studenten. Anderzijds heeft ook de vernederlandsing nauwelijks impact op het aantal vrouwelijke studenten omdat de dochters van de Gentse bourgeoisie de universiteit al hebben verlaten in 1923. Wat de impact van de vrouwonvriendelijke anticrisismaatregelen betreft, kan verondersteld worden dat het aantal vrouwen aan de universiteit misschien nog wat sneller was gestegen, mochten die maatregelen er niet geweest zijn.

Tweede Wereldoorlog

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog is de vrouwelijke aanwezigheid aan de Gentse universiteit gestegen tot 14% van de totale studentenpopulatie. Tijdens de oorlog blijft de universiteit gewoon open en ze trekt in 1942/43 een recordaantal mannen en vrouwen aan. Dat is te verklaren doordat Gent de studenten van de ULB opvangt – de Brusselse universiteit werd gesloten door de bezetter – en anderzijds omdat de jongeren via hun inschrijving proberen te ontsnappen aan de verplichte tewerkstelling. Het jaar daarop dwingt de bezetter schoolverlaters tot een jaar tewerkstelling vóór ze hoger onderwijs aanvatten en dat laat zich aflezen in de plotse daling van het studentenaantal in 1943/44.

Stroomversnelling

Vlak na de Tweede Wereldoorlog stabiliseert de studentenpopulatie zich tot een 2000-tal, onder wie 13% studentes. De definitieve doorbraak van de vrouwelijke studenten komt er met de oprichting van het Nationaal Studiefonds in 1954. De hervorming van het studiebeurzensysteem geeft veel meer jongeren de kans om te studeren en dat laat zich zien in de cijfers: op 15 jaar tijd vervierdubbelt de totale studentenpopulatie van de Gentse universiteit. In 1971-72 schrijft er zich een recordaantal van 12.793 studenten in. Deze evolutie staat geboekstaafd als de ‘democratisering’ van het hoger onderwijs: behalve vrouwen vinden ook kinderen uit arbeiders- en plattelandsgezinnen de weg naar de universiteit. De vrouwelijke studenten gaan er niet alleen numeriek exponentieel op vooruit, ook de verhouding t.o.v. het aantal mannen stijgt elk jaar met ongeveer één procent (17% in 1960, 27% in 1970; 36% in 1980; 45% in 1990).

Erop en erover

De stijging van het aantal studenten in het laatste kwartaal van de 20ste eeuw is quasi volledig op naam van de vrouwelijke studenten te schrijven. Tussen 1970 en 1990 blijft het aantal mannelijke studenten stabiel rond de 8500. Het aantal vrouwen daarentegen verdubbelt nog: van 3260 in 1970/71 tot 7381 in 1991/92. Vanaf het academiejaar 1995/96 zijn er meer vrouwen dan mannen aan de UGent en vandaag is de verhouding 57/43% in het voordeel van de vrouwen: dat betekent dat de vrouwen de mannen overklassen met 4.000 studenten!

 5. Studiekeuze

De eerste generatie kiest voor farmacie

De studiekeuze van de eerste studentes heeft weinig te maken met hun talenten of interesses. Ze kiezen een richting waar ze met hun beperkte middelbare opleiding de grootste slaagkans hebben en waarvan het diploma een beroepsuitweg biedt. Farmaceutische wetenschappen blijken de beste keuze te zijn: in die studierichting is de kennis van het Grieks of het Latijn niet vereist, met een duur van drie jaar is het de kortste opleiding en het beroep kan thuis uitgeoefend worden. Ida Huys is in 1887 de eerste die in Gent als apothekeres afstudeert en ze vestigt haar zaak in de Vlaanderenstraat. Zeventien andere meisjes volgen kort daarop haar voorbeeld. (Daartegenover staan slechts vier inschrijvingen in de natuurwetenschappen, de enige andere richting waar meisjes terug te vinden zijn.) Dat de studies niet gemakkelijk zijn voor deze generatie vrouwen bewijst hun traject: de meesten hebben vier tot zes jaar nodig om te promoveren. De wet van 1890 maakt een eind aan de successtory: het humanioradiploma wordt een noodzakelijke toelatingsvoorwaarde en de studieduur wordt tot vijf jaar verlengd. Het zal duren tot het begin van de 20ste eeuw eer jonge vrouwen opnieuw interesse tonen in de farmaceutische wetenschappen, maar hun aandeel zal nooit meer zo groot zijn als in de beginperiode.

Lichamelijke opvoeding biedt een uitweg uit de strenge toelatingsvoorwaarden

Behalve een paar dappere enkelingen die de zeven jaar durende geneeskundestudies aanvatten, is het rond de eeuwwisseling maar pover gesteld met de vrouwelijke aanwezigheid aan de universiteit. Een nieuwe ‘boost’ komt er met de oprichting van het Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding (HILO) in 1908: de enige toelatingsvoorwaarde is het succesvol afleggen van een proef en de studieduur bedraagt slechts drie jaar. Vóór 1914 schrijven zich zeven studentes in. Een van hen is Irène van de Bracht. Zij zal in 1919 de eerste vrouwelijke docente worden van de Gentse universiteit: ze geeft het praktijkvak Bijzondere methodeleer van de gymnastiek aan de vrouwelijke studenten. In 1925 bevestigt ze haar academische carrière met het hoogleraarschap.

Letteren & Wijsbegeerte weinig populair

De faculteit Letteren moet wachten tot na de Eerste Wereldoorlog om haar eerste generatie vrouwen te ontvangen. Dat de vrouwen de faculteit zo lang links laten liggen, hoeft niet te verwonderen: de richtingen Germaanse, Romaanse of klassieke talen – opleidingen die in de 20ste eeuw uitgroeien tot typische ‘meisjesopleidingen’ – bieden geen enkele beroepsuitweg aangezien de grootst mogelijke afnemer, het middelbaar onderwijs, nog niet bestaat voor meisjes. Als na de Eerste Wereldoorlog vrouwen aan de faculteit komen studeren, is dat voor de helft van hen aan een van de twee instituten verbonden aan de faculteit: het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis- en Oudheidkunde (HIKO, opgericht in 1920) en het Hoger Instituut voor Opvoedkundige Wetenschappen (HIOW, opgericht in 1927). Opnieuw is de studieduur van drie jaar een belangrijke factor. Maar ook de soepele uurregeling, met cursussen die na 16 uur en tijdens de zaterdagmiddag worden gedoceerd, is aantrekkelijk voor de studentes. Het zijn immers vaak jonge onderwijzeressen en regentessen die met het bijkomend diploma meer loopbaanmogelijkheden verwachten.

In de jaren 1920 spreiden de vrouwelijke studenten zich verder uit

De jaren 1920 worden gekenmerkt door een langzame maar algemene heropstanding van de vrouwelijke aanwezigheid aan de universiteit. Studentes maken een stevige 5% uit van de studentenpopulatie en hoewel ze nog niet in alle studierichtingen aanwezig zijn, zijn ze toch al doorgedrongen tot alle faculteiten. Daarmee zijn de vrouwen van hun uitzonderingsstatus verlost. De faculteiten Geneeskunde en Wetenschappen blijven het populairst.

Leerkrachten voor het middelbaar meisjesonderwijs

Na 1930 doet zich de omgekeerde beweging voor: de studies in de letteren krijgen de bovenhand. Het zijn typische richtingen die leiden naar het leraarsambt, een duidelijk vrouwelijk beroep én een beroep dat ontsnapt aan de vrouwonvriendelijke anticrisismaatregelen van de overheid. Vooral de Germaanse filologie scoort enorm goed. Door de wet op het taalgebruik in het middelbaar onderwijs is de vraag naar geschoolde Nederlandstalige leerkrachten groot en de Gentse universiteit oefent als enige vernederlandste universiteit een grote aantrekkingskracht uit. In de wetenschappelijke faculteiten blijven de farmaceutische wetenschappen nog altijd het best scoren. De faculteit Recht en Criminologie bekleedt de derde plaats, een verdienste die ook de Bijzondere Handelsschool toekomt: het ruime aanbod aan moderne talen en de algemene vorming in die richting spreekt de vrouwelijke studenten aan. Enkel in de faculteit Wetenschappen en in de ingenieursopleiding blijven de vrouwen dun gezaaid.

Studiekeuze na WOII

Het naoorlogs academisch landschap wordt met alle instituten, scholen en centra zo uitgebreid en complex dat het quasi onmogelijk is om een grondige analyse te maken van de studiekeuze van de studentes op het niveau van de opleidingen. De facultaire spreiding van de vrouwelijke studenten wijst op de belangrijkste evoluties tussen 1945 en 2010

De belangrijkste vaststelling is dat er ondanks het globale evenwicht tussen de seksen dat in de 20ste eeuw werd bereikt, grote genderverschillen zijn tussen de faculteiten onderling. De verschillende studievoorkeur van mannen en vrouwen staat in de literatuur gekend als horizontale segregatie: de onevenredige verdeling van aantallen mannen en vrouwen – te beginnen bij de studenten – over de verschillende studierichtingen.

  • In drie van de vier uitgesproken mannelijke faculteiten (>95%) in 1945, namelijk Recht en Criminologie, Bio-ingenieurswetenschappen (Landbouwhogeschool) en Diergeneeskunde (Veeartsenijschool), is de genderongelijkheid in de 2de helft van de 20ste eeuw volledig rechtgetrokken. In de faculteit Diergeneeskunde is de slinger zelfs helemaal doorgeslagen naar de andere kant en zijn vrouwen met 70% duidelijk in de meerderheid. Enkel de faculteit Ingenieurswetenschappen blijft een uitgesproken mannelijk profiel hebben: slechts één op de vijf studenten is een vrouw.
  • De ‘vrouwelijkste’ faculteiten zijn die van de Pedagogische en Psychologische Wetenschappen (80% vrouwen) en van de Farmaceutische Wetenschappen (73% vrouwen): twee nieuwe faculteiten waarvan de historische voorlopers ook al zeer populair waren bij vrouwen en die het cliché van de zorgende en opvoedende vrouw bevestigen. Deze faculteiten worden in hun vrouwelijkheid op de voet gevolgd door de faculteit Geneeskunde (65% vrouwen) en de faculteit Diergeneeskunde (70% vrouwen).
  • De faculteiten Letteren en Wijsbegeerte en Recht en Criminologie weerspiegelen de gemiddelde situatie aan de universiteit met 60% vrouwen en 40% mannen. In de Letteren & Wijsbegeerte is die verhouding de laatste 40 jaar nauwelijks gewijzigd, een uitzonderlijke non-evolutie. De faculteiten Wetenschappen en Economische Wetenschappen vertonen een omgekeerde verhouding met 40% vrouwen en 60% mannen.
  • Enkel aan de faculteiten Politieke en Sociale Wetenschappen en Bio-ingenieurswetenschappen studeren evenveel mannen als vrouwen op de auditoriumbanken.

Hoewel er dus op basis van het totaal aantal studenten geconcludeerd zou kunnen worden dat er anno 1995 geen verschillen meer zijn tussen mannelijke en vrouwelijke studenten, geven de cijfers per faculteit een heel ander beeld. Terwijl het verschil in aantal mannelijke en vrouwelijke studenten aan de universiteit vanaf de jaren 1970 werd weggewerkt, werden de genderverschillen tussen de faculteiten onderling groter.

 6. Afkomst

1882-1914: de pioniers zijn middenstandsdochters

Het is opvallend dat de vrouwelijke participatie aan hoger onderwijs vooral een uitdrukking is van de aspiraties van de middenklasse. De eerste studentes komen overwegend uit het onderwijzend milieu, de ambachtelijke sector en de bediendeklasse. Het zijn die milieus waar ouders zich zorgen maken over de zelfstandigheid van hun dochters, vooral als zij ongehuwd blijven of weduwe worden. Omdat sociale voorzieningen onbestaand zijn en het aan ouderlijk kapitaal ontbreekt, investeert de middenklasse in intellectueel kapitaal door hun dochters te laten studeren. Zo kunnen ze een beroep uitoefenen en in hun eigen levensonderhoud voorzien waardoor ze beschermd en onafhankelijk zijn tegenover hun echtgenoot. In de hogere burgerlijke kringen bestaat die financiële bekommernis niet en worden dochters in de eerste plaats opgeleid tot goede echtgenotes en moeders. Dochters uit arbeiders- of landbouwersgezinnen zijn in de 19de eeuw volledig afwezig aan de universiteit. Hun inhaalbeweging zal er pas komen in de democratiseringsgolf in de tweede helft van de 20ste eeuw.

1918-1940: burgerdochters doen hun intrede

Wereldoorlog I brengt een kleine verschuiving teweeg in de samenstelling van de vrouwelijke studenten. De universiteit blijft haar vrouwelijk publiek nog altijd overwegend rekruteren uit de intellectuele middenklasse: het percentage meisjes uit het ambtenarenmilieu bedraagt 32%, gevolgd door de onderwijskringen met 20%. Ook de handelaars en zelfstandige ambachtslieden scoren nog betrekkelijk goed met 10%. Die dochters kiezen overwegend voor richtingen als farmacie of filologie. Maar ook de groep van de universiteitsgediplomeerde burgerij (de vrije beroepen) en de niet-universiteitsgediplomeerde burgerij (nijveraars, industriëlen, fabrikanten) sturen vanaf nu – zij het nog met mondjesmaat – hun dochters naar de universiteit. Deze burgerdochters volgen overwegend geneeskunde- of rechtenstudies: studies die een hogere sociale waardering genieten. Opvallend is dat de opleiding in de kunstwetenschappen zeer populair is bij studentes afkomstig uit de hogere burgerij. In die kringen wordt het als een pluspunt ervaren dat de toekomstige echtgenote over een uitgebreide en gediplomeerde culturele bagage beschikt. Omdat het geen doelstelling is om een beroep uit te oefenen, zie je in dit segment van de vrouwelijke studenten opvallend veel ‘vrije’ studenten: studenten die wel lessen bijwonen maar geen diploma nastreven.

1945-...: de trage democratisering

Tot het midden van de 20ste eeuw zijn meisjes uit een arbeiders- of landbouwersgezinnen slechts sporadisch ingeschreven aan de universiteit. Deze milieus zijn het minst bereid te investeren in een hogere scholarisatie omdat de studiekosten zwaar doorwegen op het gezinsbudget. Studeren wordt als geldverspilling beschouwd: de dochters hebben een toekomst als arbeidster of landbouwster voor de boeg of zullen na hun huwelijk nooit een beroep uitoefenen. Pas met de oprichting van het Nationaal Studiefonds in 1954 wordt de deelname aan hogere studies voor jongens én meisjes uit alle klassen gestimuleerd. Anno 2010 is duidelijk vooral zonen en dochters uit allochtone gezinnen nog altijd zeer moeilijk de weg vinden naar het hoger onderwijs. De diversiteitsproblematiek blijft daarom op de agenda van politici, beleidsmakers en hogere onderwijsinstellingen staan.

7. Integratie van de studentes in de mannelijke universiteit

Hoe de opeenvolgende generaties vrouwelijke studenten worden ontvangen door de mannen aan de universiteit is het onderwerp van mondelinge interviews die de voorbije dertig jaar werden afgenomen bij vrouwelijke alumni en personeelsleden. Over het algemeen geldt dat de relatie tussen mannen en vrouwen aan de 19de en vroeg 20ste-eeuwse universiteit, analoog aan de omgangsvormen van de midden- en hogere bevolkingsklassen, erg afstandelijk en hoffelijk is. Omdat die hoffelijkheid inherent is aan de conventies van de studenten en professoren van de burgerlijke universiteit, hoeft de academische overheid nooit expliciet gepaste omgangsvormen tussen mannen en vrouwen te reguleren.

Mannelijke studenten tussen argwaan en idolatrie

In de beginjaren schijnen de mannelijke studenten eerder vijandig gestaan te hebben tegenover hun vrouwelijke studiegenoten. Enerzijds uit vrees voor concurrentie in het latere beroepsleven, anderzijds omdat ze het niet betamelijk vinden dat vrouwen studeren en de maatschappij over het algemeen argwanend staat tegenover intelligente vrouwen. Tijdens het interbellum verliezen de vrouwelijke studenten hun uitzonderingsstatus en wordt de relatie met de mannelijke studenten gemoedelijker, zij het wel zeer gereserveerd en hoffelijk. Men spreekt elkaar niet aan bij de voornaam maar met ‘Monsieur’ of ‘Mademoiselle’. De vijandelijkheid is verdwenen maar de argwaan blijft: veel studenten betichten er hun vrouwelijke collega’s van enkel op zoek te zijn naar een echtgenoot. Tegenover de scepsis staat dat veel mannelijke studenten de vrouwelijke op een voetstuk plaatsen en adoreren. Zo gebeurt het wel eens dat vrouwen bij het binnenkomen in het auditorium worden begroet door enthousiast handgeklap. Uit angst voor opdringerige studenten en romances, worden de vrouwen nauwlettend afgeschermd door hun ouders en hoogleraren. Studentes verzamelen voor de les in de wachtkamer van de docent waar ze hun jas en hoed uitdoen alvorens ze ‘en file indienne’ naar het auditorium worden begeleid.

Hoogleraren houden afstand

Ook de hoogleraren moeten wennen aan de vrouwelijke aanwezigheid in hun leslokalen. Behalve hier en daar wat gemopper en een misplaatste opmerking over kookpotten, gedragen de hoogleraren zich correct en minstens even afstandelijk dan tegenover hun mannelijke medestudenten. Zoals het past in de tijd en zeden, bekommeren de hoogleraren zich wel om het welzijn en de veiligheid van hun vrouwelijke studenten. Zo escorteert de hoogleraar astronomie na de (avond)les zijn studentes naar huis en scheiden de professoren mannen en vrouwen in hun auditorium. Die hoffelijkheid betekent niet dat vrouwen kunnen rekenen op een voorkeursbehandeling. Ze hebben integendeel over het algemeen de indruk zich dubbel zo hard te moeten bewijzen, vooral in de het mannenbastion van de ingenieursopleiding. In de medische faculteit worden vrouwen enkel vrijgesteld van het sonderen van de mannelijke patiënten. 

'De juffrouwen vooraan'

Een legendarische praktijk die mannen en vrouwen van elkaar scheidt, is de ‘meisjesrij’: vrouwelijke studenten nemen altijd plaats op de eerste rij van het leslokaal en de volgende rij blijft als buffer tussen dames en heren onbezet. Aanvankelijk is het een regel die de vrouwelijke studenten moet beschermen tegen het uitbundige studentenheerschap en een manier om het contact tussen beide te minimaliseren maar de rij groeit al snel uit tot een gewoonte waar niemand echt bij stil staat. In de seminaries en laboratoria waar de groepen veel kleiner zijn, gaan mannen en vrouwen bijvoorbeeld wel gemengd aan de slag. Vrouwen merken bovendien op dat die eerste rij ook wel gemakkelijk is: het verzekert hen van een plek in de vaak overvolle auditoria en schermt hen af van al te luidruchtige en ontuchtige jongens. De gewoonte van de meisjesrijen blijft in sommige faculteiten tot na de Tweede Wereldoorlog bestaan maar wordt niet overgenomen in de nieuwe opleidingen en instituten, zoals in de Hogere Handelsschool, het HILO of het HIOW. De strijd om de vernederlandsing van de universiteit in de jaren 1920 maakt voor een tijdje die scheiding der seksen ongedaan. Fransgezinde mannen en vrouwen gaan samen zitten boven of onderaan het auditorium, de Vlaamsgezinden doen hetzelfde. Het is echter maar een tijdelijk fenomeen. Na de vernederlandsing in 1930 komen de meisjesrijen terug om te blijven tot in de jaren 1960.

Tweede Wereldoorlog verzacht de zeden

De oorlogsjaren met alle extra regels en economische en financiële moeilijkheden brengen de mannen en vrouwen aan de universiteit paradoxaal genoeg dichter bij elkaar. Het lot dat ze delen lijkt de relaties te ontspannen en de vriendschappen te verstevigen. Een belangrijke factor is dat deze generatie ook in het middelbaar onderwijs op gemengde schoolbanken heeft gezeten. Als na de Tweede Wereldoorlog het aantal vrouwelijke studenten verhoudingsgewijs verder stijgt, normaliseren ook de relaties met hun mannelijke medestudenten verder. De galanterie van de mannelijke studenten is evenwel hardnekkig. Zo zullen hun studiegenotes ’s avonds nooit alleen naar huis moeten, maar steeds kunnen rekenen op een vriend om hen te escorteren

Studentenverenigingen

Vrouwelijke studenten nemen in de beginperiode weinig deel aan het studentikoze verenigingsleven. De strenge ouderlijke controle verhindert een lidmaatschap van een studentenverenigingen. Aanvankelijk stichten de studentes een eigen ‘Société’ met als voornaamste activiteiten uitstappen en voordrachten. De interesse voor cultuur is een constante in de hele 20ste eeuw. Op de episode van de strijd om de vernederlandsing na tonen studentes amper belangstelling voor politiek engagement en de schrikwekkende braspartijen van de traditionele studentenclubs kan hen weinig bekoren. Het is pas in de jaren 1930, met de oprichting van de faculteitskringen, dat vrouwen en mannen samen in het verenigingsleven actief worden. Opmerkelijk is dat vrouwen wel bestuursfuncties opnemen, maar zelden aan het hoofd staan van een studentenvereniging: ze zijn meestal secretaresse, penningmeesteres of ondervoorzitter. Die rolverdeling blijft trouwens tot op de dag van vandaag bestaan: slechts 1 op 4 studentenvoorzitters is een vrouw.

Tweede feministische golf

Het proces van toenadering en gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen aan de UGent kent een eindpunt op het einde van de jaren 1960 en wordt passend gesymboliseerd door het verdwijnen van de meisjesrijen. Dat komt in de eerste plaats omdat vrouwelijke studenten nu 30% uitmaken van de totale studentenbevolking: een cruciale grens om niet meer te worden benaderd als minderheidsgroep: het is niet langer het vrouw-zijn dat de studentes onderscheidt van of verbindt met hun medestudenten maar wel hun opleiding, achtergrond, interesses, politieke voorkeur... Ten tweede loopt de eerste feministische golf op haar einde: vrouwen streden en kregen sinds het einde van de 19de eeuw wettelijk gelijke rechten op vlak van onderwijs, stemrecht en loon. De UGent heeft haar lijst van pioniers afgewerkt: de eerste studente (1882), de eerste assistente (1903), de eerste docente (1913) en de eerste gewoon hoogleraar (1965) (Hoewel het nog even wachten is op de eerste vrouwelijke decaan (1978)).

Mei '68

De tweede fase van het feminisme surft mee op de golf van de mei 68-beweging die zich verzet tegen de traditionele maatschappij en moraliteit. Nieuwe feministische verenigingen en organisaties pleiten voor de seksuele en financiële bevrijding van de vrouw. Aan de UGent verschijnen feministische en lesbische verenigingen zoals de Dolle Mina’s en worden pamfletten en voorlichtingsmagazines uitgedeeld. Mannelijke en vrouwelijke studenten trekken in 1974 samen ten strijde tegen de ‘sekscontroles’ in de studentenhomes – die zijn op dat moment nog gescheiden en nachtelijk bezoek wordt niet toegestaan – een laatste symbool van de paternalistische universiteit. Tevergeefs trouwens: de homes blijven gescheiden tot 1987 maar bezoekers zullen in de praktijk wel worden gedoogd.

 8. Glazen plafond

In 1995-1996 overschrijdt het aantal vrouwen dat zich inschrijft aan de UGent de kaap van 50% en in 2009 is hun aantal opgelopen tot 57% van het totale studentenaantal. Studentes halen bovendien betere resultaten dan hun mannelijke medestudenten en halen vaker de eindmeet. Sinds het kleine groepje 19de eeuwse feministes de weg naar hoger onderwijs voor vrouwen vrij maakte werd een immense weg afgelegd. Maar wie denkt dat het eindpunt bereikt is, leest beter nog even verder.

In 1990 werd het Centrum voor Genderstudies (toen nog RUG-Centrum voor Vrouwenstudies) opgericht. Dit centrum (o.l.v. prof. dr. Marysa Demoor) richtte colloquia en lezingen in en bracht meermaals de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de hoogste rangen van het ZAP-kader onder de aandacht van het universiteitsbestuur.

In de andere Vlaamse universiteiten zijn op dat moment gelijkaardige dynamieken aan de gang om de universiteit gendervriendelijker te maken.  oprichting van de VLIR-werkgroep Gelijke Kansen in 2002.

In 2004 wees de Vlaamse Interuniversitaire Raad in zijn tweede Gelijkekansenrapport op de ondervertegenwoordiging van vrouwen aan de top van de Vlaamse universiteiten en op het manifest ontbreken van beleidsinitiatieven om de genderproblematiek aan te pakken. Het Gentse universiteitsbestuur gaf daarop de opdracht aan het Centrum voor Genderstudies een m/v-beleid te initiëren met het project ‘UGender: Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen aan de UGent’. Dit project resulteerde in beleidsadviezen die werden goedgekeurd in de raad van bestuur. In 2007 publiceerde het Centrum haar rapport over de man-vrouwrelaties aan de UGent. Het plaatje oogt niet fraai... 

Sinds 1 oktober 2008 is de beleidscel Diversiteit en Gender operationeel teneinde het diversiteitsbeleid voor studenten en personeel aan de UGent op een actieve manier verder uit te bouwen en door middel van beleidsacties en gerichte projecten de aandacht te vestigen op het gender(on)evenwicht en diversiteitsthema’s. Onder de vleugels van deze beleidscel, die eind 2011 werd ingebed in de Directie Bestuurszaken, werd een aantal projecten opgestart die er vooral op gericht zijn de doorstroom van vrouwen in de academische loopbaan te bevorderen (zoals het mentoringproject voor onderzoekers, het onderzoek naar genderevenwichtige beslissingsorganen en de opstart van de gendertoets). Tevens werd er een statutaire beleidsmedewerker aangesteld. In 2012 richtte het universiteitsbestuur in het kader van het Strategisch Groeiplan vijf werkgroepen op. Op basis van het overleg binnen deze werkgroepen werden in 2013 een aantal projecten en acties, waaronder het Genderactieplan, goedgekeurd door de Stuurgroep Strategische Planning. Een aantal van de voorgestelde projecten en acties werden als transversaal aangemerkt, aangezien ze door meerdere werkgroepen werden naar voren geschoven en thema-overschrijdend waren. Dit betrof ook projecten en acties m.b.t. gender.

Op vraag van Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding Ingrid Lieten, werkte de VLIR-werkgroep in 2012 het Actieplan Gender Hoger Onderwijs uit. Het eerste beleidsplan Gender kwam er in 2012.

Het bijzonder decreet van 13 juli 2012, houdende de wijziging van het bijzonder decreet van 26 juni 1991, gaf een nieuwe impuls aan het structurele luik van het genderbeleid. Het bijzonder decreet bepaalt immers dat na 1 oktober 2013 de advies - en bestuursorganen van de UGent op het moment van de eerstvolgende vernieuwing genderevenwichtig moeten worden samengesteld. Een eerste belangrijke resultaat van het bijzonder decreet was de wijziging aan het kiesreglement voor de posities van vice-rector en rector, waarbij de Raad van Bestuur van de UGent maatregelen nam om binnen deze posities het genderevenwicht te waarborgen. Uit de goedkeuring van het Genderactieplan blijkt bovendien dat het universiteitsbestuur de meerwaarde van gendermainstreaming op alle niveaus erkent en het genderevenwicht aan de top als een eerste stap in een uitgebreid en structureel genderbeleid beschouwt.

Op het niveau van de VLIR richtten de rectoren in 2013 de High Level Task Force op en ondertekenden het interuniversitair charter voor een duurzaam genderbeleid aan de Vlaamse universiteiten. Het doel was om tot een gezamenlijke visie m.b.t. gendersensibilisering binnen de universiteiten. Begin 2013 lanceerden ze het VLIR Actieplan Gender. De doelstelling was om binnen elke instelling een effectief en structureel verankerd genderbeleid te voeren dat kan rekenen op een breed draagvlak en in te zetten op concrete acties die een duurzame cultuurverandering met zich mee zullen brengen. Op 17 januari 2014 keurde de RvB het genderbeleidsplan van de UGent goed.

In 2016 op 11 november lanceerde de UGent een eigen HeForShe-campagne.

 Wetenschappelijke carrière

  • Binnen de studentenpopulatie is er sprake van horizontale segregatie: vrouwen zijn oververtegenwoordigd in de ‘zachte’ wetenschappen, mannen in de ‘harde’ wetenschappen. Studentes nemen minder vaak de rol van studentenvertegenwoordiger op zich in de officiële raden van de UGent en in studentenverenigingen.
  • In 2003-04 is slechts een derde van de doctoraatsdiploma’s uitgereikt aan een vrouw. Dat is evenwel al een groot verschil met de situatie in 1984-1985 toen slechts 1 op 10 doctoraatsgraden werd uitgereikt aan een vrouw.
  • Niettegenstaande de grootste groep van afgestudeerden een vrouw is, is de meerderheid van de junior wetenschappelijke medewerkers aan de UGent een man. In verhouding starten meer mannen dan vrouwen aan een academische loopbaan. Er is dus een probleem van instroom.
  • Daarnaast is er een probleem van doorstroom: vrouwelijke wetenschappelijke medewerkers ‘verdwijnen’ bij elke stap omhoog op de academische ladder. Zo daalt op postdoctoraal niveau het percentage vrouwelijke wetenschappelijke medewerkers naar 36%, op ZAP-niveau (Zelfstandig Academisch Personeel) is nog slechts 16% een vrouw. Het hoogste percentage vrouwelijke professoren vinden we in de Letteren en Wijsbegeerte; in deze faculteit is 27% van het ZAP een vrouw. Het laagste aantal vrouwelijke professoren (slechts 6%) zien we in de Farmaceutische Wetenschappen, niettegenstaande 77% procent van de afgestudeerden in 2000/01-2004/05 een vrouw is.
  • In vergelijking met 10 jaar geleden stijgt het aandeel van vrouwelijke wetenschappelijke medewerkers in bijna alle wetenschappelijke statuten aan de UGent. Bij de wetenschappelijke top van de UGent echter zien we geen evolutie in de man-vrouw verhouding: op de hoogste sport van de academische ladder is sinds 1994 slechts 10% een vrouw.
  • Dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen niet louter een kwestie van tijd is, zien we binnen de jonge cohorten van het ZAP-kader: zo is slechts 22% van de professoren jonger dan 40 jaar een vrouw. De UGent heeft met andere woorden een dik glazen plafond. 

Bestuursorganen

  • Vrouwen zijn sterk ondervertegenwoordigd in de centrale en decentrale beslissingsorganen van de UGent. Vrouwen zijn vaker opvolgers dan effectieve leden. In de Raad van Bestuur is slechts 13% van de leden een vrouw en in het Bestuurscollege zetelt er met uitzondering van de secretaris geen enkele vrouw.
  • Sinds 2000/01 waren alle decanen aan de UGent mannen. Enkel in de Letteren en Wijsbegeerte, Recht en Criminologie en de Politieke en Sociale Wetenschappen waren er de voorbije 10 jaar vrouwelijke decanen.
  • In 2005 is 10% van de vakgroepvoorzitters aan de Universiteit Gent een vrouw.

Assisterend en Technisch Personeel

  • De man/vrouw verhouding bij het ATP is omgekeerd aan deze van het wetenschappelijk personeel: bij het ATP zijn vrouwelijke medewerkers in de meerderheid. Maar ook binnen het ATP is er sprake van verticale en horizontale segregatie. Vrouwen zijn sterk vertegenwoordigd in de lage functiegraden en -niveaus en werken in andere directies en faculteiten.
  • Daarnaast is er tevens sprake van contractsegregatie: vrouwen werken vaker dan mannen deeltijds en werken vaker op een (onzeker) contract van bepaalde duur.

Genderproblematiek?

Uit de enquête van het Centrum voor Genderstudies blijkt dat mannen zich niet bewust zijn van een genderproblematiek aan de UGent: de overgrote meerderheid van de mannelijke personeelsleden vindt dat mannen en vrouwen gelijk behandeld worden binnen hun vakgroep/afdeling en zijn van mening dat de competentie van mannen en vrouwen even hoog wordt ingeschat. Volgens vrouwen is er wel een genderproblematiek aan de UGent: een derde van de vrouwelijke ZAP-leden en de helft van de vrouwelijke postdocs zegt in vergelijking met hun mannelijke collega’s meer obstakels in hun loopbaan binnen de UGent te ervaren, een derde van de vrouwelijke ZAP’ers en postdocs heeft het gevoel dat hun geslacht invloed heeft op hun bevorderings- en doorstroomkansen en de helft van de vrouwelijke postdocs en ZAP’ers vindt dat mannen vaker dan vrouwen met gelijkaardige expertise gevraagd worden deel te nemen aan projecten en congressen. Ook op het vlak van combinatie werk en gezin en het gebruik van netwerken blijken genderverschillen te bestaan.

UGender

Een universiteit die de helft van haar potentieel niet gebruikt, verspilt wetenschappelijk talent. Gelijke kansenbeleid is daarom niet alleen een probleem van en voor vrouwen. Als strategie om tot een gelijkekansenbeleid te komen opteert het Centrum voor Genderstudies voor ‘gendermainstreaming'. Dat is het (re)organiseren, verbeteren, ontwikkelen en evalueren van beleidsprocessen op zo een manier dat een perspectief van gendergelijkheid wordt ingebouwd in het beleid op alle niveaus en in alle fases. Bij gendermainstreaming ligt de focus op het veranderen van structuren, systemen en culturen zodat vrouwen én mannen gelijke kansen hebben en voor beide een meerwaarde biedt.

Na het project UGender werd in oktober 2008 de centrale beleidscel Diversiteit en Gender opgericht. Zeven stafmedewerkers bouwen er het diversiteits- en genderbeleid van de UGent uit via beleidsacties en projecten.

Deel deze pagina: 

 1969 Studentenprotesten

Dossier

9. Bibliografie dossier vrouwelijke studenten

Deze virtuele tentoonstelling over vrouwelijke studenten aan de UGent verscheen ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag op 6 maart 2011. Het is een bewerking van drie historische studies naar de eerste generaties vrouwelijke studenten aan de UGent (1882-1962) op basis van prosopografisch onderzoek en mondelinge interviews:

  • A.M. Simon-Van der Meersch, De eerste generaties meisjesstudenten aan de rug (1882-1930), Gent, 1982 (Uit het verleden van de rug, 13).
  • Annick Vandenbilcke, Meisjesstudenten aan de Rijksuniversiteit Gent, (1930/31-1945/46), Gent, 1987 (Uit het verleden van de RUG, 24).
  • Sofie Veramme, En de juffrouwen vooraan! Vrouwelijke studenten tijdens de lange jaren vijftig aan de Rijksuniversiteit Gent, onuitgegeven. masterscriptie, Gent, 2009/2010.

Deze studies werden aangevuld met cijfermateriaal over de Gentse studentenpopulatie (1882-2009), verzameld in het Universiteitsarchief van de UGent. Daarvoor werden de cijfers uit de Jaarlijkse en Driejaarlijkse verslagen van de UGent en cijfers van de Dienst Studentenadminstratie verwerkt.

Voor het gedeelte over het glazen plafond van de UGent werd dankbaar gebruik gemaakt van de rapporten van Hanneke Pyck en prof. dr. Marysa Demoor, verbonden aan het Centrum voor Genderstudies (www.cgs.ugent.be), voor het project UGender - Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen aan de Universiteit Gent uit 2007. Cijfers voor de jaren 2007-2010 werden ter beschikking gesteld door de beleidscel Diversiteit en Gender van de UGent (www.ugent.be/diversiteitengender/nl).

De auteurs willen het Universiteitsarchief en het Koninklijk Lyceum Gent bedanken voor het ter beschikking stellen van het beeldmateriaal.

[Fien Danniau en Anne-Marie Van der Meersch]

Bijkomende literatuur

www.rosadoc.be
www.aletta.nu
Anne-Marie Van der Meersch, Een universitaire loopbaan voor vrouwen aan de Universiteit Gent (1901-1965), een glazen plafond?, Gent, 2007 (Uit het verleden van de Universiteit Gent, 46).
Anne-Marie Van der Meersch, ‘Het Athenée de Jeunes Filles te Gent: een kweekvijver voor de universiteit (1907-1930), in: ‘ Een eeuw vol jeugd, 100 jaar Koninklijk Lyceum Gent’, Gent, 2008, pp. 17-23.
A. Despy-Meyer, Les femmes et l’enseignement supérieur: l’Université libre de Bruxelles (1880-1914), Bruxelles, 1980.
B. Lacomble-Masereel, ‘ Les premières étudiantes à l’université de Liège (1881/82-1919/20)’, Liège, 1980.