Maak van Gent een (h)echte stad met een echt verleden (DUTCH)

(18-02-2021) Pleidooi voor een globale visie voor het middeleeuwse erfgoed in Gent

Jan Dumolyn, Anne-Laure van Bruaene, Jeroen Deploige, Jonas Roelens, Marc Boone, Stefan Meysman, Frederik Buylaert, Lisa Demets (historici van de middeleeuwen), Wim De Clercq en Marie Christine Laleman (middeleeuwse archeologen), Maximiliaan P.J. Martens (kunsthistoricus van de middeleeuwen) allen verbonden aan het Henri Pirenne Instituut voor Middeleeuwse Studies van de Universiteit Gent. Zij richten zich tot het Gentse stadsbestuur maar ook tot de andere subsidiërende overheden.

Ons stuk verscheen eerst als opiniestuk voor Vrije Tribune in Knack. U vindt alle opiniestukken en communicaties richting publiek ook altijd op Medieval / Modern.

Gent is beslist 'een stad van alle tijden', zoals de titel luidt van een recent boek over haar geschiedenis. Die geschiedenis, en de sporen daarvan in het erfgoed, is tegelijk een belangrijke hefboom voor haar toekomst.

Het is geen geheim dat de fiere Arteveldestad een bijzonder rijk en bewogen verleden heeft. We vinden sporen van die geschiedenis in archieven, bibliotheken en musea, en ook in het onroerend erfgoed waar we ons elke dag tussen voortbewegen. Het moderne Gent is het nog steeds veranderende product van die meer dan duizendjarige geschiedenis. Vooral de verschillende fasen van groei en bloei markeerden het stedelijke weefsel. Zo lieten de zeventiende-eeuwse bouwwoede of de rijkdom vergaard door de achttiende-eeuwse graanhandel diepe sporen na in het stadslandschap, net als het industriële kapitalisme dat deed.

Bijna alle trapgevels in de stad vormen bijvoorbeeld getuigen van die recentere tijdvakken. Dat is ook zo voor het imposante Desmet-Guequier gebouw, de oude fabriek waarin het Industriemuseum gevestigd is. De Gentenaars kennen en leven met deze monumenten, bezoekers uit binnen- en buitenland komen ze graag ontdekken. Gent is dus niet een stad die zich in haar city marketing uitsluitend als 'middeleeuws' profileert. Dat is bijvoorbeeld in Brugge wel het geval, omdat die stad economisch veel afhankelijker is van het toerisme maar ook omdat de Brugse binnenstad een homogener stadsbeeld vertoont.

Gent is een historische stad vol oude gebouwen, maar het is ook een jonge, ondernemende kennis- en cultuurstad die veel meer functies heeft dan enkel het toerisme. De meer dan honderd scholen, 45.000 dagelijkse pendelaars, ongeveer 8.000 ondernemingen en 75.000 studenten aan de universiteit of de hogescholen bewijzen dat. Maar toch blijft Gent qua materieel uitzicht, stedelijke ruimte en historische ontwikkeling fundamenteel een middeleeuwse stad; het is dat tijdvak dat nog steeds in heel grote mate het karakter van de binnenstad bepaalt. Bovendien is Gent niet zomaar een stad die toevallig ontstond in de middeleeuwen. Gent ontwikkelde zich tot een van de grootste en meest bevolkte agglomeraties boven de Alpen en werd met de lakennijverheid een van de belangrijkste industriële centra van de toenmalige wereld. Dat is ook vandaag natuurlijk nog relevant. Het erfgoed dat refereert naar die periode heeft een enorme aantrekkingskracht, zowel op inwoners, forensen als toeristen.

Troeven voor een Culturele Hoofdstad

Als mediëvisten vinden we dan ook dat als Gent de ambitie heeft om in 2030 Europese Culturele Hoofdstad te worden, de stad nog sterker uit de hoek mag komen met haar middeleeuwse patrimonium. Een innovatieve, duurzame en meer maatschappelijk geïntegreerde zorg voor en beleving van ons middeleeuwse erfgoed zou daarbij een stap in de goede richting zijn. Uiteraard moet in zulke plannen de intrinsieke historische waarde van een stad centraal staan. Maar een duurzaam en kwalitatief toerisme nastreven vormt daarbij geen enkel probleem, integendeel. Er is een evenwicht nodig en mogelijk tussen de twee.

Enerzijds zijn er zeer goede wetenschappelijke en maatschappelijke argumenten voor de zorg om erfgoed als doel op zich, dus zonder enig winstprincipe. Vanuit duurzaamheidsoogpunt doen stadsbesturen er goed aan de intrinsieke historische waarde van hun erfgoed hoger te waarderen dan hun toeristisch potentieel. Maar tegelijk kunnen vormen van actueel gebruik - waaronder zeker ook een duurzaam cultureel toerisme - een grote rol spelen in de conservatie en waardering van ons erfgoed. Toerisme zorgt er immers voor dat ons architecturale patrimonium bijdraagt aan een bruisend stadsleven. Het stimuleert ook culturele uitwisseling en diversiteit. Een geslaagd Gents voorbeeld van bescherming en actualisering van middeleeuws erfgoed is de Bijlokesite met het Muziekcentrum en het STAM. Merk op dat de ingrepen daar niet al te verstorend zijn en dat ze een duidelijke meerwaarde creëren voor zowel de buurt als de hele stad.

Elk specifiek gebouw, elk dossier is vanzelfsprekend verschillend. Momenteel gaan in Gent echter heel wat iconische middeleeuwse sites met enorme historische waarde een onduidelijke of soms zorgwekkende toekomst tegemoet. Het Gravensteen kwam recent het meest in het nieuws. Maar gelijkaardige (publieke) debatten moeten ook gevoerd worden over het Geeraard de Duivelsteen, het dominicanenklooster het Pand, of de Sint-Baafsabdij. Of nog beter, over een globale en breed gedragen visie op de bestemming van het middeleeuwse en andere historische erfgoed in de stad. Wij vinden het onze plicht dit te signaleren aan het Gentse stadsbestuur. Als we binnenkort onze kantoren weer binnen mogen en u op onze expertise beroep zou willen doen: we zijn erg nabij, niet zo heel ver van het stadhuis, onder nog zo'n fameus Gents gebouw, de Boekentoren.

Wees gerust, wij hebben hoegenaamd niets tegen een erfgoedbenadering gericht op het zo maximaal mogelijk openstellen en exploiteren van historische plaatsen. Zolang de draagkracht van gebouw, omgeving en gemeenschap niet wordt overschreden en de zogenaamde sense of place niet wordt ondermijnd. Dat zogenaamde immateriële 'plaatsgevoel' is de breed gedeelde ervaring van een locatie die ontstaat door een combinatie van gebouwen, landschap, klimaat en mensen.

Het 'middeleeuwse' stedelijk landschap van Gent bestaat immers niet alleen uit de grote en kleine architecturale monumenten. Er zijn ook tal van andere relicten: delen van het straten- en waterlopenplan en vele straat- en plaatsnamen die naar het verleden verwijzen, om nog maar te zwijgen van het archeologisch bodemarchief. De authenticiteit, het specifieke, het symbolische en het emotioneel verbindende karakter van sommige historische plaatsen is bijzonder waardevol en daar moet over gewaakt worden. Vervlakking en eenvormigheid, vaak gedreven door een winst- en maximalisatielogica, zijn immers geen fictieve bedreigingen. Dat weten de lokale handelaars en kleine producenten in onze steden trouwens ook: in een geglobaliseerde wereld staat het plaatselijke, kleinschalige en authentieke voortdurend onder druk.

Voor een stad die zo trots is op haar eigenheid en eigengereidheid doet Gent helaas weinig met haar unieke middeleeuwse verleden. Dat is al langer het geval en ligt zeker niet uitsluitend aan de huidige bewindsploeg. Waarom heeft Gent geen enkele systematische visie op het middeleeuwse stedelijke landschap? In het voorontwerp van de recente beleidsnota 'Stedenbouw, Architectuur, Publieke Ruimte, Mobiliteit, Historisch Patrimonium en Erfgoed' (26/11/2020) worden beslissingen over het middeleeuwse patrimonium vooral ad hoc en geïsoleerd voorzien. Een overkoepelende visie, en in vele gevallen ook duidelijkheid, ontbreken volledig. En hoewel deze bestuursploeg participatie terecht hoog in het vaandel draagt, ontbreekt het niet alleen aan bijvoorbeeld adviezen van erfgoedexperten buiten de eigen administratie. Ook van consultatie van de lokale bewoners is weinig sprake, of van andere stakeholders zoals middenstand, gidsen of erfgoedvrijwilligers. Nochtans kan men zo gemakkelijk een groter draagvlak rond ons historisch erfgoed creëren, en het werkelijk doen leven.

Dat het de politieke wereld aan langetermijnvisie ontbreekt, werd de laatste periode heel duidelijk. Zo lijkt het wel alsof de hele operatie rond het Gravensteen aangestuurd werd om in de logica van de subsidiërende instanties zoveel mogelijk vakjes af te vinken om gelden te bekomen. In dit geval ging het over een hefboomproject van Toerisme Vlaanderen, een financiering die sterk op een direct economisch terugverdieneffect is gericht. De stad Gent heeft hier duidelijk (te) snel op de bal gespeeld en kon dus geen voorafgaand participatietraject organiseren. Het is zeker begrijpelijk dat men zulke kansen wil grijpen. Er wordt in Vlaanderen immers veel te weinig structureel geïnvesteerd in de conservatie en valorisatie van ons materieel erfgoed. Maar de haast en het gebrek aan participatie waarmee een en ander gebeurde, heeft dus geleid tot het huidige uitdijende protest. Velen lijken een onthechting van hun omgeving te vrezen, het verlies van zo'n sense of place dus. Daarom willen wij in dit verband enkele voorzichtige aanbevelingen suggereren, als kenners van middeleeuws Gent maar ook als betrokken burgers van een echte en levende stad.

Laat stenen spreken

Er is volgens ons eerst en vooral nood aan een globaal actieplan over hoe de stad precies met haar middeleeuws en ander historisch erfgoed wil omgaan. Dat gebeurt het best binnen een gebalanceerde visie op duurzaam, kwalitatief en participatief stadsleven, uiteraard inclusief ondernemerschap en toerisme. Het is goed dat het stadsbestuur initiatieven in die richting lijkt te ontwikkelen. Er bestaan trouwens ook richtinggevende kaders en 'goede praktijken' op Europees en internationaal vlak. Men zou alle sites en gebouwen die een stukje waardevol verleden in zich dragen in kaart moeten brengen. Kritische wetenschappelijke dossiers moeten worden aangelegd of nog verder worden verfijnd. Veel kennis werd uiteraard al eerder geproduceerd maar blijft versnipperd over diensten en administraties of is enkel door vakspecialisten gekend. Die expertise over ons stedelijke erfgoed moet men optimaal benutten om de mogelijkheden en pijnpunten van alle elementen uit ons middeleeuwse landschap te signaleren. Het is duidelijk dat de wetenschap hier kan en wil helpen.

Het gaat zoals al gezegd echter lang niet alleen over wetenschappelijke expertise. Velen voelen zich betrokken bij plaatsen, gebouwen, culturele praktijken die een gedeeld verleden oproepen. De interesse in lokale geschiedenis is in België zeer groot, honderdduizenden bezoekers zakken (in normale omstandigheden) af naar de Open Monumentendagen.

Een historisch verhaal als dat van Bart van Loo over ons Bourgondisch verleden of de internationale tentoonstelling over Van Eyck in het MSK weten de grote massa aan te spreken. En zelfs lokale historische kringen blijven overleven in deze kosmopolitische cultuur. Laat ons dus ten tweede ook volop rekening houden met het geïnteresseerde publiek, niet enkel als passieve bezoekers maar ook als participerende belanghebbenden. Het STAM is op dat gebied al toonaangevend als vernieuwend en professioneel stadsmuseum met een heldere en wetenschappelijke kijk op de geschiedenis van de middeleeuwen tot vandaag die toch vlot wordt overgebracht, buurtgericht en participatief is.

En laat ten derde onze monumenten ook goede verhalen vertellen. Soms kunnen immers ook stenen spreken. Het Gravensteen is decor en getuige geweest van meer dan tien eeuwen geschiedenis, binnen en buiten zijn muren. De biografie van het gebouw draagt een groot stuk sociale geschiedenis van zijn omgeving in zich. Dat is het verhaal van de graven van Vlaanderen, van het belang van de burcht voor de stadswording van Gent, of van de internationale culturele ontmoetingen die door de kruistochten werden gestimuleerd - de lokale geschiedenis maakt immers ook steeds deel uit van een wereldgeschiedenis. Maar dat is ook het verhaal van een vroegmodern gerechtshof en de latere industriële invulling die het kasteel kreeg. Zelfs de laat negentiende-eeuwse verbeelding van de middeleeuwen, die de burcht haar huidige gedaante heeft gegeven, is een boeiend thema op zich, net zoals de wereldtentoonstelling van 1913 die de start betekende van het kasteel als grondig gerenoveerd toeristisch monument en trekpleister voor de bezoeker.

We pleiten dus voor meer geschiedenis, maar zeker niet voor een elitaire of belerende aanpak. Laat historische verhalen schrijven en vertellen nu net ook deel van onze job zijn. In een wereld van steeds meer culturele eenheidsworst is er een grote maatschappelijke vraag naar plaatselijke geschiedenis. En erfgoed biedt net bij uitstek een mooie gelegenheid deze te vertellen en te laten ontdekken. Dat kan op een publieksvriendelijke en aangename manier, vanuit verrassende perspectieven en met catering voor verschillende doelgroepen. Met de modernste scenografische technieken van getalenteerde bureaus, en de kennis en kunde van brede groep specialisten in erfgoed, storytelling, cultuureducatie en publieksgeschiedenis. Wat moet vermeden worden is een tendens waarbij alle scherpe kantjes van de geschiedenis worden afgevijld, alle verhalen leuk en simpel worden gehouden en de grens tussen geschiedenis en fictie vervaagt.

Te vaak wordt er in de erfgoedsector ingespeeld op bestaande homogene, stereotiepe en commerciële beelden van het verleden die gericht zijn op het vergroten van bezoekersaantallen maar eigenlijk de bezoeker onderschatten. Het Gravensteen is bijvoorbeeld een icoon, en spreekt enorm tot de verbeelding, maar het is zeker geen 'tijdloos imaginair bouwsel' zoals het in de stedelijke communicatie heet. Het Gentse 'gravenkasteel', zoals het in het dialect genoemd wordt, is een heel reële plaats, verbonden met een heel reële gemeenschap en drager van een heel reële geschiedenis.

Pleidooi voor samenwerking

Als mediëvisten willen we ten slotte ook geen stolp zetten over monumenten als het Gravensteen. Bouwmeesters hebben een essentieel punt wanneer ze stellen dat monumenten moeten blijven leven en dat aanpassingen nodig kunnen zijn, zeker wanneer het over toegankelijkheid gaat, maar ook voor herbestemmingen en toeristische doeleinden. Maar creatieve en vernieuwende architectuur die in dialoog gaat met bestaand historisch erfgoed zal sterker zijn wanneer die zich multidisciplinair laat omringen. De aanpassingen moeten ook een meerwaarde betekenen voor de historische omgeving van het gebouw. En nogmaals: ze moeten tot stand komen na een participatieve oefening met alle belanghebbenden. De lokale gemeenschap moet dus als het ware 'eigenaar' zijn van het erfgoed en de exploitatie.

De auteurs van dit stuk hebben ook geen eenduidige opvatting over welke architecturale ingreep in dit geval het beste zou zijn, net zoals heel veel andere Gentenaars daar verschillende meningen over zullen hebben. Maar hoe men er ook over denkt, het is nog niet te laat om voor deze oefening opnieuw rond de tafel te zitten, misschien vertrekkend vanuit de stellingen die we hier formuleren, en misschien direct in het bredere verband van een systematische denkoefening in Gent en op grotere schaal. Wij geloven alvast in de kracht van samenwerking.