Onderzoeker In De Spotlight: Thomas Cassart

(30-04-2026) Jongeren die feiten plegen worden vaak als ‘kil’ gezien, maar zijn geen homogene groep. Onderzoek van Thomas Cassart toont dat achter dit gedrag vaak trauma en kwetsbaarheid schuilgaan, wat vraagt om een genuanceerde aanpak.

Jongeren die feiten plegen worden vaak bestempeld als ‘kil’ en ongevoelig. Die labels lijken duidelijk, maar doen zelden recht aan deze jongeren. Het onderzoek van Thomas Cassart, doctor-assistent forensische orthopedagogiek en forensische psychologie aan de UGent, zet die eenduidige kijk onder druk. Hij focust op jonge delictplegers met kil-ongevoelige trekken en onderzoekt hoe deze zich in verschillende subtypes kunnen uiten. Met een intensieve en multimethodische aanpak brengt hij de complexiteit van deze jongeren in kaart en toont hij dat deze groep minder homogeen is dan vaak wordt aangenomen. Zijn werk draagt bij aan een verfijnder begrip, maar ook aan een duidelijke oproep: kijk voorbij het label en stem ondersteuning beter af op hun noden. Achter ogenschijnlijk ‘kil’ gedrag schuilt soms ook een verhaal van overleven.

DOWNLOAD HIER DE PDF VAN HET INTERVIEWARTIKEL

Kan je kort vertellen waar je onderzoek precies over gaat?

Mijn onderzoek richt zich op jongeren die strafbare feiten hebben gepleegd en in een gesloten setting verblijven. Ik kijk naar verschillen in hun persoonlijkheid, emoties en gedrag. Sommige jongeren tonen weinig empathie of schuldgevoelens, we noemen dat kil-ongevoelige trekken, terwijl anderen meer angst of traumatische ervaringen hebben. Ik onderzoek of we binnen deze groep verschillende subtypes kunnen onderscheiden, en wat dat betekent voor diagnostiek en behandeling.

Waarom is het volgens jou belangrijk om naar die verschillende types te kijken in je onderzoek?

Ik wil vooral met mijn onderzoek bijdragen aan het beter begrijpen en ondersteunen van die jongeren. Daarin focus ik net op een specifieke groep jongeren met kil-ongevoelige trekken. Cijfers tonen namelijk dat zij vaker ernstigere feiten plegen en doorgaans een moeilijker traject hebben. Ik onderzoek of we binnen deze groep verschillende subtypes kunnen onderscheiden.

Sommige theorieën suggereren dat er naast jongeren die weinig angst ervaren, ook een groep bestaat die net wél veel angst en traumatische ervaringen heeft. Mogelijk ontwikkelen zij kil-ongevoelige kenmerken als een manier om met die traumatische ervaringen om te gaan. Het is nog onduidelijk of deze verschillende subtypes echt bestaan en hoe we ze kunnen herkennen. Maar als dat wel zo is, dan heeft dat belangrijke gevolgen voor hoe we deze jongeren kunnen begeleiden en hoe we onze aanpak beter afstemmen op hun noden.

Het lijkt me geen voor de hand liggend thema, hoe ben je net daarbij terechtgekomen, en wat maakt dat het je zo boeit?

Ik deed jaren vakantiejob in een voorziening voor mensen met een beperking, waar ik merkte dat sommige gedragingen moeilijk te verklaren zijn. Zo kwam ik in aanraking met thema’s als trauma en hechting, die sindsdien een rode draad vormen in mijn traject. Tijdens mijn werk als orthopedagoog en later in mijn doctoraat bracht ik veel tijd door met jongeren in detentie en kreeg ik de kans om in hun dossiers te kijken. Daarin kom je vele en verschillende verhalen tegen, maar wat opviel, was de combinatie van labels zoals ‘weinig emoties’ of ‘antisociaal’ met vaak pijnlijke verhalen van kwetsuren en trauma. Die complexiteit raakte mij: jonge plegers maken slachtoffers maar zijn vaak zelf ook slachtoffer geweest, en net die spanning maakt dit thema zo belangrijk en tegelijk bijzonder moeilijk.

De titel van je doctoraat doet verklappen dat je verschillende onderzoeksmethoden gebruikt om jongeren die feiten plegen beter te begrijpen. Waarom was zo’n brede blik belangrijk?

De complexiteit van jongeren in deze context is bijzonder groot, en net daarom kan je hen niet op één manier begrijpen. Daarom is het belangrijk om het breed aan te pakken. De samenwerking met gemeenschapsinstellingen, jeugdrechtbanken en vooral de jongeren zelf was essentieel. Die brede aanpak vraagt ook om een intensieve dataverzameling: per jongere ongeveer zes uur aan afnames, aangevuld met dossierstudies van drie tot vier uur, bij in totaal zo’n 327 jongeren.

Net door die omvang en diepgang konden we vanuit een brede invalshoek vertrekken. De multimethodische aanpak liet ons toe om dezelfde concepten op verschillende manieren te meten — via zelfrapportage, interviews, experimenten en ook fysiologische metingen zoals hartslag en huidgeleiding. Daardoor konden we nagaan of we consistente patronen terugzagen over die verschillende methoden heen.

Wat leverde die brede aanpak aan inzichten op, en wat zegt uw onderzoek over de verschillen binnen deze groep jongeren — en waarom is dat belangrijk?

Er zijn heel wat interessante resultaten. In de eerste plaats bevestigt mijn onderzoek dat jongeren met kil-ongevoelige trekken een zeer belangrijke groep vormen binnen de populatie van jongeren in gemeenschapsinstellingen. Een belangrijke nuance is dat deze subgroep op vlak van internaliserende problemen zoals angst veel heterogener is dan we voorheen dachten. Ongeveer één op tien jongeren vertoont een hoge mate van zowel kil-ongevoelige trekken als angst.

Deze groep lijkt zeer kwetsbaar te zijn, aangezien zij zowel een hoge mate van antisociaal en agressief gedrag tonen, maar ook veel internaliserende problemen ervaren. Ze rapporteren meer traumatische ervaringen en worden gekenmerkt door een hoge mate van impulsiviteit. Verder lijken zij meer moeite te hebben om emotionele signalen uit hun omgeving te begrijpen.

Jongeren die een hoge mate van kil-ongevoelige trekken en angst tonen, hebben een dubbele kwetsbaarheid. Enerzijds zijn ze betrokken bij ernstiger antisociaal en agressief gedrag, anderzijds ervaren ze een sterke interne lijdensdruk en reactiviteit, wat aansluit bij onderzoek naar de gevolgen van ernstig trauma. Er is evidentie dat trauma impact heeft op fysiologie, zoals hartslagvariabiliteit, bij jongeren in detentie. Tegelijk is het hoopgevend dat deze groep vaak bereid is om zich te engageren in therapie en wil veranderen.

Wat betekenen jouw bevindingen concreet voor hoe we in de praktijk met deze jongeren omgaan — in opvoeding, hulpverlening en beleid?

In de eerste plaats toont dit onderzoek hoe cruciaal het is om traumatische ervaringen bij kinderen tegen te gaan. Preventie blijft belangrijk.

Wanneer er sprake is van kil-ongevoelige trekken, is het belangrijk om breed in te zetten. Ouderinterventies zijn cruciaal, met aandacht voor ouderlijke warmte, het verminderen van dwingende opvoedingsstrategieën en ondersteuning van ouders in het omgaan met moeilijk gedrag. Tegelijk zijn kindgerichte interventies essentieel, gericht op emotieregulatie en -verwerking.

Binnen gemeenschapsinstellingen vraagt deze groep intensieve ondersteuning op verschillende domeinen, vertrekkend vanuit zorgvuldige diagnostiek. Jongeren die ook angst ervaren, hebben baat bij een traumasensitieve en relationele aanpak, met aandacht voor een veilig leefklimaat, autonomie en het leren reguleren van emoties. Trauma moet daarbij niet vermeden worden, maar op een afgestemde manier benaderd worden.

Het werken met deze jongeren brengt vaak sterke en confronterende verhalen met zich mee. Wat blijft jou daarin het meest bij?

Veel verhalen van jongeren blijven hangen, net als de verslagen uit jeugdrechtbanken. Ze klinken soms als een film, maar dan zonder held of goede afloop. Wat vooral raakt, is hoe jongeren tot op een bepaald moment als slachtoffer worden gezien, en daarna plots als dader en gevaar voor de maatschappij. Die overgang blijft bijzonder intrigerend.

Eén jongere verwoordde het heel treffend: hij had geleerd zijn emoties af te zetten om te kunnen omgaan met wat hij meemaakte. Dat hielp hem overleven, maar werd ook een patroon, waardoor hij bij het plegen van feiten weinig empathie kon opbrengen.