Afgerond onderzoek

De Rol van het sociaal netwerk in het herstelproces van delictplegers met een psychiatrische problematiek

Aan de Universiteit Gent loopt sinds 2014 een project in het kader van de Geconcerteerde Onderzoeksacties (GOA) met als titel: ‘Naar multidisciplinaire op sterkte gebaseerde strategieën voor wetsovertreders met een psychiatrische problematiek’. Het project is een samenwerking tussen de Faculteit Rechtsgeleerdheid (hoofdpromotor: prof. dr. Tom Vander Beken), de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen (promotor: prof. dr. Kurt Audenaert) en de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (promotor: wijlen prof. dr. Eric Broekaert).

Het onderzoek in dit doctoraat, maakt deel uit van het GOA-project en gaat op zoek naar de ervaringen van familieleden van personen die geïnterneerd zijn (geweest) en hoe zij ondersteund kunnen worden. Internationaal is er tot op heden weinig onderzoek verricht naar de ondersteuning van familieleden van geïnterneerde personen, waardoor ook het perspectief van deze familieleden ten aanzien van de problematiek en de gevolgen ervan, nog onderbelicht zijn. Dit doctoraatsonderzoek is erop gericht om meer kennis te verwerven betreffende deze tekorten in internationaal onderzoek. Binnen het doctoraatsonderzoek is er gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden, waaronder een literatuurstudie (hoofdstuk 2), semigestructureerde interviews (hoofdstuk 3) en ‘mixed methods’ onderzoek (hoofdstuk 4-7). Bij dit laatste zijn zowel kwalitatieve (semigestructureerde interviews en therapie) als kwantitatieve onderzoeksmethoden (premeting, postmeting en procesevaluatie op basis van gestandaardiseerde vragenlijsten) gebruikt. 

De resultaten van de semigestructureerde interviews hebben aangetoond dat familieleden moeten omgaan met verschillende emoties en ervaringen, waarvoor ze vaak niet de steun vinden die ze nodig hebben. Op basis van deze ervaringen is er beslist om Familieondersteunende Groepen te organiseren. Deze FOGs hebben als doel familieleden met elkaar in contact te brengen en hen de mogelijkheid geven om hun verhaal met elkaar te delen. De resultaten hebben aangetoond dat familieleden een verbetering in hun emotioneel welzijn ervaren, minder verlies van controle hebben over hun eigen leven en dat hun zelfschuld verminderd. Verder geven de resultaten weer dat familieleden onder meer steun van de groep, gelijkwaardigheid, uitdrukken van positieve gevoelens, universaliteit van de problemen en begeleiding van therapeuten als helpende therapeutische factoren ervaren. Interviews over hun ervaringen na hun deelname vermelden dat familieleden de FOG als een meerwaarde beschouwen. Het doctoraat wordt afgesloten met een discussie (hoofdstuk 8) over de sterktes, beperkingen en aanbevelingen van het onderzoek en de implicaties voor praktijk en beleid.

Sara Rowaert (Promotor: Prof. dr. Stijn Vandevelde, Co-promotor: Prof. dr. Kurt Audenaert)

Doctoraatsonderzoek: Psychopathologie en kwaliteit van leven bij meisjes in detentie

Het merendeel van het onderzoek omtrent psychopathologie bij minderjarigen in detentie focust op jongens, vertrouwt uitsluitend op zelfrapportage door jongeren, is niet prospectief en mist aandacht voor kwaliteit van leven. Inspelend op deze beperkingen, trachtten we de kennis inzake meisjes in detentie te verruimen. In de voorliggende studie werden de participanten bevraagd gedurende de eerste drie weken van de plaatsing (T0: de meisjes en hun ouders); de tweede en de derde maand van de plaatsing (T1 & T2); en zes maand na ontslag (T3). In deze studie onderzochten we (i) genderverschillen in de (relatie tussen) psychiatrische stoornissen en zelfbeeld (Hoofdstuk 1); (ii) de prevalentie en klinische bruikbaarheid van de nieuwe DSM-5 LPE subtypering (limited prosocial emotions, beperkte prosociale emoties) van CD (conduct disorder, antisociale gedragsstoornis), op basis van zelfrapportage en ouderrapportage (Hoofdstuk 2); (iii) de kwaliteit van leven bij meisjes in detentie in relatie tot psychiatrische stoornissen, blootstelling aan trauma en socio-economische status (Hoofdstuk 3); (iv) de behandelbetrokkenheid van de meisjes over de tijd heen in relatie tot psychopathologie en kwaliteit van leven (Hoofdstuk 4); en (v) kwaliteit van leven in relatie tot toekomstige psychische problemen en delinquentie (Hoofdstuk 5).

Lore Van Damme (promotor: Prof. Dr. Wouter Vanderplasschen; co-promotor: Dr. Olivier Colins)

Doctoraatsonderzoek: De positie van de zorgcoördinator in het ondersteunen van leraren in het Vlaamse basisonderwijs door een diffractieve methodologie.

Dit onderzoek focust op het herdenken van de positie van de zorgcoördinator als ondersteuner van leerkrachten. De zorgcoördinator is in het Vlaamse basisonderwijs een interne ondersteuner die de opdracht heeft om ‘optimale kansen te ontwikkelen voor alle leerlingen.’

In het onderzoek wordt de uitdagende onderwijsassemblage van de zorgcoördinator geschetst waarvan het ambivalente proces van normalisatie en uitsluiting onderdeel zijn. De functie van de  zorgcoördinator wordt bepaald door de verschillende discours die op hem/haar inwerken. Op bepaalde momenten schept dit meer mogelijkheden voor kinderen. Op andere momenten limiteert dit het leven van kinderen met specifieke noden. Belangrijk om hierbij op te merken is de evolutie naar een systeem waarbij de verantwoordelijkheid bij één persoon komt te liggen; het kind moet beter zijn best doen, de leerkracht moet competenter worden, de ouder moet meer/minder betrokken zijn, de zorgcoördinator moet een gepaste oplossing vinden, enz. De individualisering van verantwoordelijkheid gaat samen met een verantwoordingscultuur en een schulddiscours. Dit is nefast voor de samenwerking tussen verschillende betrokkenen. In dit onderzoek worden de concepten van ‘agency’ en ‘verantwoordelijkheid’ herdacht.

Het herdenken van de huidige praktijk vraagt om een diffractieve manier van onderzoek doen, waarbij men de realiteit niet wil spiegelen maar nieuwe inzichten wil bekomen door andere methodieken te gebruiken, theoretisch concepten in te pluggen, enz. Het onderzoek kadert binnen poststructuralisme/new materialism. Een voorbeeld van een diffractieve methodologie is het werken met een script om op een andere manier aan de slag te gaan met een welbepaalde herinnering. Het script  legt de meervoudige identiteit van actoren bloot, door het script te spelen worden verbindingen zichtbaar en ervaren we de positionering van de verschillende actoren. Het script maakt dat we andere mogelijkheden zien dan het oordelende en het script laat ons stilstaan bij wat we kunnen doen in een bepaalde situatie. Hierbij is er een verschuiving waar te nemen van de individuele verantwoordelijkheid naar een ethische relationele verantwoordelijkheid. Diffractieve methodes  helpen ons om af te stappen van oplossingsgerichte methodes die de realiteit simplificeren en reduceren. 

Inge Van de Putte (Promotor: Prof. dr. Van Hove en co-promotor: dr. De Schauwer)