Prof. Kate Wright inspireert studenten over humanitaire journalistiek

(19-12-2019) Op 30 oktober ontvingen we aan onze vakgroep Dr. Kate Wright. Zij is een voormalige journaliste die momenteel verbonden is aan de Universiteit van Edinburgh als onderzoekster.

Prof. Wright focust op humanitaire journalistiek, vooral op hoe financieringsmodellen, overheden en humanitaire organisaties invloed kunnen uitoefenen op het nieuws dat het publiek voorgeschoteld krijgt.

Studente Moraa Asiago ging met haar praten na afloop van haar lezing.

 

Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde Belgische journalist een blanke man van eind de veertig jaar is. Bovendien is de combinatie van werk en gezin moeilijker voor mannen dan voor vrouwen. Geldt hetzelfde voor humanitaire journalistiek?


Voor leeftijd zien we een omgekeerde relatie met vooral veel jonge journalisten, maar vrouwen zijn inderdaad ondervertegenwoordigd. Humanitaire journalistiek is fysiek veeleisend, omdat je heel veel moet reizen. Het is ook commercieel niet rendabel, omdat je vaak werkt voor outlets verbonden aan ngo’s. Contracten lopen vaak maar 6 maanden, en moeten constant vernieuwd worden.

Je moet ook een enorme hoeveelheid kennis vergaren en op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen. De humanitaire journalisten die ik ken, zijn uitstekend. Ze zijn vaak heel jong, hebben vaak geen langetermijnpartners, en hebben vaak geen eigen gezin. Tussen de leeftijd van 35 tot 40 jaar gaan ze vaak iets anders doen.

Dat wijst dus op een gebrek aan diversiteit qua leeftijd en gender. Qua etniciteit zijn er organisaties die dit actief aanpakken, door bijvoorbeeld verslaggevers uit ontwikkelingslanden aan te nemen.

Maar journalistiek kampt ook met vooroordelen net zoals andere beroepen. Journalisten zien een jonge, zwarte vrouw bijvoorbeeld als minder professioneel, en een blanke, oude man als autoritair. En dat is iets dat wij in vraag moeten stellen in alle sectoren, ook in de academische wereld. 

Door de digitalisering en de komst van sociale media zien we een evolutie in nieuwsconsumptie en -productie, waaraan het publiek meer actief kan deelnemen. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille van de technologische vooruitgang zoals bijvoorbeeld het ontstaan van een filter bubble of de verspreiding van niet-geverifieerde nieuwsfeiten. Is diezelfde situatie ook van toepassing in humanitaire journalistiek? 

Voor gevaarlijke regio’s zoals Syrië zijn kanalen zoals YouTube heel nuttig om informatie te verzamelen. Maar ik vind dat de nadelen van het gebruik van sociale media als nieuwskanaal overheersen. Want het blijft heel moeilijk en vooral duur om informatie te factchecken die voor politieke doeleinden verspreid wordt. Facebook en Twitter worden er vaak van beschuldigd fake news, manipulatie en surveillance te verspreiden, vooral tijdens verkiezingen.

Via algoritmes filteren deze platformen eveneens het soort nieuws dat het publiek leest. Dit is gevaarlijk want door hetzelfde soort nieuws te blijven consumeren, kan een bepaald wereldbeeld continu bevestigd worden en uiteindelijk leiden tot meer politieke polarisatie in plaats van publieke deliberatie.

Daarnaast is het publiek misschien meer over de grenzen heen verspreid, maar dat is geen bewijs dat het ook omvangrijk is. De apps op onze smartphones versnipperen onze aandacht. We doen zoveel tegelijkertijd en dat voor heel korte momenten. Nieuwsorganisaties worstelen ermee om een diepe, structureel onderbouwde en complexe boodschap te communiceren binnen 30 seconden.

Even terug naar het concept van mediated suffering. Kan de (verkeerde) berichtgeving over humanitaire crisissen ook aanleiding geven tot compassion fatigue?

Compassion fatigue is een heel interessante theorie die heel invloedrijk is geworden de laatste jaren. Mijn grootste probleem is dat het nooit door empirisch bewijs gevalideerd is, ook al is het een heel interessante hypothese. Recent onderzoek door Shani Orgad en Bruna Seu suggereert bovendien een andere gevolg dat misschien belangrijker is. Mensen lijken niet zozeer minder interesse te hebben en apathisch te worden, maar vooral de humanitaire crisis te gaan ontkennen.

Deze ontkenning is een actief en strategisch proces, want het publiek is niet echt ongevoelig geworden voor rampen (eerder voor de berichtgeving). Lezers/kijkers/luisteraars negeren misschien de massale oproepen die in het nieuws verschijnen, maar ze helpen wel via alternatieve wijze, bijvoorbeeld door acties op sociale media te organiseren. In plaats van over apathie te spreken, is het dus beter om het te hebben over menselijkheid.

Volgens mij is er overigens wel een gebrek aan onderzoek naar het publiek. Bovendien zien we binnen humanitaire journalistiek een tendens naar grote theorieën die veel willen verklaren, maar ze zijn op geen enkel empirisch bewijs gebaseerd. Ik vind dat we meer empirisch onderzoek nodig hebben.