Deel 6: Facultair reglement onderzoekspaper – Major Europese & Wereldpolitiek en Voorbereidingsprogramma’s en Schakelprogramma’s EU-Studies en Politieke Wetenschappen (beide afstudeerrichtingen)

Artikel 1. Doelstellingen

§1 De Onderzoekspaper is het sluitstuk van de Bacheloropleiding, waarin de student de in de verschillende opleidingsonderdelen opgebouwde kennis en vaardigheden zelfstandig verder ontwikkelt en integreert. Het belang dat aan de Onderzoekspaper wordt gehecht wordt weerspiegeld in een hoger aantal studiepunten dan bij een gewoon opleidingsonderdeel. De Onderzoekspaper wordt beoordeeld door de promotor en één commissaris, conform de beoordelingscriteria in artikel 4 (en bijlage).

§2 De Onderzoekspaper beoogt een paper waarin de volledige onderzoekscyclus wordt doorlopen over een politiekwetenschappelijk onderwerp. Het veronderstelt een grondig uitgewerkt literatuuroverzicht, het formuleren van een politiekwetenschappelijke probleemstelling en onderzoeksvraag, een adequaat onderzoeksdesign, een exploratief empirisch onderzoek en conclusies en reflecties op het gevoerde onderzoek. Het doel van het exploratief onderzoek is de probleemstelling beter te begrijpen, mogelijke antwoorden op de onderzoeksvraag te vinden, en aan de hand van de opgedane inzichten het onderzoeksdesign bij te sturen en te concretiseren. In vervolgonderzoek (bijvoorbeeld in de Masterproef) kan een vollediger antwoord op de onderzoeksvraag worden gezocht.

§3 Uitzonderlijk, na uitdrukkelijke toestemming van de promotor, kan een Onderzoekspaper ook louter een theoretische bijdrage leveren, zonder gebruik te maken van empirische data. In dat geval gelden andere richtlijnen voor onder andere de structuur van de paper, de beoordelingscriteria en de voortgangsopdrachten. De promotor is verantwoordelijk voor het duidelijk communiceren van deze richtlijnen naar de student die een louter theoretische Onderzoekspaper schrijft.

§4 In tegenstelling tot de papers bij sommige andere opleidingsonderdelen is de Onderzoekspaper een individueel werk. Dit sluit echter niet uit dat meerdere studenten op verschillende aspecten van eenzelfde breed onderwerp kunnen werken, of dat ze eventueel in groepsvergaderingen hun vooruitgang bespreken.

Artikel 2. Werkwijze

2.1. De begeleiding

§1 We maken in het kader van het vak ‘Onderzoekspaper’ een onderscheid tussen de eigenlijke Onderzoekspaper en de voortgang (inclusief verplichte opdrachten).

§2 Elke student wordt begeleid door een promotor (lid van het ZAP of post-doctoraal onderzoeker/doctor-assistent). De promotor is een lid van de vakgroep Politieke Wetenschappen of de vakgroep Conflict & Ontwikkeling. Assistenten en wetenschappelijke medewerkers met de nodige ervaring en expertise en/of medewerkers van andere vakgroepen kunnen ook bij de begeleiding betrokken worden onder de eindverantwoordelijkheid van de promotor.

§3 De promotor volgt bij de begeleiding van de voortgang de procedure zoals besproken in artikel 6.

§4 De promotor kan bijkomende deadlines voor specifieke stappen in het voorbereiden van de Onderzoekspaper aan de bovenvermelde algemene termijnen bijvoegen. Deze worden bij aanvang van de Onderzoekspaper aan de student voorgelegd.

2.2. De keuze van een onderzoeksthema en promotor

§5 Mogelijke onderwerpen worden in de eerste week van het academiejaar, tijdens een infosessie, voorgesteld (zie 6.2.). De voorstellen van onderwerpen worden door de promotoren ook bekendgemaakt via de applicatie “Onderzoekspaper” die te vinden is op de infosite op Minerva. De studenten kunnen bij de promotoren inlichtingen over de voorgestelde onderwerpen inwinnen in de tweede of derde week van het academiejaar (zie 6.2.); uiteraard kunnen studenten ook zelf een voorstel formuleren en aan een promotor voorleggen.

§6 Om een kwaliteitsvolle begeleiding van de Onderzoekspaper te kunnen garanderen, situeert het onderzoeksthema zich zoveel mogelijk in het vakgebied/onderzoeksdomein van de promotor. Er wordt gestreefd naar een degelijke spreiding van de studenten over de verschillende potentiële promotoren.

§7 Elke student maakt via de online applicatie “ARTEMIS” een voorstel van zijn/haar keuze bekend, evenals de naam van de promotor. De voorgestelde promotor verleent hieraan een expliciete goedkeuring. Dit houdt in dat de student eerst het akkoord moet hebben van de promotor alvorens het voorstel via Artemis in te dienen.

§8 Indiendatum 1ste zittijd: check de FSA website:
http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/data

§9 Wie deze deadline niet haalt, wordt voor de Onderzoekspaper uitgesloten van deelname aan de eerste zittijd. Voor deelname aan de tweede zittijd dient men zich ook te registreren in Artemis zie eveneens:
http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/data

2.3. Goedkeuring onderzoeksthema en promotor

§10 Het akkoord van de promotor (gevraagd voor het indienen van het onderzoeksthema) geldt als goedkeuring van het voorstel.

2.4. Het indienen van de Onderzoekspaper

§11 De onderzoekspaper wordt enkel ingediend in elektronische vorm (uploaden in de Dropbox op Minerva).

§12 Indien de Onderzoekspaper niet voor de gestelde datum werd ingediend, is de betrokken student niet ontvankelijk voor de deliberatie, tenzij in geval van overmacht. De promotor, in overleg met de voorzitter van de examencommissie, beslist over de reden van de overmacht.

2.5. Mondelinge verdediging

§13 De Onderzoekspaper omvat een schriftelijk rapport. Een mondelinge verdediging of presentatie is niet voorzien.

2.7. De evaluatieprocedure

§14 Elke Onderzoekspaper wordt door de promotor en één commissaris geëvalueerd, conform de beoordelingscriteria in artikel 4 en bijlage. De Opleidingscommissie stelt de commissaris aan. De eindscore zal het gemiddelde zijn van de score van de promotor en de score van de commissaris.

§15 De opdrachten in het kader van de voortgang worden door de promotor geëvalueerd.

2.8. Feedback

§16 Elke student heeft recht op feedback op zijn/haar paper. Na de proclamatie van de eerste en/of tweede examenperiode wordt door de promotor gelegenheid tot feedback voorzien.

Artikel 3. De vorm van de paper

3.1 Algemene vormvereisten

§1 De Onderzoekspaper heeft als vorm een volledig doorlopen onderzoek, incl. een literatuuroverzicht, probleemstelling en onderzoeksvraag, onderzoeksdesign, exploratief empirisch onderzoek en conclusies en reflecties.

3.2 Structuur

§2
a) Voorstukken
- Titelblad (een standaard titelblad wordt gebruikt. Een sjabloon wordt op Minerva ter beschikking gesteld)
- Abstract (min. 200 woorden, max. 300 woorden, Nederlands)
- Word count

b) Aanbevolen corpus
- Inleiding: situering van het thema en duiding van de wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie
- Literatuuroverzicht: analytische en kritische bespreking van de bestaande literatuur over het thema
- Probleemstelling: inclusief specifieke onderzoeksvraag en eventueel deelvragen
- Onderzoeksdesign: motivering van de keuze van het gekozen onderzoekstype, data, en analysemethoden
- Exploratief empirisch onderzoek: waarin aan de hand van de onderzochte data een voorlopig antwoord op de onderzoeksvraag wordt geformuleerd
- Conclusies: terugkoppeling van de empirische bevindingen naar de stand van de literatuur, kritische reflectie over de gemaakte keuzes in het onderzoek en suggesties voor verder onderzoek

c) Eindstukken
- Referenties
- Eventuele bijlagen

3.3 Bronverwijzing

§3 Voor bronverwijzing dient verplicht het APA-systeem te worden gehanteerd (zie APA-manual op Minerva). Indien vooral met juridische bronnen wordt gewerkt, inzonderheid wetgeving en rechtspraak, wordt toepassing gemaakt van de in de rechtswetenschappen toepasselijke bronverwijzingen en citeer- en afkortingswijzen. Aanbevolen is het gebruik van EndNote.

Omvang

§4 De paper omvat tussen 8.000 en 15.000 woorden (alles inbegrepen met uitzondering van de bijlagen). Het aantal woorden (word count) wordt vermeld op het titelblad.

! Deze minima en maxima mogen in geen geval overschreden worden. Indien dit wel het geval is wordt de Onderzoekspaper onontvankelijk verklaard.

Artikel 4. Beoordelingscriteria

§1 De beoordelingscriteria zijn vastgelegd op het Beoordelingsformulier Onderzoekspaper (zie bijlage).

Artikel 5. Originaliteit, wetenschappelijke transparantie, taal en plagiaat

5.1. Originaliteit

§1 Een Onderzoekspaper vereist een zekere originaliteit van de student. De student wordt verwacht aan de hand van een eigen exploratief empirisch onderzoek een bijdrage te leveren aan de academische kennis over een thema.

5.2 Wetenschappelijke transparantie

§2 Bij wetenschappelijk werk moeten steeds alle beweringen goed en ook duidelijk onderbouwd worden. De schrijver moet de lezer in staat stellen om de argumentatie goed te volgen en de wetenschappelijke waarde en draagwijdte van elke bewering in te schatten.

Dit houdt in dat voor eigen ideeën de schrijver duidelijk moet maken hoe hij/zij tot deze ideeën is gekomen (eigen ervaring, eigen dataverzameling (hoe verzameld?; waar?; wanneer?;), etc.). Bij elk gebruik van het gedachtegoed of de empirische bevindingen van anderen, moet de schrijver op een adequate manier naar de gebruikte bron(nen) verwijzen. Ook dient hij/zij een duidelijk onderscheid te maken tussen een eigen samenvatting/interpretatie en het letterlijk citeren van een bron.

5.3. Taal van het opleidingsonderdeel Onderzoekspaper

§3 De Onderzoekspaper wordt in het Nederlands geschreven. Op eenvoudig verzoek en na akkoord van de promotor kan de Onderzoekspaper ook in het Engels of Frans geschreven worden. Wanneer de Onderzoekspaper in het Engels of Frans wordt geschreven, is een samenvatting in het Nederlands verplicht.

5.4. Plagiaat

§4 De faculteit heeft inzake onregelmatigheden m.b.t. Onderzoekspaper/Masterproef, of bij andere vorm van (schriftelijke) rapportering, een Facultair reglement Plagiaat opgesteld (zie Deel 9 van het F-OER). Studenten dienen dit reglement nauwkeurig op te volgen.

Artikel 6. Voortgangssessies

6.1. Logica

§1 Het vak ‘Onderzoekspaper’ omvat enerzijds voortgangssessies bestaande uit infomomenten en werkmeetings, en anderzijds het eindproduct (de eigenlijke Onderzoekspaper). Zowel de opdrachten voor de sessies als de eigenlijke Onderzoekspaper worden geëvalueerd.

§2 Tijdens de voortgang worden formele opdrachten gegeven in functie van de uitwerking van de eigenlijke Onderzoekspaper. Het doel hiervan is, naast het garanderen van de voortgang en de kwaliteit van de Onderzoekspaper, het leren organiseren, uitwerken en verdedigen van een eigen (onderzoeks)project (“projectmanagement”).

§3 Naast de formele begeleidingsactiviteiten is er ook individuele begeleiding mogelijk door de promotor of zijn of haar medewerkers op vraag van de student.

6.2. Praktische invulling van de voortgangssessies

§4 Er worden verschillende formele stappen in de begeleiding van de voortgang voorzien:

1) Inleidende sessie

- Klassikaal voor alle studenten die het vak volgen, in de eerste week van het eerste semester

- Voorstelling van het vak ‘Onderzoekspaper’, de verschillende fasen in de begeleiding, de mogelijke onderzoeksonderwerpen en promotoren, de procedure rond het kiezen van een promotor en de gehanteerde beoordelingscriteria.

2) Informatiemoment per promotor

- Tijdens de tweede of derde week van het eerste semester, tijdens het spreekuur van de promotor, of in een collectieve sessie met geïnteresseerde studenten.

- Het doel van deze sessie is verkennende gesprekken te voeren omtrent de keuze van een onderzoeksthema.

Vastleggen promotor en onderzoeksthema op Artemis: zie website FSA via: http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/voorbereiding-op-de-masterproef/Onderzoekspaper.htm en http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/data

3) Voortgangssessie 1: thema en probleemstelling

- Deze sessie vindt plaats voor 1 december, in een sessie per promotor, of in een collectieve sessie met meerdere promotoren.

- De studenten geven een toelichting van hun thema en voorlopige probleemstelling op basis van een korte nota van 2 à 3 pagina’s. Hierbij wordt tevens relevante wetenschappelijke literatuur aangeduid over dat thema dat inspiratie biedt voor het toewerken naar een probleemstelling (2 à 3 inspirerende teksten). Hoewel het nog gaat om work-in-progress, is dit document wel een net-versie (met referenties, een heldere alineastructuur, etc.).

- Het doel van deze meeting is studenten in een vroege fase laten nadenken hoe ze, aan de hand van bestaande literatuur, kunnen evolueren van een breed thema naar een eigen probleemstelling, én het bijsturen van schrijfstijl en referentietechniek. De promotor kan adviseren of de door de student voorgestelde teksten goed aansluiten bij het gekozen thema en of de student op de goede weg is om een interessante probleemstelling te vinden, voortbouwend op de literatuur.

- Indienen van de nota: ten laatste 1 week voor de bijeenkomst, via ‘studentenpublicaties’ op Minerva.

4) Voortgangssessie 2: onderzoeksvraag en onderzoeksdesign

- Deze sessie vindt plaats voor 1 maart, in een sessie per promotor, of in een collectieve sessie met meerdere promotoren.

- De studenten geven een toelichting, op basis van een korte nota van 2 à 3 pagina’s, over de voorlopige onderzoeksvraag (en eventueel deelvragen) die zij precies willen beantwoorden in het kader van de geselecteerde probleemstelling, en over het onderzoeksdesign dat ze daarvoor willen toepassen (inclusief welke methode en data ze gaan gebruiken). Ze verantwoorden hun keuzes en staan stil bij de voor- en nadelen en de haalbaarheid ervan.

- Het doel van deze meeting is om na te gaan of de student tot een interessante en haalbare onderzoeksvraag is gekomen, of het beoogde onderzoeksdesign gepast is voor deze onderzoeksvraag, en op welke manier de student vervolgens het onderzoek plant uit te voeren. Na deze sessie moeten studenten klaar zijn om het verkennend empirisch onderzoek aan te vatten.

- Indienen van de nota: ten laatste 1 week voor bijeenkomst, via ‘studentenpublicaties’ op Minerva.

Indienen definitieve paper: data zie website FSA: http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/voorbereiding-op-de-masterproef/Onderzoekspaper.htm en http://www.ugent.be/ps/nl/voor-studenten/administratie/data)

6.3. Alternatief traject per promotor

§5 Promotoren kunnen er ook voor kiezen om af te wijken van de hierboven beschreven aanpak en bijvoorbeeld enkel individuele sessies organiseren, of een andere timing hanteren. Dit alternatief traject moet wel op dezelfde manier de voortgang van studenten opvolgen, evalueren (inclusief via de bovenvermelde opdrachten) en waar nodig bijsturen.

6.4. Alternatief traject voor uitgaande Erasmusstudenten

§6 Deze studenten kunnen zich niet onttrekken aan de opdrachten in het kader van de voortgang.

§7 De voortgangssessies worden schriftelijk afgewerkt, volgens dezelfde deadlines. De promotor kan feedback geven op de ingediende documenten via mail of Skype.

§8 Erasmus-studenten informeren bij het begin van het academiejaar de promotor omtrent hun buitenlands verblijf.

6.5. Quotering

§9 Om voor dit opleidingsonderdeel te kunnen slagen, moet de student ten minste de helft van de punten behalen voor de paper. Indien niet aan deze voorwaarde voldaan is, behaalt de student een cijfer dat lager is dan 10/20. Indien wel aan deze voorwaarde voldaan is, wordt het cijfer berekend als de optelsom van beide waarbij de voortgangsopdrachten voor 15% meetellen en de paper voor 85%.

§10 Zowel het respecteren van de deadlines, de deelname aan de sessies, als de kwaliteit van de twee opdrachten worden beoordeeld. Studenten kunnen enkel de helft van de voor de voortgang voorziene punten behalen als ze de deadlines respecteren, ernstige nota’s indienen en deelnemen aan de sessies. Om meer dan de helft te halen moet er sprake zijn van inhoudelijk scherpe bijdragen.

§11 Studenten die niet deelnemen aan de voortgangssessies krijgen 0 op 3 voor dit onderdeel van het vak. Ze worden niet uitgesloten van het indienen van de Onderzoekspaper.

§12 Voor het beoordelen van de opdrachten zijn de volgende elementen richtinggevend:

- Sessie 1:

  • Interessant thema?
  • Goede keuze en bespreking van inspirerende teksten?
  • Aanzet tot politiekwetenschappelijke probleemstelling?
  • Heldere schrijfstijl?

- Sessie 2:

  • Interessante en haalbare onderzoeksvraag?
  • Adequaat onderzoeksdesign?
  • Logische structuur?
  • Goede aanzet tot empirisch onderzoek?

6.6. Tweede zittijd

§13 Er is GEEN tweede examenkans voor de voortgangsopdrachten (welke niet-periodegebonden evaluaties vormen). De punten voor de voortgangssopdrachten worden overgenomen naar de tweede zittijd.

§14 Zij die niet participeren aan de voortgangsopdrachten krijgen een 0 op 3, maar worden niet uitgesloten van het indienen van de eigenlijke Onderzoekspaper in tweede zittijd.

6.7. Ziekte

§15 In geval van ziekte (gelegitimeerd met een ziektebriefje) zal een specifieke regeling uitgewerkt worden in samenspraak met de promotor – indien dit praktisch mogelijk is en in lijn is met de logica van het voortgangsformat

§16 Verder geldt de ziekteregeling zoals die voor examens geldig is.

Artikel 7. Extra vereiste voor wie niet geslaagd is en de Onderzoekspaper op een later tijdstip opnieuw indient

Studenten die niet geslaagd zijn voor de Onderzoekspaper en die op een later tijdstip opnieuw indienen, voegen hier een afzonderlijk document aan toe, waarin ze (a) een overzicht geven van de aangebrachte wijzigingen, en waarin ze (b) aangeven op welke manier ze hebben ingespeeld op de verslagen en de commentaren op de eerdere versie.

Bijlage: Beoordelingsformulier Onderzoekspaper

deel6-beoordelingsformulier-op.docx