Detacheringsfraude – Advies advocaat-generaal in Altun (C-359/16)

(13-12-2017) Nationale rechter kan A1-verklaringen naast zich neerleggen wanneer fraude behoorlijk is aangetoond.

Het Europees Hof van Justitie moet zich binnenkort uitspreken over een belangrijk vraagstuk in het Europees socialezekerheidsrecht (zie Altun C-359/16).

Bij discussie over de geldigheid van detacheringsbewijzen (A1-verklaringen), voorzien de toepasselijke verordeningen in een dialoog- en bemiddelingsprocedure tussen de betrokken lidstaten. Maar kan een nationale rechter ook zelf ingrijpen bij vaststelling van fraude? Deze kwestie is controversieel. De rechtspraak over het bindende karakter van A1-formulieren en het respect voor de dialoog- en bemiddelingsprocedure staat immers op gespannen voet met de rechtspraak over fraude en misbruik van het Unierecht.

De advocaat-generaal bij het Hof neemt als uitgangspunt: burgers kunnen in geval van bedrog of misbruik geen beroep doen op het Unierecht. Sterker: de nationale rechter heeft de plicht om fraude te bestrijden door hen het beroep op die bepalingen te ontzeggen. Volgens de advocaat-generaal zou het resultaat anders onaanvaardbaar zijn. Ook sociaaleconomische overwegingen pleiten voor het verlenen van voorrang aan fraudebestrijding.

De nationale rechter moet wel eerst de fraude behoorlijk vaststellen. Bij gebrek aan een wettelijk fraudebegrip, raadt de advocaat-generaal een dubbele benadering aan:

  1. De nationale rechter moet een objectief element aantonen: in werkelijkheid is niet voldaan aan de voorwaarden om het beoogde voordeel te krijgen (hier: de 'voordelige' uitzonderingsregel voor detacheringen)
  2. Daarnaast geldt een subjectief element: de betrokkenen moeten opzettelijk verbergen dat in werkelijkheid niet is voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van een detacheringsbewijs.

Eenmaal beide componenten zijn vastgesteld binnen een tegensprekelijk debat, kan de nationale rechter de detacheringsverklaring buiten toepassing laten.

Volgens de advocaat-generaal is deze benadering niet per se in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel, de loyauteitsplicht tussen de Unie en de lidstaten, of met de bepalingen van de verordeningen.

Het Hof doet uitspraak in de komende maanden. IRIS volgt het verdere verloop van deze zaak op.

 (Jeroen lorré)