Opiniestukken

2017
2016
2015
2013
2011
2010
2008
2007

 

2017

De N-VA oogst wat ze zaait met haar war on drugs in Antwerpen

Prof. Dr. Tom Decorte, hoogleraar criminologie, Universiteit Gent

M.Y. kreeg bij wijze van waarschuwing enkele dagen geleden een paar kogels door zijn benen gejaagd, terwijl hij in Schoten zijn hond uitliet. Het is minstens het zestiende schietincident in de regio Antwerpen dat de media haalt, en slechts het topje van de ijsberg: als professionele criminelen hun concurrenten doodsbedreigingen overbrengen (een kogelbrief of een kadaver voor de deur), mekaar bestelen, of iemand deskundig in elkaar timmeren, dan komen zulke feiten zelden aan het licht. De lijst met aanslagen met molotovcocktails, machinegeweren en uitgebrande voertuigen is onrustwekkend, maar weinigen schijnen zich vragen te stellen bij de werkelijke oorzaken.

De N-VA schrijft het geweld in de publieke ruimte toe aan kleine en grote oorlogen tussen verschillende bendes in ‘het zware drugsmilieu’, vooral de cocaïnesmokkelaars in de Antwerpse haven. In mei 2017 – na de beschieting van een woning in Berendrecht – heette het nog ‘geïsoleerde incidenten’, met een duidelijke link met Nederland, alsof het een geïmporteerd uitheems fenomeen betrof. Wie een oorzakelijk verband zag met de Antwerpse ‘war on drugs’, kende het dossier volgens de burgemeester niet. En dus schoof de oorlog nog hoger op het prioriteitenlijstje van de politie, en werden nog meer camera’s, patrouilles en manuren in de strijd gegooid.

Overal ter wereld zijn deskundigen inzake drugsbeleid het erover eens dat een ‘war on drugs’ niet werkt, budgettair op termijn niet vol te houden is, en de zaken alleen erger maakt. In 1999 startten Colombia en de VS een nooit geziene war on drugs met het zogenoemde Plan Colombia. Meer dan 9 miljard dollar werden in het leger en politie gepompt om de drugskartels te bestrijden. De balans jaren later: meer dan 220.000 doden (4 op 5 waren burgers), vooral bij reeds gemarginaliseerde bevolkingsgroepen, grootschalige schendingen van de mensenrechten, en vooral: een grotere verspreiding van de georganiseerde misdaad op het Zuid-Amerikaanse continent. De kartels zijn er machtiger dan ooit.

Natuurlijk, Antwerpen is Bogota niet. Het legertje politiemensen dat er wordt ingezet, is slechts een fractie van Plan Colombia. Maar het Antwerpse beleid oogst – weliswaar op kleinere schaal – wat het zaait. Hoe harder de repressieve aanpak, hoe vaker de opportunistische boefjes er de brui aan geven, en hoe groter het marktaandeel voor de échte beroepsmisdadigers, de harde jongens voor wie bestraffing een professioneel risico is dat in de drugsprijzen wordt verrekend. Drugshandel wordt onder die omstandigheden nog winstgevender en aantrekkelijker; de strijd met concurrenten bitsiger. De drieduizend dealertjes die werden opgepakt, zijn allang vervangen door andere garnalen of gingen weer aan de slag. Met de criminalisering van de Antwerpse cannabis social club Trekt uw Plant zijn enkele honderden cannabisgebruikers terug aangewezen op de zwarte markt. De beschikbaarheid van eender welke drug in Antwerpen is niet gedaald, de prijs nog steeds dezelfde.

De Antwerpenaren lijken het ‘Wij doen er ten minste iets aan!’-discours voorlopig te slikken: de zichtbare drugsoverlast in Antwerpen-Noord daalde, en de statistiekjes ‘bewijzen’ het succes. De ‘collateral damage’ bij de schietincidenten beperkte zich tot nog toe tot blikschade en onrust bij de buren van de doelwitten. Maar wat als de molotovcocktail of slecht gemikte kogel een onschuldige burger raakt? De ‘feds’ en het Belgisch leger erbij halen? Of onze dossierkennis opkrikken?

11 augustus 2017, De Morgen

 

2016

De Wever en Muyters over hun ‘war on drugs’: wat je niet meer ziet, is wég!

Prof. Dr. Tom Decorte, hoogleraar criminologie, Universiteit Gent

Onlangs verdedigden burgemeester Bart De Wever en korpschef Serge Muyters vol zelfvertrouwen hun ‘war on drugs’ in Antwerpen in deze krant. ‘De cijfers spreken voor zich’ klinkt het weer, en ze knikken beiden heftig. De boodschap aan de bevolking is duidelijk: wij doen er tenminste wat aan, en we laten niemand ongemoeid. De argumenten die ze steevast van stal halen, zijn evenwel vals en getuigen van een erg oppervlakkige analyse van het complexe fenomeen.

Het is nogal wiedes dat de extra inzet van tientallen politiemensen mooie ‘resultaten’ oplevert onder de vorm van duizenden arrestaties, meer inbeslagnames, een groot aantal pv’s, en meer onderzoeken. Het tegendeel zou helemaal de wenkbrauwen doen fronsen, niet? Maar de beide heren geven zelf aan dat de indrukwekkende cijfers vooral de geleverde inspanningen van politie en justitie weerspiegelen, en geen indicatie zijn van een afname in de vraag naar drugs, of zelfs van het aanbod. De hamvraag is: kan een intensere repressie leiden tot een structurele ontwrichting van de illegale drugsmarkt? De internationale wetenschappelijke wereld kent het antwoord op die vraag al langer – neen, dus – maar die inzichten zijn van geen tel als je een ‘tough on crime’-reputatie ambieert, en vooral in verf wil zetten hoe ‘soft’ of ‘wishy washy’ de concurrenten zijn. Overigens zou ik me als Antwerpenaar afvragen hoeveel de inzet van extra politiemensen en –uren precies heeft gekost de laatste drie jaar, en hoe zich dat verhoudt tot het aantal drugsdealers dat echt definitief is geneutraliseerd en het aantal druggebruikers dat de roesmiddelen definitief afzweert. Overigens: de inzet van politiemensen in de ‘war on drugs’ betekent natuurlijk ook dat die zich niet langer kunnen bezighouden met woninginbraken, familiaal geweld, of zedendelicten in de stad, en ook dat zijn problemen waar de burger wakker van ligt. Nee, het is makkelijker scoren voor burgemeester en korpschef met drugsarrestaties.

De burgemeester en de korpschef noemen hun aanpak geslaagd, omdat de overlast in bepaalde wijken verdwenen is, omdat de junks niet meer openlijk op straat naar een dealer zoeken, en omdat de activiteiten zich verplaatst hebben naar woningen, en naar Gent. Daarmee illustreren ze zelf de ware aard van hun aanpak: een bestrijding van de meest zichtbare symptomen (de drugsoverlast), die moet leiden tot een verspreiding van het fenomeen, tot geografische verschuivingen, en vooral tot een mindere zichtbaarheid van het fenomeen. Dan kunnen de Antwerpse buurtbewoners van de meest geplaagde wijken zich immers weer veilig voelen, en tevreden zijn over hun daadkrachtige burgemeester.  

De Antwerpse ‘war on drugs’ is geen verhaal van repressie alleen. De curatieve en preventieve maatregelen kregen te weinig aandacht, klagen de heren. Het is evident dat hulpverlening, preventie en voorlichting essentiële onderdelen van elk drugsbeleid zijn. Maar dit soort gezondheidsinterventies wordt voortdurend ondermijnd door de repressieve handhaving die gericht is op de populaties die we net proberen te helpen. Door te wijzen op de inspanningen inzake hulpverlening en preventie kan men gebrek aan bewijs voor de doelmatigheid van de repressieve maatregelen niet maskeren!

En als men het debat over een hervorming van het drugsbeleid aanraakt (legalisering!) dan wordt de reactie van Bart De Wever voorspelbaar: ‘Ik kan de argumenten rationeel begrijpen, maar ethisch gezien ben ik ertegen.’ Zijn uitspraken doen het gesprek steevast verzanden in een strijd over welk type beleid (‘verbod’, ‘decriminalisering’ of ‘legalisering’) moreel gezien het ‘juiste’ pad is, terwijl de discussie zich hoort toe te spitsen op welke strategieën het beste werken. Het drugsbeleid in Antwerpen en in België hoort niet te worden aangestuurd door de ideologische overtuigingen, het morele kompas, of het politiek voordeel van enkelen. Het gaat erom welke wapens het meest efficiënt zijn in de strijd tegen drugs. De wapens van De Wever en Muyters missen hun doel, en richten bijzonder veel ‘collateral damage’ aan. En de burgers krijgen de boodschap: ‘wat je niet meer ziet, is weg!’

15 december 2016, Gazet van Antwerpen

 

    2015

    Het gaat over de 'war', niet de drugs

    TOM DECORTE
    Wie? Hoogleraar criminologie (UGent).
    Wat? Ons drugsbeleid bekritiseren is niet hetzelfde als softdrugs promoten. Natuurlijk heeft cannabis schadelijke effecten, het gaat erom dat je die op de juiste manier probeert te beperken.
    Heel moedig is het van een politiecommissaris in functie om zich openlijk uit te spreken tegen onze war on drugs, vindt TOM DECORTE. Jammer dat hij dan ook voorspelbare en niet ter zake doende kritiek op zijn bord krijgt.
    Politiecommissaris Peter Muyshondt pleitte dit weekend voor een andere aanpak van de drugsproblematiek. (DS 4 juni)
    . Hij is zeker niet de eerste politieman die op die manier uit de kast komt. Politiemensen en magistraten op het terrein maken zich steeds meer zorgen over het nut van de drugswetten en de impact ervan op hun relatie met de bevolking. Zij doen hun deel van het werk, maar zien geen oplossing, en dat werkt frustrerend.
    Er bestaat een grote beweging van politiemensen (Law Enforcement Against Prohibition, zie www.leap.cc) die met het oog op een efficiënter drugbeleid voor regulering pleiten. Ze willen een einde maken aan het geweld, de mensenrechten beter beschermen, de kinderen beter beschermen, misdaad en ziekte doen afnemen, drugsverslaafden als patiënten behandelen, ons belastinggeld efficiënter besteden en het respect en het vertrouwen van de burger in het politieapparaat herstellen.
    Toch is de stellingname van Muyshondt bijzonder moedig te noemen, want we zien veel vaker het omgekeerde. Ik ontmoette al vaak hulpverleners, onderzoeksrechters, magistraten en politiemensen die in de wandelgangen van een congres of onder vier ogen uitdrukkelijk aangeven dat ze allang niet meer in de war on drugs geloven en voorstander zijn van een andere aanpak. Maar publiekelijk doen ze dat begrijpelijkerwijs liever niet, want zoiets kan grote gevolgen hebben voor hun carrière, of financiële repercussies hebben voor de organisatie die ze vertegenwoordigen.
    Muyshondt stelt pertinente vragen bij de aangehouden koers, maar riskeert daarmee binnenskamers een vorm van informele sanctionering. Academici riskeren weinig als ze zoiets doen, ze kunnen zich immers altijd op hun academische vrijheid beroepen. Het is overigens niet toevallig dat het vooral oudgedienden en gearriveerden zijn die op wereldvlak durven zeggen dat een repressief drugsbeleid niet werkt. Kofi Annan (VN), George Schultz (VS-minister onder Nixon), George Papandreou (Griekenland), Xavier Solana (Spanje), Jorge ­Sampaio (Portugal), Nick Clegg (VK), César Gaviria (Colombia): allemaal hooggeplaatsten die pas ná hun politieke carrière voor de regulering van drugs zijn gaan strijden. De poging van Peter Muyshondt verdient dus respect, veeleer dan hoongelach of – erger nog – subtiele represailles. Hij stelt pertinente vragen en blijft tegelijkertijd een loyale uitvoerder van de gemaakte beleidskeuzes.
    Bezint eer ge reageert
    Hugo Stabel, een hoofdcommissaris op rust, reageerde gisteren op voorspelbare wijze: hij wijst op een aantal studies die de risico's van cannabis aangeven en noemt zijn collega (wellicht té?) 'emotioneel betrokken'. (DS 6 juni)
    . Maar dit debat gaat in de verste verte niet over de gevaren van cannabis (die staan niet eens ter discussie). Het gaat over de extra schade die het drugsbeleid toebrengt en over hoe een beleid daadwerkelijk tot minder (schadelijk) cannabisgebruik kan leiden. Het draait om de vraag of we in de strijd tegen drugs bétere wapens kunnen gebruiken.
    In tegenstelling tot wat de oud-hoofdcommissaris suggereert, is al heel ernstig nagedacht over regulering: er zijn niet minder dan twaalf verschillende regulerings­modellen die gewikt en gewogen kunnen worden. Het zogeheten supermarktmodel is er maar één van, en toch wordt de keuze te vaak herleid tot de twee meest extreme opties: 'de war on drugs' versus 'de commercialisering' (zoals in Amerika!). Stabel heeft wel één punt: een ernstig debat over hoe zo'n overheidsregulering er in detail moet uitzien, dringt zich op.
    De poging van Peter Muyshondt verdient respect, veeleer dan hoongelach of subtiele represailles.

     

    'Drugsoorlogen’ op festivals en in de steden: ‘fact free politics'

    Prof. Dr. Tom Decorte, hoogleraar criminologie, Universiteit Gent

    Na Antwerpen gaat nu ook de Brusselse politie aan ‘preventie’ doen met een ‘war on drugs’ (DM, 19/08). En deze zomer werd op opvallend veel festivals de ‘strijd tegen drugs’ opgevoerd. Tijdens controles op het Dour Festival werden 192 extra agenten ingezet.  In de aanloop naar Tomorrowland werden uitgebreide controles uitgevoerd op de luchthaven en op internationale treinen. De lokale politie kon bij Reggae Geel uiteraard niet achterblijven, en plande extra drugscontroles. En nu dus een lik-op-stukbeleid op het Pukkelpopfestival, met onmiddellijke inning van boetes voor drugsbezit. En steevast volgt het rijtje van onmiddellijke ‘successen’ in de krant: inbeslagnames van X aantal grammen cannabis, Y aantal xtc-pillen, etc., enkele tientallen dealers opgepakt en een veelvoud pv’s uitgeschreven voor drugsbezit! Overigens, het gaat niet enkel om de aanpak van de drugsbezitters en –verkopers, veel belangrijker is het ontradende en drempelverhogende effect op de jonge, nieuwsgierige jongeren, aldus de pleitbezorgers van deze aanpak.

    Ik stel me de vraag wat dit eigenlijk allemaal oplevert? Kunnen we redelijkerwijs veronderstellen dat de verkoop en het gebruik van illegale drugs slinkt, als we dag in dag uit via de media vernemen dat er alweer een recordvangst is gebeurd, en tegelijkertijd merken dat de illegale drugsmarkt op geen enkel moment permanent en structureel ontwricht wordt? En wat leren ons de ontelbare wetenschappelijke evaluaties van de diverse vormen van ‘lik-op-stuk’-beleid? Welk effect heeft zo’n falende aanpak op langere termijn op de relatie tussen de burger en politie en justitie, en op het moreel van goedmenende politiemensen en magistraten? Hoeveel kost al die extra mankracht de belastingbetaler? En bovenal, welke kwalijke gevolgen heeft deze strategie op de volksgezondheid en op het sociale vlak? 

    ‘Drugsoorlogen’ zoals de Antwerpse en Brusselse burgemeester voorstaan bieden enkel een vals gevoel van veiligheid. Ze zorgen ervoor dat politici kunnen gepercipieerd worden als mensen ‘die er iets aan doen’, maar veeleer dan het probleem aan te pakken, verkwisten ze schaarse middelen en bevorderen ze de marginalisering van kwetsbare groepen. Ik leer uit de evaluaties elders in de wereld vooral over verplaatsingseffecten, méér heimelijk en onzichtbaar gebruik, intensiever gebruik vóór de jongeren naar het festival vertrekken, kleinere maar krachtigere vormen van roesmiddelen, een selectieve behandeling van gebruikers (hoe welgestelder je bent, hoe minder de boete je affecteert), en verwaarloosbare effecten inzake ontrading van nieuwsgierige jongeren die (nog) niet gebruiken). Terwijl her en der in de wereld steeds ernstiger wordt gedebatteerd en nagedacht over de consequenties van het voortschrijdende wetenschappelijke inzicht dat het bestraffen van druggebruik (of het nu met een gevangenisstraf of met een terplekke te betalen boete is) niét werkt, vinden een aantal politici, politiecommissarissen, en procureurs bij ons weer nieuwe moed om het oude recept nog es te proberen. Waarom verkiezen ze een symboolpolitiek (wij geven de strijd ten minste niét op!) boven een evidence based beleid? Waarom zijn veel gezagsdragers pas na hun pensionering bereid het failliet van dergelijke tactieken te onderkennen?

    Vaak wordt beweerd dat het lik-op-stuk beleid geen eenzijdige ‘war on drugs’ is, maar een integrale strategie die ook preventie, behandeling en opvoeding omvat, naast de bestraffing. Het is juist dat hulpverlening, preventie en voorlichting essentiële onderdelen van elke vorm van effectief drugbeleid. Maar deze bewezen gezondheidsinterventies worden voortdurend ondermijnd door repressieve handhaving die gericht is op de populaties die we net proberen te helpen. Door te wijzen op het ‘evidence-based’ karakter van gezondheidsinterventies kan men het gebrek aan bewijs van doelmatigheid van repressie niet maskeren.

    Internationale organisaties (de Wereldgezondheidsorganisatie, de American Public Health Association, het Europese Waarnemingscentrum voor Drugs, UNAIDS, enz.) vinden het hoog tijd dat de politici naar de wetenschappelijke evidentie kijken. Vanuit academische hoek pleitten toxicoloog Jan Tytgat, econoom Paul De Grauwe, en ondergetekende in november 2013 reeds voor een ernstig debat over alternatieven. Koepelorganisaties van preventie- en hulpverleningscentra bij ons (de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen, FEDITO Bruxelles én FEDITO Wallonne) zijn vragende partij voor een ernstig debat over alternatieve tactieken in de (noodzakelijke) strijd tegen drugs. Niemand van hen is pro drugs. Ze willen alleen meer greep krijgen op de reële problemen. Luistert er iemand?

    18 augustus 2015

     

    2013

    Komaan, minister Vandeurzen, dat gelooft u toch zelf niet

    Tom Decorte is criminoloog (UGent), Paul De Grauwe econoom (London School of Economics) en Jan Tytgat toxicoloog (KU Leuven). In tegenstelling tot wat Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) beweert, maakt de legalisering van cannabis preventie niet ongeloofwaardig, schrijven ze.

    (De Morgen, 22 november 2013)

    Dat een minister reageert op een voorstel van professoren is een heuglijk feit. Toch zijn we teleurgesteld over de reactie van Jo Vandeurzen, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (DM 20/11).

    Laten we beginnen met feiten. De minister beweert dat het cannabisgebruik bij de jongeren is gedaald. Dat kan wel zijn, maar het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugverslaving constateert dat het cannabisgebruik in de hele Belgische bevolking (15-64 jaar) blijft stijgen. Bovendien blijkt dat het aantal mensen dat zich met cannabisproblemen bij de hulpverlening aanmeldt in de laatste tien jaar is verdubbeld. Onze conclusie was en blijft dat de belangrijkste doelstelling van het beleid niet is gehaald: een vermindering van het cannabisgebruik gedurende de laatste tien jaar. Het helpt niet als een minister de ogen sluit voor de feiten.

    Maffia

    De kern van ons betoog is dat het beleid faalt in zijn belangrijkste doelstelling en bovendien enorme bijkomende schade creëert. Omdat dit beleid vooral steunt op repressie creëert het twee dramatische effecten. Ten eerste, criminaliteit en geweld. Als de overheid de productie van cannabis illegaal maakt, maakt ze die ook buitengewoon winstgevend. Dat lokt massa's mensen aan die niet terugdeinzen voor geweld. Dit zorgt er ook voor dat de gebruiker in contact wordt gebracht met de criminele wereld. De overheid voert dus een beleid waarbij ze cannabisgebruik gedoogt, maar om dat te doen moeten gebruikers zich bevoorraden bij de maffia. Het kan beter zouden we durven zeggen.

    Een tweede dramatisch effect is er op de volksgezondheid. Door het feit dat de productie en de distributie illegaal en gecriminaliseerd zijn, kan er geen controle uitgeoefend worden op de kwaliteit van cannabis. De feiten zijn dat de cannabis die de gebruikers in handen krijgen vol schadelijke producten zit. Bovendien kent de gebruiker de sterkte (de concentratie aan THC) niet, wat voor jonge en beginnende gebruikers levensgevaarlijk is. De enige manier om dit maatschappelijke probleem op te lossen, is de productie en de distributie te reguleren. Dat laatste impliceert natuurlijk dat je het legaliseert. Maar de minister verschuilt zich achter internationale engagementen. Dan moet hij ons vertellen hoe hij als minister van Volksgezondheid wil vermijden dat Vlamingen vergif innemen en hun gezondheid in gevaar brengen.

    Ons voorstel om het anders te doen is gebaseerd op het idee om de middelen die gebruikt worden in de falende repressieve aanpak (politie, justitie, gevangeniswezen) over te hevelen naar de vraagzijde van de cannabismarkt. Die middelen kunnen gebruikt worden om preventie en ontradingcampagnes te intensifiëren. Het zijn ook middelen die aangewend kunnen worden om problematisch gebruik van cannabis aan te pakken. Zo'n aanpak is veel doelmatiger dan de repressieve aanpak. En daarover gaat het toch.

    Kop in het zand

    Het cannabisgebruik is een plaag die we moeten bestrijden. Het helpt echt niet om, zoals de minister het doet, de kop in het zand te steken en te blijven zweren bij een aanpak die niet werkt en zo veel bijkomende schade veroorzaakt.

    De minister gebruikt het argument dat de legalisering de preventie ongeloofwaardig maakt. Dit argument is zelf ongeloofwaardig. Maakt het feit dat de sigarettenproductie en -distributie legale activiteiten zijn de preventiecampagnes ongeloofwaardig? Komaan, mijnheer de minister, dat gelooft u toch zelf niet. Die ontradingscampagnes die de overheid organiseert blijken heel werkzaam te zijn. Dat zullen ze ook zijn wanneer de overheid met dezelfde nadruk op het gevaar van cannabis wijst. De ontradingscampagne die de minister heeft opgezet is een goed initiatief maar is totaal onvoldoende om de problemen van het falende repressieve beleid op te lossen.

     

    Ons drugsbeleid een succes? Hoe meet u dat?

    Toxicoloog Jan Tytgat laat een ballonnetje op over een proefproject om cannabis te produceren in gecontroleerde omstandigheden (DM 30/4). Criminoloog Brice De Ruyver vindt dat ‘van een gigantische domheid getuigen’ (DM 2/5). Je zult van een architect natuurlijk zelden horen dat hij een krakkemikkige constructie heeft neergezet. Staat u me toe om de selectiviteit van een aantal argumenten onder de loep te nemen?

    (De Morgen, 3 mei 2013)

    Het is ontegensprekelijk zo dat de markt de laatste jaren verschuivingen toont, en ook in ons land plantages worden aangetroffen die linken met onze noorderburen vertonen. Maar het hele fenomeen meteen schetsen als een spill-over van een in essentie Nederlands probleem, is heel erg simpel. Welke kant het Nederlandse beleid ook uitgaat, ook in België is cannabis een populair roesmiddel. Er is een grote vraag van Belgische consumenten, en er wordt veel geteeld ten behoeve van de Belgische markt. We worstelen dus minstens evenveel met ons eigen beleid.

    Ook de boodschap dat het coffeeshopmodel mislukt is, en Nederland nu een bocht van 180 graden maakt, is een valse voorstelling van zaken. Meer dan tien grote steden en gemeenten willen met cannabisproductie experimenteren. Inderdaad, het coffeeshopmodel heeft een aantal onbedoelde neveneffecten gegenereerd, maar dat heeft meer met de gebrekkige of inconsistente regulering, dan met de idee van regulering an sich te maken. Het loont de moeite om te kijken waar de Nederlanders steken hebben laten vallen, en daaruit onze lessen te trekken. We willen Nederland niet worden, we willen het beter dan Nederland doen, toch?

    Een voorstel tot ernstige reflectie over een alternatief beleid wordt doorgaans weggehoond met de klassieke one-liners: we zullen een narco-staat worden, en de internationale verdragen staan het niet toe. Overlast en criminaliteit worden in deze materie net door een gebrek aan regulering gegenereerd; en de internationale verdragen bevatten voldoende achterpoortjes en interpretatieruimte om te kunnen experimenteren. Het zijn per slot van rekening geen bijbelteksten of natuurwetten door God gemaakt. Internationaal gezien groeit overigens de interesse in alternatieve pistes.

    Zelfs van een proefproject wordt al verondersteld dat het de vraag en het aanbod zal doen verhogen. Pure speculatie en angstzaaierij, en bovendien lijkt het mij belangrijker om een minder schadelijk product te laten circuleren, en een constructieve dialoog te kunnen aangaan met de mensen die ondanks de preventieve waarschuwingen tot gebruik over gaan. Reguleren is net niét een vorm van laissez-faire. Daarmee is meteen aangegeven wat de eigenlijke inzet is van deze discussie: aan welke indicatoren wordt het succes van een drugbeleid afgemeten? Heeft het huidige drugsbeleid geleid tot een significante reductie van het (problematisch) cannabisgebruik? Leidt de huidige aanpak tot enige verzwakking van de positie van professionele criminelen in de cannabiseconomie? Levert dit beleid ons enige greep op de sterkte en de zuiverheid van de cannabis? Wat is rationeler: een beleid van onophoudelijk dweilen zonder noemenswaardige effecten, dat 225 miljoen euro winst oplevert voor de criminelen, en onze schatkist even vele miljoenen kost; of een strategie die het fenomeen in zijn minst schadelijke en minst ‘criminele’ vorm tracht te duwen?

    Zijn de consumenten daar wel in geïnteresseerd, vraagt u zich af? We kunnen het die mensen gewoon vragen. Onderzoek (overigens niet alleen in België) wijst uit dat steeds meer mensen zelf cannabis beginnen kweken, omdat ze het product op de zwarte markt niet meer vertrouwen, en over kwaliteit en THC-gehalte controle willen houden. Cannabis social clubs zoals Trekt uw Plant en tientallen clubs in andere landen zijn evenzeer pogingen van gebruikerscollectieven om de productie en distributie te kunnen bewaken. Ook gebruikers willen niet afhankelijk zijn van criminelen.

     

      2011

      Simpele oneliners staan efficiënt drugsbeleid in de weg

      Het geld van de belastingbetaler is veel efficiënter besteed als we het gevecht met drugs met een ander wapen dan criminalisering voeren. Als we een maatschappelijk en politiek debat over de strijd tegen drugs willen aanzwengelen, dan moeten een paar dooddoeners dringend de wereld uit, zegt Tom Decorte.

      (De Morgen, 10 juni 2011, p. 18.)

      De afgelopen dagen bepleitten zowel Paul De Grauwe (DM 4/6) als het LVSV (DM 8/6) de legalisering van drugs, in de nasleep van het rapport van de Global Commission on Drugs Policy een grote groep voormalige regeringsleiders. Ik onderschrijf hun argumenten volledig. Maar als men een breder debat wenst aan te zwengelen over een efficiënter drugsbeleid in België, dan wordt dat doorgaans snel gesmoord met populaire oneliners. Ik stip er enkele aan:

      'Er is op mondiaal vlak geen politiek draagvlak voor legalisering.' Sinds de jaren zeventig houden experten(panels) geregeld een pleidooi voor efficiëntere drugsbeleidsstrategieën, overal ter wereld: het Global Initiative for Drug Policy Reform, de Canadian Government Commission on Cannabis, de Amerikaanse National Commission on Marihuana and Drug Abuse, de Latin American Commission on Drugs and Democracy, enzovoort. De lijst van landen waar het failliet van de 'war on drugs' openlijk wordt erkend, wordt almaar langer. Steeds meer overheden zoeken op creatieve wijze naar een alternatieve koers. Ze opteren voor depenalisering (Groot-Brittannië, verschillende Amerikaanse staten), voor decriminalisering (een aantal Australische deelstaten), voor 'de facto legalisering' (Nederland, Duitsland), of 'de jure legalisering' (Canada, enkele VS-staten), of voor mengvormen. In Californië werd over een voorstel tot legalisering in 2010 een volksraadpleging gehouden: 46,2 procent stemde vóór. Volgend jaar komt het voorstel wellicht opnieuw op de agenda. Het draagvlak voor legalisering is groter dan sommigen willen geloven.

      Supermarktmodel

      'De internationale verdragen laten geen radicale koerswijziging toe.' Als voldoende landen zich terugtrekken, kunnen de verdragen heronderhandeld, opgezegd of geamendeerd worden, maar in het huidige internationale politieke klimaat inzake drugs zal dat niet gauw gebeuren. Belangrijker is dat landen (alleen of in groep) acties kunnen ondernemen: ze kunnen uit het verdrag stappen en er eventueel 'met een voorbehoud' weer in stappen. Ze kunnen argumenteren dat de omstandigheden waaronder ze het verdrag hebben ondertekend fundamenteel gewijzigd zijn. Er kan, voor cannabis bijvoorbeeld, een nieuw internationaal verdrag worden opgesteld. Men kan het middel in de bestaande tabaksverdragen inschrijven. Ten slotte kan een overheid simpelweg wetgeving produceren, of haar grondwet aanpassen, tégen de verdragen in. De VS, belangrijkste motor van de war on drugs, hanteren bijvoorbeeld het principe dat nationale wetgeving op verdragsteksten voorrang krijgt als er sprake is van conflicterende bepalingen.

      'Voorstanders van legalisering pleiten voor een supermarktmodel.' Alcohol, tabak en psychoactieve medicatie zijn in handen van multinationals, met commercialisering, sluwe marketing en 'branding' (adverteren, het zoeken naar nieuwe doelgroepen van consumenten, en het verdoezelen van de inherente risico's van deze middelen) als gevolg. Voorstanders van legalisering pleiten voor regulering: strikte overheidscontrole op de productie (hoeveelheid, hygiëne, sterkte van het product, en andere kwaliteitsnormen), op de distributie (dosering, verpakking, een bijsluiter met informatie over (neven)effecten, risico's, schadebeperkende tips.), op prijszetting (duur genoeg om misbruik te ontmoedigen, en goedkoop genoeg om het illegale circuit geen kans te laten), op de verkoop (gelicentieerde verkoopspunten, regels omtrent het aantal en de inplanting ervan). Ook gebruikers kunnen aan regels worden onderworpen (leeftijdsgrenzen, maximale hoeveelheid per aankoop of per periode, lidmaatschap van een specifieke club of groep, enzovoort). Het strafrecht kan onverminderd dienen om illegale verkoop of productie, het verstrekken van roesmiddelen aan geïntoxiceerde mensen, criminaliteit om drugs te verwerven, enzovoort te beteugelen.

      'Legaliseren is een vorm van opgeven.' De huidige aanpak is een waterbedstrategie: we proberen hier en daar een verschijningsvorm van het fenomeen te onderdrukken, maar het duikt even snel elders weer op, vaak in een andere verschijningsvorm. Een kwalijk gevolg is dat politie, justitie, hulpverleners én onderzoekers telkens moeten achterhalen waar en hoe het aanbod van en de vraag naar roesmiddelen zich manifesteren. Het geld van de belastingbetaler kan efficiënter worden besteed als we het gevecht met drugs met een ander wapen dan criminalisering voeren. Het zou mooi zijn als we dat debat eens een kans gunnen.

       

      Wietbeleid zonder ‘hit-and-run’

      De wereld van de joints wordt steeds crimineler, zo bleek uit het wietrapport in de zaterdagkrant. TOM DECORTE stelt vragen bij de repressieve aanpak.

      (De Standaard, 1 augustus 2011, p. 21.)

      Dit weekend beschreef commissaris Benny Van Camp van de federale gerechtelijke politie een aantal belangwekkende trends in de cannabisindustrie, en pleitte criminoloog Brice De Ruyver voor een goed gewapend bestuur jegens de professionele wietteelt (DS 30 juli). De ontwikkelingen waarvan sprake zijn empirisch onderbouwd, ook door onafhankelijke onderzoekers in België, Nederland én in de rest van de westerse wereld.

      Het is juist dat cannabis sinds het begin van de jaren negentig steeds meer lokaal wordt geproduceerd, en in steeds mindere mate wordt geïmporteerd vanuit de traditionele productielanden (Libanon, Nepal, Afghanistan, enzovoort). Eerst in Nederland, Groot-Brittannië, Canada en de Verenigde Staten, en later in Australië, Nieuw-Zeeland en tal van Europese landen vond een proces van importsubstitutie plaats, een reactie van de illegale economie op het 'goed gewapend bestuur' van de internationale war on drugs.

      Het merendeel van de cannabis die in onze contreien wordt geconsumeerd, wordt inderdaad door professionele organisaties geproduceerd. Dat is niet zo onlogisch: criminele ondernemers houden zich per definitie bezig met al wat onder de noemer 'snel geldgewin' valt. De criminalisering van cannabis vormt de belangrijkste motor van de illegale industrie: het illegale karakter verveelvoudigt de winstmarges van de cannabisproducenten en -handelaren. Met hun financiële mogelijkheden zullen ze politie en justitie op technologisch en organisatorisch vlak altijd een stap voor blijven. De vraag naar cannabis is bovendien te groot geworden, om te geloven dat de markt enkel door kleinschalige en ideologisch geïnspireerde kwekers (de 'brave anarchist met groene vingers') kan worden bevoorraad. Dat is geen louter Belgische en Nederlandse trend: in de westerse wereld is de 'normalisering' van cannabis een onbetwistbaar gegeven geworden. Het is zorgwekkend, en een evidence-based beleid ter zake is méér dan nodig.

      Technologisch speelgoed

      In Nederland wordt de druk op de cannabistelers sinds enkele jaren opgevoerd. De politie wisselt er gegevens uit met electriciteits-, verzekerings- en sociale huisvestingsmaatschappijen. De strafmaat voor commerciële cannabisteelt is opgevoerd, en de politie mag apetrots uitpakken met nieuwe technologische speeltjes. Begrijpelijk dus dat de Belgische politiediensten hun collega's van boven de Moerdijk met afgunst bekijken en roepen dat ze het fenomeen binnen aanvaardbare proporties kunnen dwingen, als ze maar meer mankracht, extra bevoegdheden en de nieuwste detectie-toys krijgen. Het loont de moeite om de effecten van die Nederlandse aanpak wat grondiger te analyseren, vooraleer we beslissen om het geld van de belastingbetaler aldus te investeren.

      Sinds 2005 worden in Nederland jaarlijks ongeveer 6.000 plantages ontmanteld, goed voor 2,5 miljoen planten. Dat politieoptreden heeft volgens een aantal Nederlandse onderzoekers niet het beoogde effect op het aanbod van cannabis, maar wel op de aard van de cannabisindustrie. De hennepteelt is er niet teruggedrongen, maar de cannabismarkt is wel crimineler en harder geworden. Veel ervaren thuiskwekers van de oude stempel houden ermee op, omdat zij het risico op betrapping niet wensen te lopen. De hennepteelt is wel zo lucratief, dat hun plaatsen worden ingenomen door keiharde ondernemers en handelaren. Deze spelers hebben hun sporen soms op andere illegale terreinen verdiend en calculeren bestraffing als een professioneel risico in. Het beleid stimuleert het toenemende criminele karakter van de cannabisbranche: bedreigingen, liquidaties, wapendracht, rip-offs, 'booby traps', afpersingen en verklikkingen.

      Sterke wiet

      Ook voor de volksgezondheid zijn er ongewenste neveneffecten: zulke kwekers introduceren malafide praktijken, zoals het verzwaren van wiet en het gebruik van chemische voedingssupplementen, pesticiden en middelen waardoor de wiet er beter uitziet. Zij zijn meer geïnteresseerd in sterke wietsoorten (vandaar: hogere THC-gehaltes) en de financiële opbrengst die deze kunnen genereren. Dat leidt tot een monocultuur: een verschraald aanbod van soorten met een twijfelachtige kwaliteit. En dat kan op zijn beurt weer een effect hebben op de prijzen.

      Nederlandse academici documenteerden nog kwalijke gevolgen van de Nederlandse aanpak. De 'cannabis-rooidagen' die de Nederlandse politie en justitie geregeld houdt, in samenwerking met electriciteitsmaatschappijen en andere actoren, hebben aanleiding gegeven tot een commercialisering én bureaucratisering van de aanpak. Het opruimen van de plantages wordt steeds meer overgelaten aan gespecialiseerde firma's, want dat zijn kostbare manuren. Die firma's beconcurreren elkaar, en het gevaar dat ze zélf - met het oog op winstmaximalisatie - pro-actief naar plantages op zoek gaan, loert om de hoek. De Nederlandse praktijk is vooral een 'hit-and-run'-tactiek: ze lijkt meer gericht op het ontmantelen van een maximaal aantal plantages, terwijl de potentiële impact op de georganiseerde misdaad niet altijd doorweegt. De statistieken zijn nuttig om de performantie van politie en justitie te 'bewijzen', maar de reële impact op de strijd tegen georganiseerde criminelen is verwaarloosbaar. Net zoals in België, worden ook in Nederland - ondanks de prioriteit die men eraan geeft - vooral de kleine garnalen gevangen. Het ontmaskeren van topfiguren is in principe niet onmogelijk, maar het kost zóveel tijd en geld, dat het binnen een politiek realistisch budget een onmogelijke opdracht is.

      De roep om 'goed gewapend bestuur' van Belgische politiediensten en van (gouvernementele) criminologen is geen structurele maar een kortzichtige strategie met vervelende onbedoelde neveneffecten, zo leert de Nederlandse aanpak ons. Ook in België kan het alleen maar leiden tot enige verschuiving of een gedaanteverandering van de cannabisteelt, en een toename van de criminele organisatie en de criminaliteit in de cannabisbranche. De prioriteit ligt beter bij een cannabisbeleid dat de hele cannabismarkt in haar minst onaanvaardbare vorm 'pusht' en de meest schadelijke aspecten van het cannabisgebruik vermindert.

       

      2010

      De retoriek rond roesmiddelen

      (De Standaard, 22 december 2010, p.53.)

      Dat er geen draagvlak is voor de regulering van illegale drugs is geen argument om het debat niet te voeren, vindt  TOM DECORTE . Met een doorgedreven criminalisering lost het probleem zich niet vanzelf op.

      Criminele figuren en organisaties profiteren van de onwezenlijk hoge winstmarges die het huidige systeem hen biedt

      In een opiniestuk 'Het imagoprobleem van cocaïne' (DS 21 december) reageert Marijs Geirnaert op een aantal getuigenissen van gebruikers en een aantal van mijn uitspraken in het artikel 'Cocaïne hoort niet in de strafwet' (DS 20 december). Ze wil daarmee - wat mij betreft, overigens geheel terecht - waarschuwen voor een al te positieve beeldvorming rond cocaïne, en dat kadert - alweer volledig legitiem - in een preventieve gedachte: we willen zoveel mogelijk voorkomen dat mensen, vooral jongeren, met roesmiddelen beginnen.

      Marijs Geirnaert haalt enkele degelijke argumenten aan die inderdaad in de wetenschappelijke literatuur worden onderbouwd: het gebruik van bepaalde roesmiddelen speelt zich vaak af in specifieke groepjes, klieken of subculturen, en daardoor krijgen gebruikers inderdaad verkeerdelijk de indruk dat 'iedereen' het doet. Het klopt dat het gebruik van de meeste illegale roesmiddelen een marginaal fenomeen blijft, cannabis buiten beschouwing gelaten. Jonge, onervaren en experimentele gebruikers onderschatten vaak een aantal risico's, dat klopt, en erg regelmatig of zeer intensief gebruik van eender welk roesmiddel kan tot lichamelijke, geestelijke en sociale problemen leiden.

      Maar tegelijkertijd hanteert Marijs Geirnaert ter ondersteuning van haar pleidooi een aantal retorische argumenten, die niét stroken met wat diverse wetenschappers op dat vlak hebben bestudeerd.

      1. Dat de contouren van ons drugbeleid mee bepaald worden door internationale verdragen, klopt, maar er moet wél bij worden vermeld dat een indrukwekkend aantal auteurs de verschillende pistes hebben beschreven waarlangs een alternatief beleid gestalte kan worden gegeven, zowel via het heronderhandelen van de internationale afspraken, als via allerlei juridische achterpoortjes. Het aantal landen dat ondertussen debatteert en experimenteert met vormen van decriminalisering, depenalisering en zelfs regulering is ondertussen behoorlijk impressionant.

      2. Hoezo, er is nergens ter wereld een voorbeeld van hoe regulering - ik verkies die term boven 'legalisering' - in de praktijk zou werken? Verschillende landen hebben ondertussen een systeem van regulering over 'medicinale cannabis': die modellen illustreren perfect hoe je productie, distributie en detailhandel van een roesmiddel kunt regelen zónder dezelfde fout te maken die we met alcohol of tabak hebben gemaakt: in handen geven van de vrije markt, en dus commercialiseren, met het oog op winst. Overigens, dat argument kan net zozeer worden omgekeerd: het experiment van de alcoholdrooglegging in de VS maakte net pijnlijk duidelijk hoe criminalisering van productie en consumptie érgere gevolgen heeft voor de volksgezondheid - en het succes van criminele ondernemingen - dan een vorm van regulering.

      3. Geen énkel beleid ('legalisering' of criminalisering) zal een 'oplossing' bieden voor de gezondheidsgevolgen van roesmiddelengebruik in alle omstandigheden. Mijn pleidooi voor een diepgaand debat over regulering is nooit gestoeld op zo een illusoire belofte. Het zijn vaak de voorstanders van een volgehouden criminalisering die de illusie wekken dat ze het fenomeen ooit wel de wereld uit zullen krijgen, als ze maar genoeg middelen mogen inzetten.

      4. Dat er geen maatschappelijk draagvlak bestaat voor legalisering is een bijzonder hol argument. Was er een maatschappelijk draagvlak voor de invoering van de eerste strafwetten rond drugs in 1921, toen het illegaal roesmiddelengebruik zo goed als onbestaande was in onze contreien? Is er ooit een maatschappelijk draagvlak voor het verhogen van de belastingen of voor forse bezuinigingen? Een draagvlak wordt gecreëerd in een bepaald historisch momentum, en zowel beleidsmakers, beleidsadviseurs, media als drugsexperts kunnen daarin een rol spelen, als ze dat zouden willen.

      5. De war on drugs heeft gefaald. Legalisering is geen optie. Heeft de VAD een alternatief voor ogen? Of heeft zij de indruk dat het huidige beleid succesvol is? De cijfers vanuit de hulpverlening die zo vaak gehanteerd worden, doen alvast vermoeden van niet.

      6. Les statistiques, c'est comme le bikini. Ça donne des idées, mais ça cache l'essentiel. De cijfers die Marijs Geirnaert presenteert, vormen nuttige vaststellingen, maar de registraties in de hulpverlening en bij de Druglijn kunnen we maar beoordelen als we weten hoe groot de totale populatie van cocaïnegebruikers op een gegeven moment is, en hoe die over de jaren heen is geëvolueerd. De illegaliteit maakt het meten van het fenomeen alleen al een heikel punt.

      Dat gebruikers wel eens last hebben van kokerzicht of tunnelvisie heb ik ook al heel vaak kunnen observeren: ze denken ten onrechte dat de risico's klein zijn. Maar drugsexperts hebben ook wel eens last van dezelfde kwaal, en verheffen de verhalen van hun cliënteel tot de norm: de hulpverlener denkt vaak dat elk druggebruik tot ellende leidt, de spoedarts ziet doorgaans alleen de 'ongevallen', de drugsmagistraat ziet vooral de verbanden tussen druggebruik en drugsgerelateerde criminaliteit, enz. En de wetenschappelijke blik op roesmiddelen is ook niet steeds waardevrij.

      Een van de donkerste of grimmige kanten van cocaïne en andere illegale roesmiddelen is volgens mij het feit dat de criminalisering ervan de belangrijkste economische motor is van de aanbodzijde: criminele figuren en organisaties profiteren van de onwezenlijk hoge winstmarges die het huidige systeem hen biedt. Zíj zijn het die de cocaïne versnijden. Ze infiltreren met hun geld in de legale economie, financieren verwerpelijke regimes en terroristische activiteiten. Is het voor wie intens en vanuit legitieme bekommernis begaan is met het welzijn van de medemens niet gewoon lekkerder dweilen, als je weet dat ondertussen iemand de kraan ook daadwerkelijk tracht te repareren?

       

        2008

        Justitieminister Vandeurzen zet een glazen stolp over de samenleving

        (De Morgen, 10 april 2008, p. 14.)

        De gretigheid waarmee politici en hun adviseurs afdoende remedies tegen het kwaad blijven propageren voedt onzinnige illusies.  Tom Decorte is als professor verbonden aan het Instituut voor Sociaal Drugsonderzoek (Universiteit Gent). De minister van Justitie Jo Vandeurzen (CD&V) heeft zopas zijn beleidsplan uit de doeken gedaan. Voor wat betreft het drugsbeleid wil hij het gedoogbeleid van paars verder terugschroeven: "Wie voortaan een joint opsteekt, kan worden vervolgd" (DM 8/4).

        Mooi is dat! Door de dubbelzinnige, onvolledige en inconsistente communicatie over het overheidsbeleid inzake cannabis, én door het bijzonder slechte wetgevende werk terzake, heerste op het terrein (onder magistraten, politie, hulpverleners, preventiewerkers, opvoeders, ouders en burgers) gedurende jaren verwarring, rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. En nu de mist stilaan opgetrokken scheen, verklaart de minister doodleuk dat hij weer de andere kant wil opvaren. In de communicatiewetenschap geldt het adagium dat als politieke actoren niet volledig, feitelijk en consistent communiceren, zij de facto elke burger aansporen om het beleid op zijn of haar manier te interpreteren. Het is een perfecte illustratie hoe wetenschappelijke bevindingen weinig of geen impact hebben op de waardegebonden keuzes die beleidsmakers maken.

        Bovendien schijnen maar weinigen in dit land te begrijpen dat na veertig jaar repressief beleid de resultaten inzake cannabis niet echt overtuigend zijn: het aanbod is niet teruggeschroefd, de prijs niet hoog gehouden, het aantal gebruikers niet gereduceerd, en de sterkte en de kwaliteit van het product niet manipuleerbaar gebleken.

        Achter een repressief beleid, gestoeld op bepalingen in het strafrecht, schuilt de idee van de glazen stolp. Als ze maar zwaar genoeg is, kun je het gebruik van roesmiddelen in onze samenleving tegenhouden. De zware prijs die voor het repressieve beleid van deze minister zal worden betaald, is de nog moeilijke interactie met alle mensen die roesmiddelen gebruiken. Zo'n beleid creëert een taboe, en belet dat problematische vormen van roesmiddelengebruik tijdig worden gedetecteerd. Bijgevolg vergroot het risico dat gebruikers het kind met het badwater weggooien, en dus de - overigens geheel terechte - waarschuwing voor de gevaren van overmatig roesmiddelengebruik negeren, omdat zij het cannabisbeleid weinig geloofwaardig vinden.

        Ook voor wat betreft het cannabisaanbod kiest de minister voor een versterkt repressief beleid. Naar het voorbeeld van de Nederlandse aanpak van de laatste jaren wil hij intensievere samenwerking met elektriciteitsleveranciers en -netwerkbeheerders, doorrechercheren naar de opdrachtgevers, en intensievere internationale samenwerking tegen de cannabisproductie en het drugstoerisme. Dat begin december 2007 in Gent op een tweelandenconferentie over 'Cannabisteelt in de lage landen' verschillende wetenschappers uit België en Nederland (en niet de minste) zijn komen getuigen dat die aanpak niet heeft gewerkt, en bovendien onbedoelde neveneffecten heeft gehad, is hem wellicht ontgaan.

        Ik som er een paar op, mijnheer de minister, bij wijze van voorspelling: uw versterkte repressieve aanpak zal ook in België de cannabisteelt enigszins doen verschuiven, maar de criminele organisatie én de criminaliteit in de economische sector van de cannabisproductie zullen alleen maar toenemen. Uw beleid zal leiden tot een nieuwe reeks van innovaties in productietechnisch en organisatorisch opzicht. De huidige cannabissector kan uw beleid gemakkelijk aan, ze vaart er zelfs wel bij. En bovenal: de sterkte en de kwaliteit van het product zullen nog minder beheersbaar blijken te zijn, met alle gevolgen van dien voor de volksgezondheid.

        De gretigheid waarmee politici en hun adviseurs afdoende remedies tegen het kwaad blijven propageren voedt onzinnige illusies. Het is nochtans de plicht van een politicus om context te creëren en duidelijk te maken dat de dingen veel complexer zijn dan we graag horen. De politicus kan er niet voor zorgen dat mensen geen roesmiddelen meer zullen gebruiken, of dat sommigen niet meer in de problemen zullen komen. Hooguit kan de politicus de omgevingsfactoren beïnvloeden en het risico enigszins beperken, maar dat is het dan ook. Wie de verwachting wekt dat veel meer mogelijk is, flirt met populisme en is per definitie ongeloofwaardig op langere termijn.

         

        Rapport drugscriminaliteit is meer politiek dan wetenschap

        Tom Decorte betwijfelt de wetenschappelijkheid van het rapport Fijnaut-De Ruyver

        (De Morgen, 17 november 2008, p. 15.)

        'Het coffeeshopbeleid is aan een grondige herziening toe.' Dat stelden hoogleraar Cyrille Fijnaut van de universiteit Tilburg en zijn Gentse collega Brice De Ruyver - tevens voormalig veiligheidsadviseur van premier Verhofstadt - afgelopen week bij de presentatie van hun langverwachte rapport over de grensoverschrijdende drugsgerelateerde criminaliteit in de Euregio Maas-Rijn. Tom Decorte fronst de wenkbrauwen: 'De auteurs voeden de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen.'

        Een nieuwe narcoticabrigade oprichten, meer agenten in de Euregio Maas-Rijn, een actieplan voor parket en politie, méér politionele bevoegdheden, een betere juridische samenwerking, en een vermindering van het aantal coffeeshops in Nederland. De (niet geheel onbevooroordeelde) hoogleraren pleiten zonder meer voor meer repressie. Dat is een vreemde bocht voor een wetenschapper, als je de jaren voordien als veiligheidsadviseur van de Belgische overheid een architect van het gedoogbeleid bent geweest. Maar met wetenschappelijke inzichten in de mechanismen die de cannabismarkt heden ten dage drijven, gestoeld op empirisch onderbouwde argumenten, heeft dit rapport niks van doen. Over de symptomen zijn we het eens: het coffeeshopmodel staat onder druk: de coffeeshops zijn te groot geworden, de drugstoeristen veroorzaken overlast en trekken illegale drugsrunners aan, aan de achterdeur van de coffeeshops opereren professionele criminele netwerken.

        Empirische studies in België en Nederland hebben onderhand aangegeven wat daarvan de echte oorzaken zijn. Voor Nederland: de reductie van het aantal coffeeshops (waardoor de resterende cannabiswinkels steeds groter worden), de laksheid van de Nederlandse overheid in het regelen van de achterdeur, en de repressieve aanpak van de cannabisteelt. Die laatste strategie heeft de kleinere, idealistische telers wel afgeschrokken maar de winstbeluste louche figuren juist aangetrokken. Voor België: het installeren van een halfslachtig - en lange tijd onduidelijk - gedoogbeleid, en de harde aanpak van de dealpanden. De onuitgesproken boodschap naar de cannabisconsument: ga je spul maar in Nederland halen. En voor beide landen: de illegaliteit van het product is sowieso de belangrijkste motor van de cannabiseconomie geweest.

        Deze wetenschappelijke argumenten, die vaak een oorzakelijk verband suggereren tussen de kenmerken van de cannabismarkt en het bestrijdingsbeleid zélf, worden in het rapport Fijnaut-De Ruyver niet genoemd, laat staan oordeelkundig weerlegd. In de plaats daarvan voeden de auteurs de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen. De discussie over alternatieve vormen van regulering wordt gesmoord met oneliners (de verdragen staan het niet toe, en er is geen draagvlak) die beter in de mond van een politicus passen, dan in die van een wetenschapper.

        De maatregelen die beide hoogleraren voorstaan, zullen geen enkele Belg of Nederlander minder doen blowen. Ze zullen wel leiden tot meer illegale bevoorradingskanalen (waar ook andere producten makkelijk te verkrijgen zijn) en nog meer louche spelers op de cannabismarkt. Daarmee wordt de overlast wel gespreid, niet gereduceerd. En de volksgezondheid betaalt het gelag. De softdrugsmarkt, en daarmee ook de kwaliteit, de sterkte en de prijs van het product, zal nog onbeheersbaarder blijken te zijn. Het blijft dweilen met de kraan open, tenzij de impliciete bedoeling is om meer werkgelegenheid te creëren voor politie- en justitiedienders. Overigens: waarom ontbreekt bij de voorstellen van Fijnaut en De Ruyver een schatting van de kosten van de voorgestelde maatregelen? En kunnen zij hun strategieën vertalen in objectief meetbare effecten (in termen van overlastreductie, reductie van cannabisgerelateerde criminaliteit en positieve effecten voor de volksgezondheid)? Want alleen dan kunnen onafhankelijke wetenschapslui in de toekomst het voorgestelde beleid op zijn legitimiteit evalueren.

        De maatregelen die de hoogleraren voorstaan, zullen geen enkele Belg of Nederlander minder doen blowen. Ze zullen wel leiden tot meer illegale bevoorradingskanalen en nog meer louche spelers op de cannabismarkt.

         

        De bocht van Brice De Ruyver

        De maatregelen in dit cannabisrapport zullen niemand minder doen blowen

        (De Standaard, 17 november 2008, p. 17)

        Een nieuwe narcoticabrigade oprichten, meer agenten in de Euregio Maas-Rijn, een actieplan voor parket en politie, méér politionele bevoegdheden, een betere juridische samenwerking, en een vermindering van het aantal coffeeshops in Nederland. De (niet geheel onbevooroordeelde) hoogleraren Cyrille Fijnaut en Brice De Ruyver pleiten voor meer repressie (DS 15 november). Dat is een vreemde bocht voor een wetenschapper, als je de jaren voordien als veiligheidsadviseur van de Belgische overheid een architect van het gedoogbeleid bent geweest. Maar met wetenschappelijke inzichten in de mechanismen die de cannabismarkt heden ten dage drijven, gestoeld op empirisch onderbouwde argumenten, heeft dit rapport niks van doen. Over de symptomen zijn we het eens: het coffeeshopmodel staat onder druk: de coffeeshops zijn te groot geworden, de drugstoeristen veroorzaken overlast en trekken illegale drughandelaars aan, aan de achterdeur van de coffeeshops opereren professionele criminele netwerken.

        Empirische studies in België en Nederland hebben onderhand aangegeven wat daarvan de echte oorzaken zijn. Voor Nederland: de reductie van het aantal coffeeshops (waardoor de resterende cannabiswinkels steeds groter worden), de laksheid van de Nederlandse overheid in het regelen van de achterdeur, en de repressieve aanpak van de cannabisteelt. Die laatste strategie heeft de kleinere, idealistische telers wel afgeschrikt, maar de winstbeluste louche figuren juist aangetrokken. Voor België: het installeren van een halfslachtig - en lange tijd onduidelijk - gedoogbeleid, en de harde aanpak van de dealpanden. De onuitgesproken boodschap naar de cannabisconsument: ga je spul maar in Nederland halen. En voor beide landen: de illegaliteit van het product is sowieso de belangrijkste motor van de cannabiseconomie geweest.

        Deze wetenschappelijke argumenten, die vaak een oorzakelijk verband suggereren tussen de kenmerken van de cannabismarkt en het bestrijdingsbeleid zélf, worden in het rapport Fijnaut-De Ruyver niet genoemd, laat staan oordeelkundig weerlegd. In de plaats daarvan voeden de auteurs de illusie dat we door meer politie en justitiële samenwerking het gebruik en de distributie van cannabis beter zullen kunnen beheersen. De discussie over alternatieve vormen van regulering wordt gesmoord met oneliners (de verdragen staan het niet toe, en er is geen draagvlak) die beter in de mond van een politicus passen dan in die van een wetenschapper.

        De maatregelen die beide hoogleraren voorstaan, zullen geen enkele Belg of Nederlander minder doen blowen. Ze zullen wel leiden tot meer illegale bevoorradingskanalen (waar ook andere producten makkelijk te krijgen zijn) en nog meer louche spelers op de cannabismarkt. Daarmee wordt de overlast wel gespreid, maar niet gereduceerd. En de volksgezondheid betaalt het gelag. De softdrugsmarkt, en daarmee ook de kwaliteit, de sterkte en de prijs van het product, zal nog meer onbeheersbaar blijken te zijn. Het blijft dweilen met de kraan open, tenzij de impliciete bedoeling is om meer werkgelegenheid te creëren voor politie- en justitiedienders. Overigens: waarom ontbreekt bij de voorstellen van Fijnaut en De Ruyver een schatting van de kosten van de voorgestelde maatregelen? En kunnen zij hun strategieën vertalen in objectief meetbare effecten (in termen van overlastreductie, reductie van cannabisgerelateerde criminaliteit en positieve effecten voor de volksgezondheid)? Want alleen dan kunnen onafhankelijke wetenschapslui in de toekomst het voorgestelde beleid op zijn legitimiteit evalueren.

         

          2007

          Maak nederwiet niet gevaarlijker dan het is

          Cannabis gebruiken is een vorm van ongezond gedrag, dat wisten we al.

          (De Morgen, 23 maart 2007, p. 20.)

          Tom Decorte relativeert het onderzoek van professor Robin Murray over cannabis. In het artikel van Stephen Rosé en Tina De Gendt (DM, 20/3) worden op basis van een nog te verschijnen onderzoek van professor Robin Murray argumenten aangehaald om de "gevaarlijkheid" van cannabis te illustreren. In tegenstelling tot wat de auteurs beweren, zie ik mij als wetenschapper "door de stroom aan bewijzen tegen de drug" in het geheel niet verplicht om wat gas terug te nemen, integendeel.

          Eén: Wie enigszins vertrouwd is met de drugsliteratuur heeft al lang geen nood meer aan een studie die ons overtuigt van de risico's van roesmiddelen. Cannabis gebruiken is een vorm van ongezond gedrag. Bovendien zijn er extra risico's voor jongeren en voor mensen met een aanleg tot psychische problemen.

          Twee: Het tetrahydrocannabinolgehalte (thc) in de nederwietvarianten is in de loop van de laatste tien jaar onmiskenbaar gestegen, maar de bewering dat cannabis vandaag tot 25 keer meer thc bevat, is klinkklare onzin. De thc-gehaltes in nederwiet in Nederlandse coffeeshops worden door het Trimbosinstituut jaarlijks gemeten. De cijfers met betrekking tot de populairste nederwietsoort: het thc-gehalte steeg van 8,6 procent in 1999-2000 tot 20,3 procent in 2003-2004. De laatste metingen tonen een stabilisatie van het thc-gehalte.

          Drie: De discussie over thc-gehaltes is een zeer complexe aangelegenheid. Volgens een vergelijkende studie in 2004 van het Europees drugsobservatorium in Lissabon verschillen thc-gehaltes in cannabis van land tot land, al naargelang de aard van het cannabisproduct én al naargelang de genetische kenmerken van de geteelde variëteit, de gebruikte kweekmethode en de versheid. Opvallend: de thc-gehaltes in geïmporteerde cannabisproducten zijn niét gestegen in Europa.

          Vier: De "schadelijkheid" van het product kan niet alleen worden afgemeten aan eigenschappen van het product zelf. Er zijn verschillen inzake voorkeur voor producten en variëteiten tussen gebruikers, en bovendien tonen verschillende studies aan dat gebruikers de dosering aanpassen aan de ervaren sterkte van het product.

          Vijf: Moeten we ons niet vooral afvragen hoe het komt dat thc-gehaltes in nederwiet gestegen zijn? Kan dat niet een onbedoeld maar zeer logisch gevolg zijn van dertig jaar war on drugs, waarbij de productie steevast in handen is geduwd van professionele illegale ondernemers, zodat het beleid geen enkele controle heeft op de kwaliteit, de zuiverheid en de sterkte van cannabis? Denken we niet beter na over een beleid dat ons in staat stelt het fenomeen beheersbaar te maken?

          Zes: Marijs Geirnaert van de VAD heeft gelijk: het beleid is (constant) aan een evaluatie toe. De nieuwe drugswet is een draak van een wet. De ongerijmdheden erin zijn legio. De rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid voor de burgers zijn niet weggewerkt. Bovenal: we maken cannabis nóg gevaarlijker dan het al is.

           

            Harde aanpak cannabisteelt heeft niet het gewenste effect

            Hoe harder je drugs op de ene plaats bestrijdt, hoe vaker ze op een andere plaats opduiken

            (De Morgen, 9 oktober 2007, p. 99)

            De beschrijving van de professionele cannabisteelt door Benny Van Camp van de federale politie (DM 6/10) is zeer accuraat en getuigt van opvallend veel expertise. Maar er moeten volgens ons enkele extra overwegingen aan de redenering worden toegevoegd.

            Primo, professionele kwekers hebben van de cannabismarkt een pure industrie gemaakt, zo heet het. Dat is de wereld op zijn kop: het is niet het product zelf, maar de illegale status ervan en de onbespreekbaarheid van de afschaffing van het verbod, die de belangrijkste economische motor van de professionele teelt vormen. Het illegale klimaat stuwt het bijzonder lucratieve karakter van de markt naar ongekende hoogten, zoals Benny Van Camp terecht illustreert. Net daardoor zijn op winst beluste criminele figuren geïnteresseerd geraakt in die 'jackpot'. En hoe meer je dit soort figuren aantrekt, hoe groter de kans op malafide praktijken (wiet verzwaren, pesticiden gebruiken...) en hoe groter het criminele karakter van de branche (bedreigingen, liquidaties...).

            Secundo, het verhaal van de federale politie gaat over het segment van de professionele telers. Maar er is ook een ander niet onbelangrijk segment: dat van de kleinschalige producenten zonder commerciële motieven. Veel gebruikers beginnen zelf te telen omdat ze het product van de commerciële telers te sterk vinden. De recente harde politionele en gerechtelijke aanpak van alle telers in Nederland heeft gevolgen gehad, maar niet de gewenste. De kleine telers houden ermee op uit schrik voor de gevolgen. De grote telers en achterliggende organisaties calculeren bestraffing in als een professioneel risico en springen in het gat in de markt. Met alle gevolgen vandien voor de zuiverheid, de sterkte én de prijs van het product, en dus voor de volksgezondheid.

            Tertio, cannabis is zonder enige twijfel een risicovol product en het gebruik kan 'schadelijk' zijn. Maar we moeten ons dringend afvragen of de gedaanteverwisselingen op de cannabismarkt en het aantreden van nieuwe 'criminele ondernemers' niet mede in de hand is gewerkt door het gevoerde bestrijdingsbeleid zélf, dat onvoorziene en ongewenste effecten heeft gehad. Veel wetenschappelijke auteurs argumenteren al jaren dat repressie tegenover roesmiddelen steevast een waterbedeffect heeft: hoe meer en hoe harder men het fenomeen op de ene plaats bestrijdt ('push down'), hoe vaker het op een andere plaats opduikt, maar dan minder zichtbaar en bijgevolg minder beheersbaar ('pop up'), zodat het weer even duurt voor we er zicht op hebben. Meer blinde bestrijding zal dus enkel een nieuwe reeks van innovaties in productietechnisch en organisatorisch opzicht met zich brengen. Weinigen durven het hardop te zeggen, maar de huidige cannabissector (met alle connecties met de legale economieën) kan het repressieve overheidsbeleid gemakkelijk aan.

            Ten slotte, een gezonde beleidsstrategie vraagt meer moed van politici, beleidsadviseurs en diegenen die zich bij persconferenties al te gretig opwerpen als woordvoerders van 'de hele' drugspreventie en -hulpverlening. Ze kénnen niet eens alle wetenschappelijke argumenten, maar houden liever de schijn op dat alles met meer van hetzelfde wel in de hand te houden is. Zo wordt het grote publiek in slaap gewiegd met oneliners en drogredenen, en het maatschappelijke en wetenschappelijke debat over alternatieve modellen in de kiem gesmoord. Nochtans zouden de waardevolle inspanningen van preventiewerkers en drugshulpverleners nog meer kunnen renderen, als we daar met zijn allen wat langer bij konden stilstaan.