Zorgt potpourri voor 'procedures zonder geurtjes'?

(07-09-2021) Als een zaak door een procedure-fout op een sisser afloopt, dan vindt het publiek al snel dat er 'een geurtje' aan hangt. De zogenaamde potpourri-wetten pakken te sterke formalisering aan. Slagen ze daarin?

Vormvereisten in onderzoek zijn er net om eerlijke procedures te garanderen.  Maar ze mogen hun doel niet voorbijschieten. Onderzoeker Max De Schryver bekeek in zijn masterproef of de gewenste deformalisering van het Gerechtelijk Wetboek een succes was. Dat onderzoek werd half maart bekroond.

Masterproefprijs voor Max De Schryver

Afgelopen jaren probeerden de zogenaamde ‘potpourriwetten’ gerechtelijke procedures te deformaliseren en te versnellen. Een waaier aan quick wins en ‘reparaties’ gaven die wetgeving haar welriekende bijnaam.

Volgens het onderzoek in de masterproef van huidig doctoraatsstudent Max De Schryver is dat doel van deformaliseren bereikt. De vzw Algemene Praktische Rechtsverzameling (APR) lauwert hem nu voor dat onderzoek.

Eenvoud is moeilijk

Deformalisering is een moeilijke kwestie” zegt Max De Schryver. “De potpourriwetten waren niet de eerste poging om de striktheid en de vorm van de regels wat meer te laten afhangen van het doel dat ze nastreven.

Formaliteiten zijn eigen aan rechtspleging. Hun doel is om de kwaliteit van een procedure te waarborgen. Een fout tegen die formele regels mag daarentegen niet in elk geval leiden tot nietigheid. Fouten moeten vatbaar zijn voor herstel. Dat herstel moet rekening houden met het doel dat de wetgever nastreefde met het vormvoorschrift.

Tegelijk mogen de reparatie-opties voor vormfouten ook niet zo complex zijn dat ze de werkdruk bij justitie nodeloos verhogen.

  • In een eerste deel van zijn onderzoek komt De Schrijver tot het besluit dat de potpourriwetten de nietigheidsleer van het Gerechtelijk Wetboek wel degelijk gedeformaliseerd hebben.
  • Kan het nog beter? In een tweede deel vergeleek de onderzoeker met de situatie in Nederland. “Daar geeft de wet bijvoorbeeld meer opties aan de partijen om vormgebreken op eigen initiatief te herstellen op een manier die niet mogelijk is in België." noemt De Schryver één van de verbeterpunten.
  • In een derde deel van het onderzoek heeft hij aandacht voor de digitalisering van het recht. “Digitalisering zorgt vaak voor standaardisering en uniformering. Dat zorgt voor nieuwe kopzorgen. In Nederland was er een zaak waar een advocaat er niet in slaagde om op tijd een bestand op te laden omdat het formaat groter was dan wat hij technisch kon indienen.  De zaak werd afgewezen wegens laattijdigheid. Bij de digitalisering moet men waakzaam zijn dat er herstelmogelijkheid blijft voor zo'n vormgebreken.” besluit De Schryver.

 

De APR-prijs voor zijn masterproef betekent een hele eer voor de onderzoeker. De vzw voorziet bovendien in een geldprijs van 250 euro en een boekenkeuze van 250 euro uit de collectie van de Algemene Praktische Rechtsverzameling.

Ondertussen startte De Schryver een doctoraatstudie aan onze faculteit.

Wil je meer weten over zijn masterproef ‘De nietigheidsleer in het Gerechtelijk Wetboek, een (r)evolutie? De deformalisering van het burgerlijk procesrecht. Over wat rest.’? Neem dan contact op met Max De Schryver.