Emeriti en oud-professoren

Prof. dr. S.J.L. De Laet (1914-1999)

Sigfried Jan L. De Laet werd geboren op 15 juni 1914 in Gent. Na studies Klassieke Filologie studeerde hij af als licentiaat in 1936. In 1937 werd hij doctor in de Wijsbegeerte en Letteren, groep Klassieke Filologie met een verhandeling over ‘De samenstelling van den Romeinschen Senaat gedurende de eerste eeuw van het principaat (28 v. – 68 na Kr.) en de politieke houding van de keizers tegenover deze hoge vergadering’. Hij was aspirant van het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (1942-1943) en assistent bij het Seminarie voor Oude Geschiedenis en Nationale archeologie (1943-1947). Na enkele jaren prof. H. Van de Weerd te hebben gesuppleerd, werd hij zijn opvolger, in 1947, als docent en later als gewoon hoogleraar, tot hij op 30 september 1984 zijn academische loopbaan beëindigde.

Hij werd corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België in 1958 en werkend lid in 1964. Hij was medestichter en eerste voorzitter van het Nationaal Centrum voor Oudheidkundige Navorsingen in België. Sedert 1948 was hij afgevaardigde in het Conseil Permanent van de Union Internationale des Sciences Pré- et Protohistoriques (UISPP), waarvan hij van 1952 tot 1966 secretaris-generaal werd en nadien lid van het Comité Exécutif. Hij was o.a. Ordentliches Mitglied der Deutchen Archäologischen Instituts (1953), Honorary Fellow of the Society of Antiquaries of Scotland (1969) en Honorary Fellow of the Society of Antiquaries of London (1972). Hij was medeoprichter, redacteur en secretaris van het archeologisch tijdschrift Helinium (sedert 1961) en uitgever van de reeks Dissertationes Archaeologicae Gandenses.

S.J. De Laet begeleidde meer dan 50 licentiaten en een 10-tal doctorandi. Zijn onderzoek richtte zich op diverse aspecten van de nationale archeologie, gaande van het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen. De kern van zijn onderzoek bleef echter wel de  metaaltijden en de Romeinse periode. Hij heeft tientallen opgravingen (be)geleid, o.a. in Blicquy (Gallo-Romeins) en Destelbergen (late bronstijd tot Gallo-Romeins). Zijn boek ‘Archaeology and its problems’ (1957) is vertaald in 7 talen; zijn ‘Prehistorische kulturen in het zuiden der Lage Landen’ (1974) kende een heruitgave (1979) en werd vertaald in het Frans (La Belgique d’avant les Romains’, 1982).

Prof. dr. L. Baron De Meyer (1928-2006)

Leon Baron De Meyer werd geboren in Zelzate op 31 december 1928 en was emeritus gewoon hoogleraar in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Hij was rector van de UGent van 1985 tot 1993. Als wetenschapper was Leon De Meyer een uitstekende kenner van het spijkerschrift en de cultuur van Mesopotamië. Sinds 1979 deed hij archeologisch onderzoek in Irak. Hij was de expeditieleider die in Sippar-Amnanum, het huidige Tell Ed-Dêr (Irak), zowat 2.500 spijkerschrifttabletten heeft ontdekt. Door zijn onderzoek is hij er in geslaagd om de juiste tijdsbalk samen te stellen van het Babylonische rijk. Door zijn puzzelwerk werd in 1998 ontdekt dat de val van Babylon dateert uit 1499 voor Christus, door een plundering vanwege de Hettieten.

De Meyer was ook Vlaams secretaris-generaal van de nationale Unesco-commissie. Daarnaast was hij voorzitter van de Belgisch-Iraakse vriendschapsvereniging.

Prof. dr. J. De Meulemeester (1946-2009)

Johnny De Meulemeester werd in Aalst geboren op 2 oktober 1946. Hij studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent (1969) en behaalde een doctoraat in de archeologie in Caen (Frankrijk) in 1996. Van 1973 tot 1990 was hij verbonden aan het Centrum voor Oudheidkundige Navorsingen in België, waarna hij als archeoloog verbonden was aan het Musée National d’Histoire et d’Art  van het Groot-Hertogdom Luxemburg. In oktober 2002 werd hij als deeltijds docent (50%) verbonden aan de Vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa. Hij was belast met onderwijs en onderzoek over de Middeleeuwse archeologie van West-Europa en van de Mediterrane wereld.

Johnny De Meulemeester was sedert 1978 ondervoorzitter van Archaeologia Mediaevalis; hij was lid van het permanent comité van “Château Gaillard” en lid van het organiserend comité van “Ruralia”. Zijn jarenlang onderzoek spitste zich toe op diverse domeinen, zoals versterkingen en mottes in Vlaanderen en West-Europa, kerkelijke archeologie in dezelfde regio, Islam-archeologie, enz. Laatst richtte zijn onderzoek zich tot de Islam-archeologie in Jordanië en meer in het bijzonder in Aqaba.

Prof. dr. J. Devreker (°1943)

Emeritus prof. dr. John Devreker werd geboren in Ieper in 1943. In 1961 voltooide hij zijn middelbare studies aan het Koninklijk Atheneum van Ieper met de allergrootste vrucht. In 1965 behaalde hij zijn licentiaatsdiploma in de Klassieke Filologie aan de Rijksuniversiteit Gent met het proefschrift ‘Bijdrage tot de studie van Philostratos’ Heroikos. Proeve van vertaling en commentaar’. In 1974 doctoreerde hij in de Klassieke Filologie aan de RUG met een doctoraat met de titel ‘De samenstelling van de Romeinse senaat onder de Flaviërs’.

Hij startte zijn universitaire loopbaan in 1977 als navorsingsstagiair bij het NFWO en als assistent, later part-time docent aan het seminarie voor de Geschiedenis van de Oudheid van wijlen prof. Pieter Lambrechts. Hij werd er full-time docent benoemd in 1980, hoogleraar in 1985, en gewoon hoogleraar in 1990. Prof. Devreker was van 1994 tot 2008 vakgroepvoorzitter van de vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa, en van 1999 tot 2004 decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de UGent, lid van de Raad van Bestuur van de UGent van 2000 tot 2004 en lid van de commissie (geschiedenis & archeologie) bij het FWO gedurende 10 jaar en bij het FNRS gedurende 15 jaar.

Zijn onderzoek spitste zich toe op de Romeinse instellingen en in het bijzonder de Romeinse prosopografie van de senaat. In het spoor van prof. Pieter Lambrechts, onder wiens leiding hij van 1967 tot zijn plotse dood in 1973 deelgenomen had aan de opgravingscampagnes in het antieke Pessinus in het huidige Turkije, richtte John Devreker zelf studiecampagnes in (1976, 1983 & 1986) en nam in 1987 de directie van de site op zich. Hij was opgravingsdirecteur met jaarlijkse opgravingscampagnes van een Belgisch team van de universiteit Gent, de provincie Oost-Vlaaanderen en het PAMVelzeke tot 2009, toen naar aanleiding van zijn emeritaat de site werd overgedragen aan een Australisch team.

Prof. dr. E. Haerinck (°1949-2016)

Ernie Haerinck (°1949) behaalde het diploma archeologie, specialiteit Oude Nabije Oosten in juni 1971 aan de Rijksuniversiteit Gent, waarna hij gedurende twee academiejaren als beursstudent in Iran verbleef. In 1978 behaalde hij het doctoraat te Gent met een proefschrift over het aardewerk van de Parthische periode in Iran.  Van 1 oktober 1975 tot eind mei 1977 was hij Aspirant aan het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek van België, en vanaf juni 1977 trad hij in dienst van de Universiteit Gent, achtereenvolgens als assistent, e.a. assistent, werkleider en lector.  In 1991 werd hij te Gent benoemd tot Hoofddocent in het Vakgebied Archeologie en Kunstgeschiedenis van het Nabije Oosten en in 2000 tot Hoogleraar. In 2006 werd hij Gewoon Hoogleraar.

Hij participeerde in een aantal opgravingen in Luristan en ondernam studiereizen naar de Kaukasus en Centraal-Azië. In 1987 startte hij met zijn veldonderzoek in ZO-Arabië met opgravingen op de Hellenistische site ed-Dur (Emiraat Umm al-Qaiwain) (late 1e eeuw v. C.-midden 2e eeuw AD). Naast ed-Dur leidde hij ook andere archeologische missies in de Emiraten Umm al-Quwain, Ajman en recentelijk in het Emiraat Sharjah (site: Mleiha: 2007-2014). Tussen 1998 tot 2000 werden ook drie expedities  met prospecties en opgravingen ondernomen op Bahrain. Daarnaast ondernam hij ook enkele studieverblijven in Iran.

Hij was uitgever van het internationale a1-tijdschrift "Iranica Antiqua", editor van de reeks “Acta Iranica” en lid van meerdere redactieraden en editorial boards van buitenlandse tijdschriften en reeksen. Hij was tevens werkend lid van de “Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen” en “Korrespondierenden Mitglied des Deutschen Archaölogischen Instituts”.

Prof. dr. R.A. Lunsingh Scheurleer (°1945)

Prof. dr. Robert Lunsingh Scheurleer studeerde aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes in Parijs en promoveerde aan de Sorbonne. Van 1994 tot 2002 was Lunsingh Scheurleer gasthoogleraar Griekse archeologie en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Gent. Hij werd in 2002 benoemd tot directeur van het Allard Pierson Museum, het archeologisch museum van de Universiteit van Amsterdam, waar hij al sinds 1976 aan verbonden was. In 2009 ging hij daar op pensioen.

Hij publiceerde over een breed scala van archeologische onderwerpen, schreef een boek over het antieke Egypte en de Egyptische oudheden en maakte verschillende catalogi.

 

Prof. dr. H. Mussche (1928-2014)

Prof. dr. Herman Mussche werd geboren in 1928, en was van 1953 tot 1993 verbonden aan de vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa van de Universiteit Gent. Hoewel hij zich aanvankelijk toelegde op de Grieks-Romeinse sculptuur in het Nabije Oosten, spitste zijn onderzoek zich al snel toe op de opgravingen in Thorikos (Attika) en wat daarmee verband houdt, in de eerste plaats de zilverwinning. Hij verrichtte voor het eerst veldwerk in Thorikos in 1960, als buitenlands lid van de Ecole française d'Athènes, en leidde er de Belgische opgravingen van 1963 tot 1997, aanvankelijk als opgravingsdirecteur van de Belgische archeologische missie en later als directeur van de Belgische archeologische school in Griekenland. Daarnaast gaf hij onder andere de reeks Monumenta Graeca et Romana (Brill) uit - waarvoor hij zelf het deel over de burgerlijke en militaire architectuur schreef, was hij commissaris-generaal van de tentoonstelling Hellas' goden en mensen (Europalia 1982) en was hij jarenlang ereconsul van Griekenland in Gent. Tot 2001 bleef hij, als groot kenner van de archaische en klassieke ceramiek, actief het materiaal van de opgravingen van Thorikos bestuderen in het museum van Lavrion.

Prof. dr. J.A.E. Nenquin (1925-2003)

Jacques A.E. Nenquin is geboren op 20 december 1925 in Oostende. Hij werd licentiaat in de Kunstgeschiedenis en Archeologie aan de Universiteit Gent (1952, ‘Het grafveld van Furfooz’), doctor in de Kunstgeschiedenis en Archeologie in 1960 (‘Zout, een bijdrage tot de economische geschiedenis’) en Geaggregeerde van het Hoger Onderwijs in 1967(‘Contributions to the Study of the Prehistoric Cultures of Rwanda and Burundi’). Hij was tevens Master of Arts van de universiteit van Cambridge en doctor of Philosophy van dezelfde universiteit.

Van 1952 tot 1954 studeerde Jacques Nenquin aan de Universiteit van Cambridge. In 1954 werd hij aspirant van het Nationaal Fonds voor Wetschappelijk Onderzoek; in 1956 werd hij als assistent verbonden aan het Seminarie voor Archeologie; in 1958 stapte hij over als hoofdconservator van de sectie Prehistorie en Antropologie van het Koninklijk Museum voor Belgisch Congo, nu gekend als Koninklijk Museum voor Centraal Afrika. In 1962 werd hij bevoegdverklaard navorser van het FWO. Tussen 1966 en 1971 was hij docent aan de Université officielle du Congo, in Lumumbashi.

Zijn carrière als professor begon hij in 1967 aan de Universiteit Gent  als geaggregeerde van het hoger onderwijs, om in 1970 docent te worden aan de Vrije Universiteit te Brussel (tot 1991), docent aan de Universiteit Gent in 1972 en tenslotte gewoon hoogleraar in 1984, waar hij Sigfried De Laet opvolgde als diensthoofd van het toenmalige Seminarie voor Archeologie.

Hij was lid van de Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, Ordentliches Mitglied der Deutchen Archäologischen Instituts,  Honorary Fellow of the Society of Antiquaries of London. Hij was tussen 1980 en 1991 secretaris –generaal van de Union Internationale des Sciences Pré- et Protohistoriques en lid van het Comité Exécutif nadien. Hij was tevens lid van het Comité Exécutif van het Panafrican Congress on Archaeology and Quaternary Studies and Founder Member of the British Institute of History and Archaeology in East Africa (Nairobi).

Na zijn wetenschappelijke carrière te hebben begonnen in de nationale archeologie (Laeti, zout) richtte hij zijn onderzoek nadien op Africa. O.a. zijn studie ‘Salt. A study in Economic Prehistory’ (1961) en zijn opgravingen in Sanga (prov. Katanga, Congo) blijven belangrike bijdragen tot de archeologie.

Jacques Nenquin beëindigde zijn academische loopbaan op 30 september 1991.

Prof. dr. H.F. Thoen (°1941)

Hugo F. Thoen werd geboren op 30 januari 1941 in Vrasene-Waas. Hij studeerde in 1964 af aan de Universiteit Gent als Licentiaat Letteren en Wijsbegeerte met een onderzoek over het Land van Waas in de Romeinse tijd, en behaalde de doctorstitel in 1973 met een thesis getiteld "De Belgische kustvlakte in de Romeinse Tijd. Bijdrage tot de studie van de landelijke bewoningsgeschiedenis" (onder prof. dr. S.J.L. De Laet). Daarnaast volgde hij een opleiding luchtfotografie aan de Gentse universiteit (1962-1963) en een opleiding prospectietechnieken aan het Fondazione Lerici instituut te Rome (1974). In 1969 ontving hij een beurs van de overheid om 3 maand onderzoek te doen naar de Romeinse aanwezigheid in Noord-Frankrijk, ter bevordering van de culturele relaties tussen België en Frankrijk.

In 1991, met de hervorming van de Universiteit Gent, werd ook het toenmalige Seminarie voor Archeologie omgevormd tot de vakgroep Archeologie en Oude Geschiedenis van Europa. Prof. dr Hugo F. Thoen bemande hierin de onderzoekseenheid Historische Archeologie tot in 2002.

Prof. dr. L. Vanden Berghe (1923-1993)

Louis Vanden Berghe werd geboren in Oostnieuwkerke in 1923. Hij studeerde archeologie van het Oude Nabije Oosten en kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent, en Oosterse Talen aan de universiteiten van Brussel, Amsterdam en Leiden. Na het behalen van zijn doctoraat in 1950, met een thesis over prehistorisch beschilderd aardewerk, werd hij assistent aan de Universiteit Gent in 1951. In 1953 volgde hij prof. dr. Louis Speleers op als titularis van het onderzoek naar het verleden van het Nabije Oosten, dat al sinds 1920 aan de Universiteit Gent werd gevoerd. Hij zou de Archeologie van het Nabije Oosten leiden tot 1989. Vanden Berghe is door zijn interesse voor Iran en zijn vele veldwerk aldaar richtinggevend geweest voor het Gentse onderzoek. Zijn jaarlijkse opgravingscampagnes tussen 1965 en 1979, in Pusht-i Kuh Luristan in het W-Iraanse Zagrosgebergte, zijn wereldbekend. "Luristan Bronzen" in talrijke verzamelingen kunnen thans, dankzij dit onderzoek, in een betere culturele en chronologische context geplaatst worden.