Onderzoeker In De Spotlight: Lou Lippens

(01-10-2025) Hoe kan jeugdhulp gezinnen sterker maken? Dat onderzoekt Lou Lippens door samen met ouders en hulpverleners te zoeken naar écht gezinsgerichte zorg.

Hoe kan de zorg zich zo organiseren dat gezinnen echt deel uitmaken van het proces, ook wanneer de druk hoog is of kinderen tijdelijk niet thuis wonen? Die vraag staat centraal in het onderzoek van Lou Lippens aan de UGent. Hij verkent hoe crisishulp en residentiële zorg relationeler en gezinsgerichter kunnen worden, door te luisteren naar ervaringen van gezinnen en begeleiders en door te onderzoeken welke praktijken samenwerking versterken. Daarbij kijkt hij niet alleen naar wat werkt, maar ook naar de drempels en spanningen die gezinnen en hulpverleners ervaren. Zo wil hij bijdragen aan een jeugdhulp die niet alleen problemen oplost op korte termijn, maar ook duurzame verandering en veerkracht voor gezinnen mogelijk maakt.

DOWNLOAD HIER DE PDF VAN HET INTERVIEW


Kan je kort vertellen waar je onderzoek precies over gaat?

Mijn onderzoek gaat vooral over hoe hulpverlening ouders en het netwerk betrekt op belangrijke momenten in de jeugdhulp. Daarbij richt ik mij op twee van die momenten.

Ten eerste wanneer gezinnen in crisis zijn en een uithuisplaatsing dreigt. Daar kijken we hoe intensieve crisisbegeleiding gezinnen kan ondersteunen en escalatie kan voorkomen zodat het gezin toch samen kan blijven.

Ten tweede wanneer kinderen al in de residentiële jeugdhulp verblijven. Daar onderzoeken we hoe ouderbetrokkenheid en gezinsgerichte zorg vorm krijgen tijdens de opname.

Wat die twee volgens mij met elkaar verbindt, is één centrale vraag: hoe kunnen we hulp relationeler en écht gezinsgericht maken? Dat is volgens mij vandaag cruciaal, omdat het netwerk van kwetsbare jongeren en kinderen meestal de enige constante zijn in trajecten, terwijl de hulpverlening vaak tijdelijk en versnipperd blijft. 


De jeugdhulp staat vandaag zwaar onder druk. Welke uitdagingen zie jij het scherpst, en hoe wil je onderzoek daaraan bijdragen?

We weten dat de jeugdhulp in Vlaanderen vandaag zwaar onder druk staat en dat meer dan 5000 kinderen wachten op niet-rechtstreeks toegankelijke hulp.

Gezinnen zitten vaak met de handen in het haar omdat ze geen gepaste ondersteuning vinden en veel begeleiders werken in overlevingsmodus omdat er gewoon te weinig personeel is.

Precies daarom is het volgens mij zo belangrijk om nauwer samen te werken met gezinnen en na te gaan hoe we dat op een duurzame manier kunnen doen. De zorg heeft lange tijd vooral de blik op het individu gericht, maar stilaan groeit het besef dat ook het gezin en het netwerk heel belangrijk zijn in het werken aan verandering.

Toch botsen we in de praktijk nog vaak op drempels: wantrouwen, praktische moeilijkheden zoals mobiliteit, of structurele knelpunten zoals het gebrek aan continuïteit in de hulpverlening.

Met mijn onderzoek wil ik mee bouwen aan een jeugdhulp die minder versnipperd is, die de drempels aanpakt, en waarin samenwerking met gezinnen niet de uitzondering maar de basis vormt voor duurzame hulp. Dat klinkt allemaal mooi natuurlijk, maar ik ben ervan overtuigd dat dit de richting is waarin we moeten gaan.


Hoe ben je bij dit onderwerp terechtgekomen, en waarom raakt het jou persoonlijk?

Mijn onderzoek komt voort uit persoonlijke én professionele ervaringen.

Als kind groeide ik op in een gezin waar hulpverlening een belangrijke rol speelde in het leven van mijn broer. Wat me daarbij vooral bijbleef, was hoe moeilijk het voor mijn ouders vaak was om écht gehoord te worden. Hun betrokkenheid werd te vaak ‘overruled’ of geminimaliseerd.

De dagelijkse zorg voor een kind met extra noden is op zich al zeer intens. Als die zorg dan ook nog eens niet erkend wordt door de hulpverlening en er geen constructieve samenwerking is, maakt dat het voor ouders alleen maar zwaarder en uitputtender.

Na mijn studies ging ik aan de slag als gezinsbegeleider van kinderen met gedragsproblemen. Plots stond ik dus aan de andere kant, die van de hulpverlening. Daar ervaarde ik hoe complex het kan zijn om ouders écht te betrekken in zorgtrajecten.

Wat me opviel: in de jeugdhulp hebben we vaak heel veel geduld en vaardigheden om met kinderen te werken, maar tegelijk zijn we soms snel veroordelend naar ouders, terwijl ook zij vaak een zware rugzak meedragen. Het liet me ook zien hoe kwetsbaar de relatie tussen hulpverleners en ouders kan zijn.

Die combinatie van ervaringen vormden de basis van mijn interesse en dus de focus van mijn doctoraat.


Wat heeft deze manier van werken je al geleerd over crisisinterventies en ouderbetrokkenheid in die specifieke contexten? Jongen op touwbalans met handen.jpg

Ik geloof dat we hulpverlening pas echt goed kunnen begrijpen als we luisteren naar de mensen die er dagelijks mee te maken hebben: ouders én hulpverleners.

Daarom combineer ik in mijn doctoraat cijfers en statistieken met diepgaande gesprekken over hoe crisishulp en residentiële jeugdhulp ervaren worden, wat werkt, en wat net niet werkt.

Samen met de Universiteit van Amsterdam werkte ik recent aan een studie naar de effectiviteit van crisisinterventies. Die studie bevestigde dat crisisinterventies die inzetten op gezinsbehoud echt werken, maar riep ook nieuwe vragen op: wat maakt nu dat die programma’s werken, hoe pakken begeleiders dat aan, hoe beleven gezinnen deze trajecten en hoe komt het dat de interventie soms niet werkt?

Daarom verzamelden we in een vervolgonderzoek, in samenwerking met de diensten Crisishulp aan Huis in Vlaanderen, een zestigtal casussen van crisishulp en gingen we in gesprek met veertig begeleiders. In een volgende fase betrekken we ook ouders, om hun ervaringen en noden in beeld te brengen.


Wat typeert volgens jou de manier waarop jij dit onderzoek aanpakt?

Ik vergelijk het vaak met het starten van een motor die lang heeft stilgestaan: er komt beweging in, maar zonder genoeg benzine valt hij snel weer stil.

En daar wringt het schoentje vandaag: veel gezinnen in de jeugdhulp krijgen pas laat of na lange tijd hulp, vaak wanneer de situatie al volledig geëscaleerd is. Dan is de draagkracht van ouders en kinderen vaak al lang overschreden, wat herstel veel moeilijker maakt.

Een crisisbegeleider vatte het mooi samen: “Soms zijn het niet de gezinnen die in crisis zijn, maar de jeugdzorg die in crisis is.”

Daarom moet crisishulp ingebed zijn in een samenhangend zorgcontinuüm, zodat gezinnen niet telkens opnieuw van nul, of zelfs onder nul, moeten beginnen. Anders blijft het dweilen met de kraan open.


Wat treft jou het meest in de verhalen en ervaringen die je tijdens je onderzoek tegenkomt?

Het zijn vaak de verhalen van ouders die jarenlang zoeken naar passende hulp, telkens opnieuw moeten uitleggen wat er misloopt, en die het gevoel hebben nergens écht terecht te kunnen.

Maar ik hoor ook verhalen van ouders die vol vuur vertellen over die ene begeleider die hen écht zag en samen met hen in de bres sprong, die naast hen ging staan in plaats van tegenover hen.

In dat contrast zit voor mij veel waarheid: de kwetsbaarheid van afhankelijk zijn van systemen, én de kracht van echte samenwerking.

Ik heb ook heel veel bewondering en respect voor de manier waarop crisis-hulpverleners en gezinsbegeleiders aan de slag gaan. Hun opdracht is ongelofelijk complex: werken met gezinnen waar de veiligheid van kinderen soms in het gedrang komt, waar heel ingrijpende beslissingen dienen genomen te worden, of waar ouders het zelf niet meer weten, terwijl ze voortdurend moeten balanceren tussen regels en relaties.

En toch zie ik zoveel inzet, flexibiliteit en betrokkenheid. Dat verdient volgens mij meer erkenning dan het vandaag krijgt.


LOu_OIS_PICOver de onderzoeker

Lou Lippens studeerde in 2019 af als orthopedagoog. Hij deed ervaring op in het werken met jongeren met gedrags- en emotionele problemen en als gezinsbegeleider, waaruit zijn interesse groeide voor de thematiek van ouderbetrokkenheid en gezinsgericht werken.

Vandaag is hij als assistent verbonden aan de Vakgroep Orthopedagogiek van de Universiteit Gent, waar hij onder promotorschap van prof. Stijn Vandevelde doctoraatsonderzoek doet naar gezinsgerichte zorg en gezinsveerkracht in de jeugdhulp.


Wat hoop je dat ouders, hulpverleners en beleidsmakers concreet kunnen meenemen uit jouw onderzoek?

In het algemeen hoop ik dat mijn onderzoek bijdraagt aan een meer gezinsgerichte visie binnen de jeugdhulp.

Vandaag is ouderbetrokkenheid nog te vaak afhankelijk van de wil van individuele hulpverleners, of het wordt gezien als de taak van één persoon – meestal de contextbegeleider – los van het geheel.

Maar gezinsgericht werken mag geen one-man-job zijn: het vraagt een gedeelde verantwoordelijkheid van het hele team, de organisatie én het bredere systeem.

Daarnaast hoop ik dat er meer aandacht komt voor de noden van gezinnen én van hulpverleners. Er is dringend nood aan meer en betere ondersteuning – niet alleen extra bedden, maar ook structurele middelen om met het hele gezin aan de slag te gaan, zowel in preventieve als residentiële voorzieningen.

Tot slot wil ik dat mijn onderzoek ook een tegenstem biedt in het huidige politieke klimaat, dat naar mijn aanvoelen te vaak oordeelt over kwetsbare mensen. Het gaat meestal niet om niet-willen, maar om niet-kunnen. Ouders en kinderen die maanden wachten op gepaste hulp hebben steun nodig, geen stempel.