Onderzoekslijnen

Disability Studies

Disability Studies is een jong onderzoeksgebied dat gekenmerkt wordt door een aantal belangrijke uitgangspunten:

  • het onderzoeksveld stapt af van het louter classificerend focussen op ‘doelgroepen’ (zoekend naar het specifieke/classificerende), meer wordt uitgegaan van ‘lived experiences’ en ‘narratieven’ van mensen met een label (zoekend naar verbindende ervaringen)
  • het onderzoeksveld volgt de basisideeën van participatief onderzoek, de slogan ‘nothing about us , without us’ wordt in de onderzoekspraktijk omgezet
  • er wordt zeer interdisciplinair gewerkt, complexe problemen en vragen hebben nood aan intensieve samenwerking
  • er wordt veel belang gehecht aan o.a.: het mensenrechtenkader – stigmatheorieën – redelijke aanpassingen vs structurele veranderingen en participatie.
  • Methodologisch (en theoretisch)  wordt aangesloten bij o.a.: narratieve tradities, arts based methods en de New Materialism richting.

Op de Vakgroep Orthopedagogiek werd de laatste jaren Disability Studies onderzoek verricht o.a. op het gebied van inclusief onderwijs; families van kinderen met een beperking en hun verhalen; embodiment van vrouwen met spinal cord injuries; seksueel misbruik van vrouwen met een beperking; studenten met een label in het Hoger Onderwijs; de relatie tussen Disability Studies en Mad Studies; kinderen met een label en hun families in Uganda; kinderen met een label en hun families in Kameroen; politieke participatie van personen met een verstandelijke beperking; framing en beeldvorming van mensen met een label, een Vlaamse indicatorenset voor participatie van mensen met een beperking; kinderen met een CI en hun families;  narratieven van inclusie en exclusie; vaders van kinderen met een beperking; mensen met een label en de reguliere arbeidsmarkt…

Orthopedagogiek van gedrags- en emotionele stoornissen

 

Eén van de meest gehanteerde definities van de orthopedagogiek omschrijft deze als de wetenschap van het handelen in moeilijke opvoedings- en/of levenssituaties (Broekaert, 1997). Sinds haar ontstaan in de jaren ’50 van vorige eeuw is deze discipline geëvolueerd van een wetenschap gericht op het “corrigeren” of “genezen” van beperkingen/stoornissen, naar een discipline gericht op het verbeteren van de leefsituatie, de levenskwaliteit (Quality of Life) en de participatie in de samenleving van de persoon en zijn omgeving (Vakgroep Orthopedagogiek, 2016; Vandevelde et al., 2015).De moeilijke opvoedings- en levenssituaties kunnen onder meer te maken hebben met gedrag dat als afwijkend (“deviant”) gelabeled wordt, bvb. delinquentie en gedragsproblemen (Broekaert et al., 2004).

Deze onderzoekslijn is gericht op onderzoek m.b.t. tot de diagnostiek en beeldvorming, de ondersteuning en de behandeling van personen  met Gedrags- en Emotionele Stoornissen, (ernstige) gedragsproblemen en/of personen en hun netwerk in situaties waarin justitiële interventie noodzakelijk wordt geacht (Stams et al., 2014). Het onderzoek richt zich op de ondersteuning van zowel kinderen, jongeren, als volwassenen en alle betrokkenen in deze moeilijke opvoedings- en levenssituaties. 

In deze onderzoekslijn wordt expliciet uitgegaan van een integratieve en sterktegerichte visie bij de ondersteuning van kinderen, jongeren en volwassenen in maatschappelijk kwetsbare situaties.  Sterktegerichte benaderingen gaan onder meer uit van een positieve visie die mogelijkheden tot groei veronderstelt; de noodzaak om iemand controle te laten nemen over zijn of haar leven; aandacht voor relationeel werken; en het belang van de natuurlijke omgeving/de samenleving  (Saleebey, 2006).  Het ondersteunen van personen om voor hen belangrijke doelen en dromen na te streven is hierbij belangrijker dan het louter aanpakken en proberen verminderen van (gedrags)problemen, delinquent gedrag of andere vormen van normoverschrijdend handelen. Vanuit recente theoretische modellen wordt immers  duidelijk dat een integratieve visie, met aandacht voor risico-, maar ook protectieve factoren én sterktes (zowel m.b.t. de persoon als zijn ruime omgeving), nodig is om de complexe maatschappelijke situaties waarin mensen en hun netwerk verkeren, te kunnen vatten (Vandevelde et al., in press). De persoon wordt hierbij steeds uitdrukkelijk in en met zijn/haar context gesitueerd.

Het onderzoek binnen deze onderzoekslijn is gestart vanuit de concrete ondersteuning van kinderen met Gedrags- en Emotionele Stoornissen (GES)  in OC Nieuwe Vaart, een orthopedagogisch centrum dat van oudsher nauw met het ontstaan en de verdere ontwikkeling van de Vakgroep Orthopedagogiek verbonden is geweest en nog steeds is (Broekaert et al., 2015). Het onderzoek dat zich hieruit ontwikkelde evolueerde naar studies met betrekking tot orthopedagogische methoden en interventies, waaronder Life Space Crisis Intervention, dat, mede onder impuls van medewerkers van de vakgroep Orthopedagogiek, uitgroeide tot een internationaal erkende evidence-based methodiek (D’Oosterlinck et al., 2009) . Vandaag gaat veel aandacht uit naar onderzoek m.b.t. het ondersteunen van kinderen met GES en hun netwerken in de eigen ecologie. Mee ingegeven door het reeds lang erkende belang van het (opvoedings)milieu in het orthopedagogisch handelen, zijn er ook heel wat studies verricht naar methoden en interventies met aandacht voor het milieu en de (peer)groep, gaande van onderzoek rond therapeutische gemeenschappen voor kinderen, studies m.b.t. therapeutische gemeenschappen voor personen met psychische problemen en verslaving (cf. Onderzoekslijn Verslaving en Herstel) en onderzoek rond het leefklimaat in residentiële voorzieningen voor bijzondere jeugdzorg. Daarnaast wordt onderzoek verricht rond de toepassing en integratie van forensische rehabilitatiemodellen (What Works en Good Lives Model) in de Gemeenschapsinstellingen (in samenwerking met de VUB).

Naast onderzoek bij kinderen met GES  en hun netwerk richten heel wat studies zich ook op de ondersteuning van jongeren en volwassenen in moeilijke levenssituaties, met een bijzondere focus op forensische aspecten.  Zo wordt onder meer onderzoek verricht rond sterktegericht werken bij geïnterneerden (in samenwerking met collega’s uit de criminologie, de rechten en de psychiatrie),  en hun familieleden/sociaal netwerk. Andere studies gaan onder meer in op hoe hulpverleners kunnen worden gecoacht in het omgaan met gedragsproblemen bij personen met een verstandelijke beperking en diverse onderwerpen op het kruispunt tussen onder meer orthopedagogiek, criminologie, recht, psychologie, sociaal werk en psychiatrie.

Het orthopedagogische onderzoek en het handelen in deze onderzoekslijn worden gekenmerkt door nauwe samenwerking met de verschillende betrokkenen, een integratie van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden, een integratieve visie op moderne en postmoderne opvattingen (Broekaert et al., 2011), en interdisciplinaire en internationale samenwerking.

Ondersteuning van kinderen met een beperking en hun netwerk

Deze onderzoekslijn betreft de orthopedagogiek van kinderen en jongeren die opgroeien met een beperking (bvb. fysieke, verstandelijke, auditieve, sociaal-emotionele beperking) en focust op de vraag hoe we deze kinderen en jongeren, hun ouders, begeleiders én hun netwerk het beste kunnen ondersteunen. Onderzoek en praktijk benadrukken de kwetsbaarheid van kinderen die opgroeien met een beperking: ze hebben gemiddeld genomen dubbel zoveel kans om gedrags- en emotionele stoornissen te ontwikkelen dan leeftijdsgenootjes zonder beperking (Dykens, 2007; Leyfer et al., 2006; Vrijmoeth, Monbaliu, Lagast,& Prinzie, 2012). Echter, er bestaat zeer grote variatie: terwijl sommige kinderen extreem probleemgedrag vertonen, ontwikkelen andere kinderen zich relatief vlot en probleemvrij. Oók de ouders van deze kinderen blijken een kwetsbare groep. Onderzoek toont aan dat deze ouders veel vaker stress en een lager welzijn ervaren en vaker inadequate opvoedingsstrategieën hanteren (Cuskelly, Hauser-Cram, & Van Riper, 2015; Hayes & Watson, 2013). Echter, ook hier blijkt er zeer grote variatie te bestaan tussen ouders met kinderen met een beperking.

Het onderzoek binnen deze onderzoekslijn heeft als doel om de grote variatie in psychosociale ontwikkeling bij kinderen met een beperking én hun ouders beter te begrijpen. Hiervoor bestuderen we de impact van kindkenmerken (zoals de unieke temperamentskenmerken van het kind en/of de ernst van kernsymptomen), ouderkenmerken (zoals opvoedingsbeleving en opvoedingsgedrag, ouderlijke stress, aanpassing aan het kind met een beperking) maar ook contextkenmerken (zoals ervaren van sociale steun, family quality of life) op de psychosociale ontwikkeling van kinderen met een beperking en hun directe gezinsleden. Om te kaderen hoe ouders opvoeden en hoe ouders de opvoeding beleven, baseren we ons op de Zelf-Determinatie Theorie (Ryan & Deci, 2002). Deze stelt dat elk individu (dus ook iemand met een beperking en zijn/haar ouders) de nood heeft aan vrijheid en keuze (Autonomie), intieme en warme relaties met anderen (Verbondenheid), en aan het gevoel om doelen te bereiken (Competentie). Binnen de gedrags- en emotionele ontwikkeling, bestuderen we onder meer probleemgedrag maar ook intra- en interpersoonlijke sterktes, kwaliteit van bestaan en indicatoren van vitaliteit.

Binnen deze onderzoekslijn hanteren we expliciet een cross-disability perspectief. Het bestuderen van de (gedrags)ontwikkeling over meerdere beperkingen heen geeft immers inzicht in het eventueel universele karakter van bepaalde protectieve en risicofactoren. Tegelijk kan dit cross-disability perspectief ook beperking-specifieke gevoeligheden in kaart brengen. Deze kennis kan dan sleutels bieden tot een betere begeleiding en opvoedingsondersteuning. Daarnaast vertrekt ons onderzoek vanuit een transactionele visie op ontwikkeling: door duurzaam, longitudinaal onderzoek bij gezinnen met kinderen met een beperking, willen we beter zicht krijgen op zowel de korte termijn als de lange termijn ontwikkeling van deze jongeren en op de moderatoren die deze ontwikkeling bevorderen of ondermijnen. Ook combineren we kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden.

Doelgroepen die we momenteel bestuderen zijn kinderen en jongeren die opgroeien met autismespectrumstoornis, ADHD, Downsyndroom (en breder: verstandelijke beperking), cerebrale parese (en breder: motorische beperking) en doofheid (en breder: auditieve beperking). De klemtonen om zowel positieve als negatieve aspecten van temperament, opvoeding en psychosociale aanpassing in kaart te brengen, sluiten tevens nauw aan bij zowel de sterkte-georiënteerde als de handelingsgerichte visie van de Vakgroep Orthopedagogiek om op een systematische en zinvolle manier de leefsituaties, participatie en kwaliteit van bestaan van personen in opvoedingssituaties die als problematisch ervaren worden, te verbeteren.

Herstel en verslaving

Deze onderzoekslijn spitst zich toe op onderzoek naar methoden en interventies om herstel te bevorderen bij jongeren en volwassenen met verslavings- en andere psychische problemen. Herstel is een relatief nieuw concept binnen de verslavingzorg en geestelijke gezondheidszorg, waarbij een omslag wordt gemaakt van het traditioneel medisch model (‘klinisch herstel’/genezing/abstinentie) naar een meer dimensionale en dynamische invulling van herstel als ‘persoonlijk herstel’. Bij persoonlijk herstel heeft men vooral aandacht voor de subjectieve ervaringen en beleving van personen (‘lived experiences’) en voor hoop op een leven dat betekenisvol is en voldoening schenkt. Persoonlijk herstel wordt gezien als een individueel veranderingsproces, dat plaatsvindt in een specifieke sociaal-culturele context en waarbij zowel persoonlijke als omgevings- en maatschappelijke hulpbronnen (herstelkapitaal) bijdragen aan herstel (Sommer, Dekkers & Vanderplasschen, 2013).

Deze nieuwe, brede invulling van herstel wordt in de literatuur omschreven als een belangrijke paradigmashift (Stollenga, De Haan & De Goede, 2013). Ten eerste ligt de focus hierdoor niet langer op interventies door professionals of ‘evidence-based methoden’ als voornaamste weg naar herstel. De aandacht voor persoonlijk herstel biedt plaats aan ervaringsdeskundigheid, naast professionele kunde en theoretisch-wetenschappelijke kennis (Van der Stel, 2013). Ten tweede vertrekt men van de capaciteiten, mogelijkheden en vaardigheden van individuen, veeleer dan van hun ‘stoornis’ of tekortkomingen (Aga & Vanderplasschen, 2016). Ten derde laat de aandacht voor persoonlijk herstel ruimte aan mensen om zelf doelen en uitkomsten te bepalen die voor hen belangrijk zijn en niet noodzakelijk samenvallen met wat de hulpverlening of samenleving wil. Met deze onderzoekslijn willen we bijdragen aan de erkenning van personen met verslavings- en andere psychische problemen als gelijkwaardige burgers en aan het bevorderen van hun levenskwaliteit (Best, 2012; Laudet, 2008). Hulpverlening kan dit herstelproces ondersteunen, maar is geen noodzakelijk voorwaarde.

Lange tijd stond het onderzoek naar het ontstaan en de werking van drugvrije therapeutische gemeenschappen (TGs) centraal binnen deze onderzoekslijn. Later werd dit uitgebreid naar specifieke methoden en interventies die retentie (in behandeling blijven) en uitkomsten in TGs kunnen bevorderen, zoals het betrekken van het sociaal netwerk, case management en motivationele interventies (Broekaert, 2006). Tevens gaat er binnen deze onderzoekslijn veel aandacht naar de ondersteuning van kwetsbare groepen die binnen de hulpverlening uit de boot (dreigen te) vallen zoals gedetineerden en geïnterneerden, vrouwen en moeders met jonge kinderen, personen met psychische problemen en/of een verstandelijke beperking en personen met een migratieachtergrond. Recent onderzoek is vooral gericht op hersteltrajecten en factoren die bijdragen tot herstel en de kwaliteit van leven bij personen met een verslavingsprobleem, zowel via formele hulpkanalen als via meer informele wegen zoals AA/NA, andere vormen van zelfhulp en ondersteunende sociale netwerken.

De zoektocht naar manieren om het orthopedagogisch handelen met jongeren en volwassenen in maatschappelijk kwetsbare posities te verbeteren en aldus hun leefsituatie, maatschappelijke participatie en kwaliteit van leven te verbeteren, loopt als een rode draad doorheen deze verschillende onderzoeksprojecten. Hierbij maken we op een integratieve manier gebruik van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden.

Voor een overzicht en situering van het verslavingsonderzoek aan de vakgroep verwijzen we naar een eerder verschenen artikel in het tijdschrift Orthopedagogiek: Onderzoek & Praktijk.