Figuren, grafieken en tabellen

Figuren, grafieken en tabellen

    • Nummer alle figuren, grafieken en tabellen in volgorde van voorkomen in het werk. Nummer in langere verslagen best met twee cijfers. bv. Tabel 5.3 is tabel 3 van hoofdstuk 5
    • Voeg bij elke figuur, grafiek of tabel een titel en een legende. Kies duidelijke en betekenisvolle titels en geef voldoende verklaring (gebruikte symbolen, eenheden, … ) in de bijhorende legende.
    • Geef tabellen een titel bovenaan en vermeld onderaan bijkomende, zinvolle informatie. Voor figuren staat de titel onderaan samen met de bijkomende informatie.
    • Splits geen tabellen over twee bladzijden.
    • Gebruik bij grafieken courante symbolen zoals vierkantjes, driehoekjes of bolletjes. Vermijd kleur tenzij echt relevant en noodzakelijk. Plaats éénheden bovenaan de kolom i.p.v. telkens te herhalen in de kolom.
    • In tabellen wordt het symbool ‘0’ gebruikt wanneer het experiment werd uitgevoerd maar als resultaat nul werd verkregen; het symbool ‘-’ wanneer voor een bepaalde parameter geen bepaling werd gedaan.
    • Gebruik ook figuren, grafieken of tabellen ontleend aan andere auteurs maar geef de referentie in de legende, vraag toelating en vertaal ze.
    • Lijn getallen in een tabel rechts uit en rond per kolom af op evenveel cijfers na de komma.
    • Verwijs in de tekst naar een tabel, een figuur of een formule. Geef een benaming: in de meeste tekstverwerkingsprogramma’s kan je werken met labels en referenties, zodat alle verwijzingen automatisch worden aangepast als de figuur/tabel/formule van nummer verandert. bv. In tabel 1.5 wordt gesteld dat… Uit voorgaande resultaten (tabel 1.5) blijkt dat …
    • Gebruik de juiste, geijkte terminologie om tabellen en grafieken te bespreken. Voorbeelden daarvan zijn "stagneren, fluctueren, de toename, de schaal", enzovoort.
    • Werk aan de lay-out. Gebruik een ander lettertype, laat links of rechts verspringen, gebruik een kader of kies een verschillende achtergrond.
    • Bedenk welke grafiek het effectiefst is om jouw onderzoeksresultaten voor te stellen. Wat wil je vertellen? Toon je:
      o    een verdeling binnen één dataset? Dan gebruik je een cirkeldiagram.
      o    een vergelijking? Dan gebruik je het best een staafdiagram. Zet de staven horizontaal wanneer je veel tekst hebt toe te voegen.
      o    een evolutie? Dan gebruik je beter een lijndiagram. Zet de resultaten uit als punten en verbind die tot een lijn.
      o    een correlatie? Dan gebruik je een spreidingsdiagram. Bij meer dan twee variabelen, kun je meerdere spreidingsdiagrammen in een matrix zetten.

Bekijk hier een tabel uit de masterscriptie van Soetaert, F. Ontwikkeling van numerieke methoden voor thermotherapie van leverkanker. 2012.

 

Twijfel je nog?

Consulteer L. POLLEFLIET: Schrijven: van verslag tot eindwerk. p. 38-63

Consulteer L. DE WACHTER, C. VAN SOOM: Academisch schrijven: Een praktische gids. p. 43-61.