Stage

Inhoud

Via de onderzoeksstage maken studenten kennis met het werkveld en leren ze de theoretische kaders uit de opleiding toe te passen in de praktijk. Concreet bestaat de stage uit 2 delen:

  • Meedraaien: studenten participeren in de dagelijkse werking van de organisatie en nemen verschillende (educatieve) taken op zich.
  • Onderzoeksopdracht: studenten werken zelfstandig een antwoord uit op een pedagogische vraag of behoefte van de organisatie, via empirisch onderzoek (bv. afnemen van vragenlijsten of interviews) of ontwerponderzoek (bv. ontwikkelen van didactisch materiaal, workshops).

Voor meedraaien wordt gerekend op 20-50% van de stagetijd. Afhankelijk daarvan, kan 50-80% van de stagetijd uitgaan naar de onderzoeksopdracht. Organisaties bepalen zelf de precieze verhouding, in overleg met geïnteresseerde studenten.

Periode en duur

De onderzoeksstage telt 60 werkdagen en gaat jaarlijks door in de periode van begin juli tot eind november. In overleg met de stageplaats, bepalen studenten op welke dagen ze in deze periode stage zullen lopen. De stage kan zowel aaneengesloten zijn (bv. 12 weken van 5 werkdagen), als gespreid worden over een langere periode (bv. enkele weken van 3 werkdagen, een onderbreking van een week). Stagedagen kunnen zowel in de werkweek als in het weekend worden ingepland.

Begeleiding

Van de stageplaats wordt verwacht dat er een werkruimte aangeboden wordt aan studenten die stage lopen in de organisatie. Daarnaast is het de bedoeling dat er een mentor wordt aangesteld, die de student begeleidt bij het meedraaien en de onderzoeksopdracht. De mentor evalueert de student halverwege en op het einde van de stage aan de hand van evaluatiedocumenten van de universiteit. Het is niet vereist dat de mentor een pedagogisch-onderwijskundig diploma heeft, al kan dit wel een meerwaarde zijn.

Doe een voorstel

Organisaties die een stageplaats willen aanbieden, worden gevraagd om een kort voorstel (A4) uit te werken, met daarin: (1) een korte duiding van de organisatie, (2) de contactpersoon voor studenten, en (3) de mogelijkheden voor meedraaien en de onderzoeksopdracht.

Gelieve jullie voorstellen te bezorgen in de periode september - december voor een stage het jaar nadien in de periode juli - december. De stagevoorstellen worden op de online leeromgeving Minerva geplaatst. De studenten krijgen het jaar voor ze stagelopen een informatiemoment in oktober en de opdracht om vanaf dan actief op zoek te gaan naar een stageplaats. Zo vindt bijvoorbeeld het informatiemoment voor studenten die stage lopen tijdens academiejaar 2019-2020 (60 stagedagen door de studenten opgenomen tussen juli 2019 - december 2019) plaats in oktober 2018. 

Bij het begin van het tweede semester van het academiejaar (januari – februari) wordt verwacht dat studenten een keuze gemaakt hebben en aan de slag gaan zodat ze op het einde van hun 1ste masterjaar een stageplan kunnen indienen met de voorlopige invulling van hun stage. Voorstellen die na januari ingestuurd worden kunnen in dat academiejaar niet meer bezorgd worden, maar kunnen eventueel wel voorgesteld worden op de infosessie in oktober van het volgend academiejaar.

 

Contact
Stageverantwoordelijken Amber De Clerck en Elise Ameloot.
E: stage-onderwijskunde@lists.ugent.be
T: 09 264 86 29 en  09 331 03 16

Voorbeelden

  • Uitwerken van een laagdrempelige methodiek en concrete materialen om te leren reflecteren in groep, om leerlingen te leren nadenken over het eigen handelen, leren observeren en leren luisteren naar elkaar.
  • Vanuit moderne leertheorieën een nieuwe museumrondleiding uitwerken, die de verschillende zintuigen van jongeren aanspreekt, en educatief personeel begeleiden bij de overgang naar het geven van deze rondleiding.
  • In kaart brengen van de aanpak, noden en behoeften van secundaire scholen voor het omgaan met faalangst bij jongeren, met als doel advies uit te brengen over hoe het CLB hierop kan inspelen.
  • Vergelijken van de evaluatie-aanpak in een secundaire school met de leerplanadviezen en het vooropgestelde evaluatiebeleid van de school.
  • Nagaan of doelen uit een leerlijn wereldoriëntatie volledig bereikt kunnen worden met digitale leermiddelen.
  • Onderzoeken hoe kunsteducatieve projecten de creativiteit en kunstzinnigheid van kleuters kunnen stimuleren en helpen ontwikkelen.