Opbouw van de studie

De opleiding tot Master in de Diergeneeskunde (dierenarts) duurt zes jaar, gespreid over drie Bachelorjaren en drie Masterjaren. De Bachelorjaren kan je in Vlaanderen volgen aan de UGent en aan de Universiteit Antwerpen, de klinische opleiding tijdens de Masterjaren kan je in Vlaanderen enkel aan de UGent volgen. 

1ste Bachelor

Het eerste bachelorjaar brengt voornamelijk de kennis van enkele basiswetenschappen op universitair niveau. Het betreft hier voornamelijk fysica, chemie en biologie. Wiskunde is geen afzonderlijk vak, maar werd geïntegreerd in de cursus fysica.

Daarnaast worden de cellen (Celbiologie) en de weefsels (Weefselleer) bestudeerd waaruit een dier is opgebouwd.

De verschillende rassen en de beoordeling van hun waarde en uiterlijke kenmerken worden in de Etnografie en de beoordelingsleer bestudeerd.

De basis van de statistische verwerking van gegevens, bekomen uit het veterinair onderzoek, worden aangeleerd via het vak Biomedische statistiek, computationele biologie en informatieverwerving. In dit vak krijg je ook een introductie tot IT.  

In het 2de semester van dit jaar wordt reeds gestart met de studie van de ontwikkeling (Embryologie), algemene lichaamsbouw (Weefselleer, Algemene anatomie) en orgaanfuncties (Biochemie I, Orgaanfysiologie I) van de huisdieren.

2de Bachelor

In het tweede Bachelorjaar wordt de studie van het gezonde dier (Topografische en klinische anatomie I en II, Biochemie II en III, Orgaanfysiologie II en III) verdergezet.

Ook de economische aspecten van de vee-exploitatie (Economie van de dierlijke productie) komen aan bod. Enkele belangrijke aspecten van de veterinaire volksgezondheid, met name de Voedsel- en milieuchemie, worden bestudeerd. Tot slot verwerf je als student inzicht in de Algemene en de moleculaire genetica.

3de Bachelor

Het derde jaar is hoofdzakelijk paraklinisch geïnspireerd. Als student verwerf je de nodige kennis van de verschillende ziekteverwekkers (Bacteriologie en Mycologie, Virologie, Parasitologie), de Diervoeding, de Immunologie en de Hygiëne en huisvesting van de huisdieren.

In de Topografische en klinische anatomie III wordt het gezonde dier nader bestudeerd als rechtstreekse voorbereiding op de klinische vakken. Tevens zetten de studenten hun eerste stappen in de studie van afwijkingen van de normale bouw (Algemene pathologie) en van de normale functie (Pathofysiologie en klinische biochemie).

Algemene begrippen rond Medische beeldvorming, Inleiding veterinaire volksgezondheid, Algemene farmacologie en Ethologie, ethiek en dierenwelzijn sluiten het derde jaar af.

1ste en 2de Master

In de eerste twee jaren van de Masteropleiding krijg je verschillende cursussen, praktische oefeningen en klinieken, die het hele domein van diergeneeskunde omvatten. Allerlei ziekten en afwijkingen worden bestudeerd naar oorzaak, pathogenese, symptomen, diagnose, prognose en behandeling.

Daarnaast gaat heel wat aandacht naar het dier als producent van voedingsmiddelen, de veterinaire wetgeving en deontologie inbegrepen. Het theoretisch gedeelte wordt aangevuld met talrijke uren praktische oefeningen en kliniek

Halfweg het tweede Masterjaar dient de student een eerste keuze te maken tussen een cluster keuzevakken toegespitst op de gezelschapsdieren of een cluster keuzevakken die betrekking hebben op de grote huisdieren waaronder ook een groot deel ‘Veterinaire Volksgezondheid en Voedselveiligheid’ valt.

3de Master

De theoretische vakken die alle studenten moeten volgen, zijn in dit laatste jaar zeer beperkt. Ze maken een keuze tussen één van de vijf aangeboden afstudeerrichtingen:

  • gezelschapsdieren
  • paard
  • herkauwers
  • varken, pluimvee en konijn
  • onderzoek

In het laatste jaar wordt zo goed als alle beschikbare tijd in de kliniek doorgebracht, waaronder ook nacht- en weekenddiensten.

Masterproef

Studenten diergeneeskunde beëindigen hun opleiding met een Masterproef. Het eerste deel wordt in 2de Master geschreven, het laatste deel in 3de Master.

De Masterproef is een persoonlijk wetenschappelijk werk dat een student kiest in overleg met de promotor. De promotor is de professor/assistent die met de wetenschappelijke staf de Masterproef begeleidt