Frederik is expert in perceptuo-motorische ontwikkeling en leren. In zijn onderzoek bestudeert hij de perceptuele en cognitieve processen die betrokken zijn bij de planning en controle van bewegingen, zowel bij mensen met motorische problemen (vb. developmental coordination disorder) als bij (top)sporters. De inzichten die voortkomen uit dit onderzoek zijn belangrijk voor optimalisatie van diagnostiek, therapie en training.
Prof. Dr. Matthieu Lenoir
Het onderzoek van Matthieu Lenoir (PhD in de Lichamelijke Opvoeding, Universiteit Gent, 1997) richt zich op de ontwikkeling van de motoriek van peuters tot volwassenen. Aangezien elk kind het recht heeft op een optimale ondersteuning van zijn/haar motorische ontwikkeling, richt het onderzoek zich op peuters (1-3 jaar), kinderen van het kleuter-, lager en middelbaar onderwijs, jonge en volwassen elitesporters, kinderen met bewegingsproblemen en kenmerken die hun ontwikkeling soms in de weg staan, zoals kinderobesitas. In het onderzoek wordt veel belang gehecht aan de valorisatie nadat een project is afgerond. Voorbeelden daarvan zijn Het Vlaams Sport Kompas of het Multimove project.
Dr. Eline Coppens
Doctoraatsproject: Determinanten van motorische competentie bij kinderen
Motorische competentie is de eigenschap die ons toelaat onze bewegingen efficiënt uit te voeren en aan te passen aan de omstandigheden, zowel bij dagelijkse handelingen als bij het sporten. In dit doctoraat werd onderzocht welke factoren van invloed zijn op de motorische ontwikkeling, en op welke manier die ontwikkeling kan gestimuleerd worden.
INDIVIDUELE FACTOREN: Leeftijd (toenemend), geslacht (jongen), gewichtsstatus (lager), gezondheidsgerelateerde fitheid (hoger), zelfwaargenomen motorische competentie (hoger), autonome motivatie t.a.v. georganiseerde sport (hoger) spelen allemaal een rol in de motorische competentie van kinderen. Overheen de tijd werd een grotere verbetering van motorische competentie vastgesteld bij jongere kinderen en kinderen met een lager (weliswaar gezond) gewicht. Bovendien bleken jongens sterker vooruit te gaan dan meisjes.
OMGEVINGSFACTOREN: Sport beoefenen in georganiseerd verband speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van motorische competentie! Sporten beoefenen waarbij je een voorwerp moet controleren (vb. basketbal, volleybal, hockey) wordt geassocieerd met een hogere motorische competentie. Meer tijd doorbrengen in georganiseerde sport blijkt eveneens gunstig te zijn. Bovendien was het combineren van meerdere sporten (‘multisporten’) ook gerelateerd aan een betere fitheid en betere zelfwaargenomen motorische competentie.
TAAKFACTOREN: Het is belangrijk om de manier waarop we actuele (vb. ‘hoe goed ben je écht in het vangen van een bal?’) en zelfwaargenomen motorische competentie (vb.‘ hoe goed dénk je dat je bent in het vangen van een bal?’) meten op elkaar af te stemmen. We weten immers dat hoge en op elkaar afgestemde niveaus van actuele en zelfwaargenomen motorische competentie de sleutel zijn voor het betrekken van kinderen bij sport.
Dit onderzoek toont ook aan dat er veel interindividuele verschillen bestaan in de motorische competentie van kinderen. Het ondersteunen van deze motorische competentie en de brede ontwikkeling ervan bij kinderen is essentieel. Dit doctoraatsproject ligt mee aan de basis van Multimove dat nu in Vlaanderen is uitgerold en vormde ook de aanzet voor de huidige onderzoekslijn naar motorische competentie bij 1- tot 3-jarige peuters (1-2-3 MOVE).
Huidige projecten: 1-2-3 MOVE! project Het 1-2-3 MOVE! project richt zich op het in kaart brengen van de motorische, cognitieve, sociaal-emotionelen en talige ontwikkeling van Vlaamse peuters. Daarbij aansluitend stellen we de vraag hoe de motorische competentie bij deze jonge kinderen in verband staat met omgevingsfactoren (zoals de fysieke omgeving, interacties met ouders en kindbegeleiders) en onderzoeken we risicocompetentie als hoeksteen van een optimale motorische, en algemene ontwikkeling. Via co-creatie met diverse partners uit het werkveld en het beleid, zullen we allerlei initiatieven voor optimale ontwikkelingskansen voor kinderen uitwerken. Binnen dit project neem ik een coördinerende rol op, samen met Dr. Felien Laureys. Meer lezen
Dr. Amber Van Puyvelde
Huidige project: 1-2-3 MOVE! Het 1-2-3 MOVE! project richt zich op het in kaart brengen van de motorische, cognitieve, sociaal-emotionele en talige ontwikkeling van Vlaamse peuters. Daarbij aansluitend stellen we de vraag hoe de motorische competentie bij deze jonge kinderen in verband staat met omgevingsfactoren (zoals de fysieke omgeving, interacties met ouders en kinderbegeleiders) en onderzoeken we risicocompetentie als hoeksteen van een optimale motorische, en algemene ontwikkeling. Via co-creatie met diverse partners uit het werkveld en het beleid, zullen we allerlei initiatieven voor optimale ontwikkelingskansen voor kinderen uitwerken. Binnen dit project neem ik een coördinerende rol op, samen met Dr. Eline Coppens. Mijn focus ligt daarbij vooral op het voorbereiden, uitvoeren en analyseren van de co-creatie sessies.
Dr. Pieter Van Steenkiste
Tijdens zijn doctoraat onderzocht Pieter de relatie tussen perceptuele en motorische vaardigheden bij jonge en volwassen fietsers. Als postdoctoraal onderzoeker bouwde hij expertise op binnen vier domeinen:
Perceptie-actie koppeling: de relatie tussen kijkgedrag en beweging, toegepast in verkeer, sport en menselijke locomotie.
Gevaarherkenning: visuele zoekstrategieën voor het detecteren van potentiële gevaren in verkeer en bij redders.
Talentidentificatie: verschillen in perceptuele en motorische vaardigheden tussen topsporters en beginners in o.a. badminton, volleybal, voetbal, slalom skiën en wielrennen.
Motorische ontwikkeling: in kaart brengen en ondersteunen van de motorische ontwikkeling van kinderen.
Als postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent en als Chief Scientific Officer bij Hylyght is hij betrokken bij onderzoek rond het SportKompas, en ondersteunt hij clubs en federaties om wetenschappelijke kennis rond talent identificatie en motorische ontwikkeling in de praktijk toe te passen.
Drs. Laurens Gilson
Onderzoeksproject: The Talent Passport - Optimizing Talent Identification and Development in Belgian Youth Football
Deze leerstoel is gegroeid uit de bezorgdheid van de Koninklijke Belgische Voetbalbond over de uitdagingen die met de ontwikkeling van de jonge voetballer gepaard gaan. Wekelijks trekken honderdduizenden jonge spelertjes in België vol enthousiasme hun voetbalschoenen aan, ervan dromend om ooit deel uit te maken van de Rode Duivels of de Red Flames. Door de omvang en de organisatie van het voetbalgebeuren in België kan deze context beschouwd worden als een weerspiegeling van onze maatschappij, waarin we ernaar streven elke speler tot optimale prestaties en succesbeleving te brengen. Elke club is op zoek naar talent, maar het vinden van talent brengt uitdagingen met zich mee, waarbij teleurstelling en succes, selectie, deselectie en heroriëntatie, promotie en drop-out heel vaak dicht bij elkaar liggen. We zijn ervan overtuigd dat wetenschappelijk onderzoek nog veel kan bijdragen aan een optimale ontwikkeling van elke jonge speler, door in te zoomen op individuele eigenschappen van de speler, maar evenzeer op de omgeving waarin hij/zij wordt opgeleid. Ondanks inspanningen op club- en federatieniveau blijft het voorspellen van potentieel niveau bij jeugdspelers lastig. Het project beoogt de wetenschappelijke optimalisatie van talentprocessen, met als doel de doorstroming naar hogere niveaus te verbeteren. Het richt zich op:
het evalueren en verbeteren van het huidige testprotocol,
het begrijpen van een succesvolle jeugdontwikkeling,
het onderzoeken van de subjectieve percepties bij besluitvormers/beoordelaars
het verminderen van de tijdelijke storende factoren in de identificatie. Het doel is om de besluitvorming te verbeteren door meer objectieve en op wetenschap gebaseerde criteria te gebruiken, waardoor de voorspellende nauwkeurigheid toeneemt. Hierdoor zal het mogelijk zijn om te blijven zoeken en aandacht te besteden aan gemiste jeugdtalenten.
Drs. Lisa Mertens
Doctoraatsproject: Monitoren van motorische competentie in 1- tot 3-jarige Vlaamse peuters (MoMoCo): Inzicht in de correlaten/determinanten van motorische competentie en de ontwikkeling daarvan tijdens de eerste levensjaren
Motorische competentie (MC) is cruciaal in het ontwikkelen van een gezonde en actieve levensstijl, en is gerelateerd aan het menselijk cognitief en sociaal-emotioneel functioneren. Recente literatuur wijst echter op een afname van MC bij schoolgaande kinderen, terwijl de ontwikkeling van motorische competentie en de factoren daaraan gerelateerd nauwelijks zijn gedocumenteerd bij 1- tot 3-jarigen. De WHO benadrukt dan ook de nood aan onderzoek naar de motorische ontwikkeling in deze leeftijdsgroep. Daarom heeft het MoMoCo-project de volgende doelen, binnen de context van kinderdagverblijven:
In een cross-sectionele studie brengen we de huidige status van MC-niveaus bij Vlaamse peuters objectief in kaart, alsook de associaties met het cognitief en sociaal-emotioneel functioneren en andere individuele en omgevingsfactoren
In een aansluitende 1-jarige prospectieve cohortstudie onderzoeken we individuele veranderingen in ontwikkelingstrajecten van MC en het cognitief en sociaal-emotioneel functioneren, met identificatie van baseline determinanten.
Het belangrijkste projectdoel is het verkrijgen van een diepgaand inzicht in individuele en omgevingsfactoren gelinkt aan de ontwikkeling van MC, met het oog op succesvolle MC interventies in de toekomst.
Drs. Helena Sienaert
Doctoraatsproject: De risicocompetentie van Vlaamse peuters
Ouders en kinderbegeleiders zijn de poortwachters die bepalen welke speel- en bewegingskansen peuters krijgen. Vaak maken zij de omgeving voor peuters zo veilig als mogelijk, waardoor ze speel- en bewegingskansen inperken vanuit de veronderstelling dat peuters niet risicocompetent zijn. Maar klopt dat wel? In dit doctoraatsonderzoek verkennen we het concept risicocompetentie bij peuters. Wat zegt de literatuur over risicocompetentie bij jonge kinderen, en specifiek peuters? Hoe kunnen we risicocompetentie bij peuters best definiëren volgens experten in de ontwikkeling van peuters en experten op het vlak van risicovol spelen? We maken filmpjes van peuters die vrij spelen en daarbij aanvaardbare risico’s lopen en nemen, en bespreken die met hun ouders en kinderbegeleiders. Welke gevaren en bijhorende risico’s merken ouders en kinderbegeleiders op in die situatie? Denken zij dat de peuter die gevaren ook heeft opgemerkt, en de bijhorende risico’s en eigen vaardigheden correct heeft ingeschat? Lijkt de peuter volgens hen (onbewust) risico te lopen of (bewust) risico te nemen? En lijkt die in staat om gepast met de risico’s om te gaan? Met andere woorden: hoe schatten ouders en kinderbegeleider de risicocompetentie van peuters in? We observeren tijdens risicovolle speelsituaties ook de interacties tussen peuters en hun ouders of kinderbegeleiders. Hoe ondersteunen ouders en kinderbegeleiders momenteel de risicocompetentie van peuters thuis en in de kinderopvang? Welke goede praktijken kunnen we verder verspreiden? Deze inzichten nemen we mee in een co-creatieproces met het werkveld en beleid rondom peuters in Vlaanderen. We ontwikkelen praktische tools en beleidsaanbevelingen om de speelomgeving voor peuters zo veilig als nodig te maken, en peuters te ondersteunen in hun risicocompetentie. (1-2-3 Move)
Drs. Lies Blontrock
Doctoraatsproject: Het co-creëren van initiatieven gefocust op motorische competentie om de ontwikkelingstrajecten van 1- tot 3-jarige Vlaamse peuters te boosten
De eerste doelstelling van dit project is het in kaart brengen van de motorische competentie en het verloop van de motorische ontwikkeling bij 1- tot 3-jarige Vlaamse peuters. De overige ontwikkelingsdomeinen (cognitie, socio-emotionele en taal) worden als secundaire outcome gemeten. Ook individuele- en omgevingsfactoren worden verzameld. De omgeving thuis of in de kinderopvang zorgt voor interacties en blootstellingen en speelt dus ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van een kind, en binnen dit project. Met de vergaarde info gaan we op zoek naar de relatie tussen de motorische ontwikkeling en de andere ontwikkelingsdomeinen. Als een kind motorisch sterk is, zit het dan ook goed voor de andere ontwikkelingsdomeinen? We willen de ontwikkeling zowel cross-sectioneel als longitudinaal onderzoeken aan de hand van 3 testmetingen met een interval van 6 maanden. Het onderzoeken van de ontwikkelingstrajecten, individuele- en omgevingsfactoren van het kind is nodig ter voorbereiding van de co-creatie van initiatieven om de ontwikkeling te boosten. Dit alles willen we binnen de 3 contexten (groepsopvang, familieopvang en thuisopvang) van opvang bekijken, waar we binnen dit onderzoekstraject focussen op de groepsovang, en hierbinnen een onderscheid maken. (1-2-3 Move)
Drs. Lore Daelman
Onderzoeksproject: Het co-creëren van initiatieven gefocust op motorische competentie om de ontwikkelingstrajecten van 1- tot 3-jarige Vlaamse peuters te boosten
De eerste doelstelling van dit project is het in kaart brengen van de motorische competentie en het verloop van de motorische ontwikkeling bij 1- tot 3-jarige Vlaamse peuters. De overige ontwikkelingsdomeinen (cognitie, socio-emotionele en taal) worden als secundaire outcome gemeten. Ook individuele- en omgevingsfactoren worden verzameld. De omgeving thuis of in de kinderopvang zorgt voor interacties en blootstellingen en speelt dus ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van een kind, en binnen dit project. Met de vergaarde info gaan we op zoek naar de relatie tussen de motorische ontwikkeling en de andere ontwikkelingsdomeinen. Als een kind motorisch sterk is, zit het dan ook goed voor de andere ontwikkelingsdomeinen? We willen de ontwikkeling zowel cross-sectioneel als longitudinaal onderzoeken aan de hand van 3 testmetingen met een interval van 6 maanden. Het onderzoeken van de ontwikkelingstrajecten, individuele- en omgevingsfactoren van het kind is nodig ter voorbereiding van de co-creatie van initiatieven om de ontwikkeling te boosten. Dit alles willen we binnen de 3 contexten (groepsopvang, familieopvang en thuisopvang) van opvang bekijken. Lore Daelman zal zich specifiek focussen op the thuiscontext. (1-2-3 Move)
Drs. Laure Geirnaert
Onderzoeksproject: Kinderopvanghelden als katalysators voor vroege kinderontwikkeling
Wanneer men het heeft over (motorische) ontwikkeling bij peuters, is men het er algemeen over eens dat zowel ouders als kinderbegeleiders een cruciale rol spelen: jonge kinderen leren aan de hand van imitatie. Betekenisvolle interacties met volwassenen zijn daarom van onmiskenbaar belang. Maar in welke mate weten kinderbegeleiders en ouders hoe ze ontwikkeling en meer bepaald motorische competentie kunnen ondersteunen? Beseffen zij hoe belangrijk hun rol is?
Binnen dit luik van het project nemen we het profiel van deze kinderopvanghelden onder de loep: hoe verschilt de opleiding van kinderbegeleiders in de verschillende programma’s in Vlaanderen? Welke aspecten van vroege ontwikkeling komen aan bod binnen hun vorming? Verder gaan we dieper in op de noden, attitudes en sterktes van kinderbegeleiders. Daarbovenop trachtten we na te gaan hoe zij (motorische) ontwikkeling ondersteunen in de praktijk aan de hand van observaties. Op basis van deze bevindingen wordt tijdens het co-creatieproces gezocht naar hoe we binnen de verschillende opleidingen het luik rond motorische competentie optimaal kunnen benutten en hoe we kinderbegeleiders (in opleiding en in de praktijk) kunnen ondersteunen bij het creëren van bewegingskansen voor deze jonge doelgroep. (1-2-3 Move)
Drs. Arthur De Raeve
Het onderzoek van Arthur focust op motorisch leren en neuroplasticiteit bij personen met Developmental Coordination Disorder (DCD). Daarbij wordt onderzocht hoe de structurele en functionele organisatie van de hersenen verschilt tussen personen met en zonder DCD, en welke rol deze verschillen spelen in motorische controle en leerprocessen. Met behulp van magnetische resonantie-beeldvorming (MRI) en elektro-encefalografie (EEG) wordt de hersenstructuur en -activiteit in kaart gebracht bij volwassenen en kinderen, zowel in rust als tijdens motorische leertaken en slaap. De bevindingen uit dit onderzoek dragen bij aan een dieper begrip van motorisch leren bij DCD en vormen een belangrijke basis voor de ontwikkeling van gerichtere diagnostiek en interventies