De 21 boeken van Wim Verbaal
21 boeken die van betekenis waren in mijn leven en/of carrière: begin er maar aan! Goed, ik hoor nog tot de lees-generatie. Ik groeide op met boeken als tijdverdrijf, ontsnapping en stimulans voor de eigen verbeelding. Maar welke waren belangrijker? De boeken, die mijn moeder me voorlas op de bank voor ik ging slapen of als ik ziek was en die ik zelf nog niet kon lezen, waren ongetwijfeld fundamenteler dan alle latere. Maar ik weet er niets meer van. Misschien zijn dat de belangrijkste boeken: de boeken die ik vergeet omdat ze een deel van mezelf geworden zijn. Maar daar schiet ik weinig mee op als ik een aantal concrete titels moet geven. Dan moet ik wel grijpen naar boeken, waarvan ik denk dat ze belangrijk voor me waren. En dan groeit de lijst of krimpt ze. Want echt fundamenteel zijn er maar een paar. Alle andere bouwen daarop voort. Je denkt te weten welke de fundamenten hebben gelegd. Dat zijn de lijfboeken. Verder kies je in functie van wat je wilt laten zien. Zoals je bezoekers rondleidt in je nieuwe huis. Laat je alle kamers zien? Of zijn er vertrekken die je liever gesloten wilt houden? En wat laat je in elke kamer zien? Ik heb gekozen voor kamers die in verband staan met mijn loopbaan aan de Universiteit Gent. Niet de academische werken maar enkele boeken die mij hielpen de teksten die ik las en de mensen met wie ik ze las beter te bereiken. Want tegenwoordig lees ik nog nauwelijks uit tijdverdrijf. Ik lees om bruggen te slaan.
A. Leren leven
Lijfboeken kies je niet zelf. Ze kiezen jou. Evenmin gaat het om boeken waar je zelf je leven naar richt. Zij bepalen je leven, al heb je er geen erg in. Je grijpt er steeds weer naar terug, zelfs zonder ze open te doen. Ze vormen de achtergrond waartegen je hele leven zich afspeelt.
1..Stefan George, Der Stern des Bundes (Duits)
Weinig dichters hebben er greep op hoe hun werk gelezen en geïnterpreteerd wordt. Sommigen proberen daarom hermetisch te schrijven en hun verzen zo te condenseren dat ze weinig ruimte of juist heel veel openlaten. Deze bundel van de dichter Stefan George is een sprekend voorbeeld van zulke ‘verdichting’ van de taal. Geen andere auteur of ander werk biedt mij zoveel slagwoorden en spreuken om mijzelf en anderen moed in te spreken tegenover de uitdagingen die het leven stelt.
2. Vergilius, Georgica (Latijn)
Vergilius’ landbouwgedicht is misschien wel het mooiste werk dat ooit in het Latijn geschreven werd. Ik heb het jaren op zak gehad en het tijdens alle verloren momenten opengeslagen. Elke passage, bijna elk vers dwingt tot reflectie en leerde mij de kracht van poëzie kennen maar ook de vele gelaagdheden van het Latijn. Als er een boek is dat mij inzicht gegeven heeft in de complexiteit van wat het is te leven, dan wel Vergilius’ Georgica.
3. Dante, Divina Comèdia (Italiaans)
Met zestien jaar begon mijn eerste reis met Dante. Ik geraakte niet ver. Ik zou het nog een paar keer proberen maar bleef altijd lang voor de helft steken. Pas toen ik het samen met vrienden begon te lezen, slaagde ik erin de reis te voltooien. Niemand kan deze reis zonder gidsen maken. Intussen heb ik de weg zes of zeven keer afgelegd. Niemand leert je zo van mensen te houden als Dante, zowel in hun falen als in hun triomferen. Niemand ook leert zo duidelijk de grenzen waar medelijden of bewondering niet meer toegelaten zijn maar enkel verontwaardigde woede of overgave in vertrouwen.
4. Shakespeare, Tragedies waaronder in elk geval King Lear (Engels)
Leert Dante je van de mensen te houden, dan leert Shakespeare je ze te begrijpen. Dat is niet hetzelfde. Dante leert waartoe mensen in staat zijn en welke gevolgen dit voor hen kan hebben. Shakespeare legt de drijfveren bloot waar we zelf vaak geen zicht op hebben en die meer dan eens licht werpen op de diepste en donkerste krochten van ons eigen zijn. Shakespeare leert je niet te snel te oordelen.
B. Leren lezen
Het is een misvatting te denken dat iedereen die geleerd heeft te lezen ook kan lezen. Telkens weer valt me op hoe moeilijk het voor velen is te lezen wat een tekst wil zeggen. Lezen is een kunst en is allesbehalve gemakkelijk. Ik heb deze kunst gedeeltelijk onder de knie gekregen en het heeft vele stappen gevraagd, waarvan ik er hier een paar heb uitgelicht.
5. Dostojevski, De Gebroeders Karamazow (Onverkorte vertaling door A. Kosloff, Nederlandse Boekenclub, ’s-Gravenhage, s.d.) (Wat is literatuur) 
Dit boek in deze vertaling en uitgave was mijn introductie tot wat literatuur kan zijn en is. Ik vond het in de boekenkast van mijn vader. Hij vond het “te zwaar” voor mij. Des te meer reden voor mij om het te lezen. Ik was vijftien of zestien. Tot dan had ik gelezen om me te amuseren. Ik denk niet veel van mijn lectuur begrepen te hebben maar ik leerde wel dat literatuur lezen een confrontatie is en niet louter een consumeren. Vanaf dit boek zou mijn lezen nooit meer zijn wat het voordien was.
6. Herman Gorter, Mei (Wat is poëzie)
Zoals Dostojevski mij leerde wat het betekent daadwerkelijk te lezen, zo leerde Gorters Mei me wat dicht-kunst is. Ik was waarschijnlijk de eerste leerling die bij mijn leraar Nederlands voor het eindexamen met deze keuze kwam. Intussen had ik wel al beter leren lezen maar met Mei ontdekte ik de poëtische kracht van een tekst in het Nederlands: de ritmiek, de beelden, een verhaal waar het minder om de plot gaat maar vooral om de rijkdom en de schoonheid van taal.
7. Walahfried Strabo, Hortulus = De cultura hortorum (Wat is Latijnse poëzie) (Latijn)
Met Walahfried Strabo leerde ik voor het eerst de mogelijkheden kennen waar een literaire traditie als die van het Latijn over beschikt. Hij behoort tot de dichters die in elk woord de klassieke en bijbelse traditie weet samen te brengen en zo tot volslagen nieuwe betekenissen komt. Hij leerde mij nooit te snel te denken dat ik de betekenis van een Latijnse tekst begrepen had. Bovendien is hij een van die stemmen die ons uit het verleden bereikt en waarvan de klank mij onmiddellijk sympathiek was.
C. Leren denken
Om daadwerkelijk te kunnen lezen moet je leren zelf te denken. Ook dit is minder evident dan het lijkt. We zien nog steeds of zelfs steeds vaker hoe mensen er de voorkeur aan geven over te nemen wat media of programmaboekjes als correct voorschrijven. “Alle neuzen in dezelfde richting”: heeft de twintigste eeuw ons niets beter geleerd?
8. Pier Paolo Pasolini, Lettere luterane of Barbarismo eretico (Italiaans)
Pasolini is de meest radicale dwarsdenker die de twintigste eeuw heeft voortgebracht. Met zijn romans, zijn films, zijn columns en essays wist hij steeds weer op de gevoelige tenen te trappen van wie in hem gisteren hun medestander zagen. Zichzelf was hij nooit ontrouw. Hij was een dwarsdenker omdat hij consequent was op een wijze die weinigen hem na kunnen doen. Niemand heeft mij beter onze wereld leren begrijpen en de wending die de geschiedenis aan het nemen is. Maar het kost veel hoofdbreken want hij daagt uit en geeft niets cadeau.
D. Leren luisteren
Ik koos voor een literaire opleiding en voor het Latijn als taal, omdat ik de stemmen wilde horen van mensen uit het verleden. Ik wilde hen ontmoeten en dat kan alleen wanneer je hun taal beheerst, zodat je leert luisteren naar wat ze in hun teksten te zeggen hebben.
9. Bernardus van Clairvaux, De gradibus humilitatis et superbiae (Latijn)
Ik had Dante, Vergilius, Walahfried, Dostojevski, Gorter en zoveel andere schrijvers en dichters nodig voordat ik er ook maar aan kon denken om het werk van Bernardus te willen ontsluiten. Jaren worstelde ik met zijn meesterschap van de taal. Ik begreep alles en toch besefte ik iets te missen. Ik vergeleek het met een berg uit marmer waar ik bij elke meter vooruit twee meter terug gleed. En dan stond ik opeens bovenop de berg en kon ik het uitzicht genieten zoals geen andere schrijver het me al vergund had. Bernardus lezen is als het gevecht van Jakob met de engel, een strijd tussen nederigheid en trots. Bernardus begrijpen is de mens en jezelf aanvaarden in alle complexiteit en tegenstrijdigheid.
10. Chanson de geste d’Ami et Amile (Frans)
Kort na Bernardus’ dood en zonder meer onder invloed van zijn geschriften kwam de Franse versie van een legende tot stand die op dat moment ongeveer twee eeuwen oud kan zijn geweest. We kennen alleen twee Latijnse voorgangers maar die weinig met het chanson de geste te maken hebben. Dit kenmerkt zich door een literaire en spirituele diepgang die ook in het Latijn zelden bereikt werd. Deze tekst leerde mij niet alleen hoe nauw de nieuwe literaire tradities in de talen van je geboorte met de oude Latijnse traditie verbonden bleven. Hij leerde mij vooral te zien hoe deze nieuwe literatuur ook nieuwe wegen ging, juist omdat ze vrij van traditie was. Deze tekst maakte van mij een literatuurwetenschapper die voorbij de taal- en literaire grenzen keek.
11. Les Murray, De planken kathedraal (Engels-Nederlands, vert. M. Elzinga)
In zijn Translations from the Natural World probeert de Australische dichter Les Murray in onze taal de denk- en gevoelswereld te vangen van planten en dieren. Hij creëert hiervoor een heel nieuwe taal of beter: hij herdefinieert de woorden en constructies van onze eigen taal. Ook gedichten als The Tin Wash Dish, Poetry and Religion of de epische Buladelah-Taree Holiday Song Cycle hebben me geleerd dat poëzie in onze tijd nog niets van haar kracht verloren heeft. Je moet alleen in staat zijn ook tegenwoordig de stemmen in het leven te horen. De vertalingen van Maarten Elzinga doen meer dan recht aan de ongewone woordkracht van de originelen.
12. Hrotsvitha van Gandersheim, Opera (Latijn)
In Hrotsvitha hoor ik de stem van een vrouw. Natuurlijk zijn er meer vrouwelijke stemmen, ook in het Latijn. Maar Hrotsvitha spreekt niet als een vrouw die zich wil afzetten of wil reageren tegen mannen. Zij spreekt als vrouw omdat ze vrouw is. Ze staat naast de mannen van haar tijd, niet tegenover hen. Daarin is ze een zeldzaamhei d in de West-Europese literatuur en al zeker in de Latijnse letteren, maar ze heeft me geleerd wat dat eigenlijk betekent: te spreken met je eigen stem. Ze staat niet los van een traditie of van de wereld maar voelt zich niet geroepen haar stem te verdedigen of die van de ander aan te vallen. Niet voor niets bestempelt zij zichzelf als een clamor validus, een krachtige stem.
13. Gilgamesj-epos (eigen omdichting) 
“Au commencement est l’épopée” is de titel van een artikel in een bundel die de geschiedenis van Europa wil presenteren. De auteur doelt hiermee natuurlijk op Homeros. Ik leg het begin bij het Gilgamesj-epos dat ergens in de achttiende eeuw voor onze jaartelling gecomponeerd werd. Hier hoor ik voor het eerst de persoonlijke stem van een dichter. Hij maakt gebruik van oudere liederen en teksten en voegt deze samen tot een uniek verhaal met een strekking die nog maar weinig te maken heeft met de brokstukken waaruit het is opgebouwd. Het epos heeft mij gegrepen van bij de eerste lectuur en mijn klassiek geschoolde ogen geopend voor de schoonheid van wat niet klassiek is. Ik stapte uit de klassieke bubbel om er nooit meer in terug te stappen. In de onbekende dichter van het epos erken ik de daadwerkelijke grondlegger van wat zou uitgroeien tot de literaire traditie van Europa. Zijn werk heb ik in een eigen omdichting willen eren.
E. Leren vertalen
Voor een Latinist is vertalen een van de belangrijkste opdrachten. De cursus Vertaaltheorie en -praktijk was dan ook een van de belangrijkste en meest populaire cursussen in de opleiding die ik verzorgde. Belangrijk hierbij was het eerst de volslagen verkeerd aangeleerde vertaaltechnieken af te leren om opnieuw en fris tegenover de Latijnse teksten te staan. Ik heb die correctie ook op mijzelf moeten toepassen en daarbij veel geleerd van vertalers en teksten die ik zelf wilde vertalen.
14. Guido Gezelle, Hiawadha (Nederlands)
Gezelle verdient om heel veel redenen een ereplaats in deze selectie maar ik koos voor zijn vertaling uit het Engels van Longfellow’s Hiawadha, een episch gedicht over de legendarische prekoloniale held van de Onondaga of Mohawks. Gezelles vertaling overtreft bijna in alles het origineel. Zijn tekst is veel poëtischer en krachtiger. Toch verandert hij weinig of niets aan het gedicht. Hier leerde ik wat vertalen kan en moet zijn en hoe het Nederlands klankrijk en muzikaal kan worden.
15. Hieronymus, Vulgaat (Latijn) 
Weinig vertalers hebben zoveel over hun vertaalwerk nagedacht als Hieronymus. Weinigen hebben zo’n enorm werk verzet, uit zoveel talen en met een even grote invloed. Zonder de Bijbelvertaling van Hieronymus zou West-Europa anders denken en er ongetwijfeld anders uitzien. Vergelijk zijn openingszin van het Johannes-Evangelie met de Griekse tekst. Het gaat om twee verschillende werelden. Daarom is het volstrekt onbelangrijk na te gaan of zijn vertaling wel het origineel op de juiste manier heeft weergegeven. Hieronymus is het ultieme voorbeeld van de creatieve vertaler. Hij is een scheppend vertaler: de tekst komt als nieuw uit zijn handen en geeft vorm aan nieuwe werelden. De Vulgaat biedt veel meer stof tot reflectie en meditatie dan de meeste moderne “letterlijke” vertalingen. Hieronymus vertaalde het mysterie, niet de woorden.
16. Pindaros, Olympische oden (Grieks)
De Olympische oden van Pindaros waren mijn eigen eerste grote vertaalproject. Ik wist niet dat Patrick Lateur op datzelfde moment ook bezig was met het hele oeuvre van de Griekse dichter die voor mij altijd het hoogtepunt van de Oud-Griekse literatuur is geweest. Pindaros is een dichter die mokerslagen uitdeelt. Zijn verzen hebben nauwelijks iets lieflijks. Ze zijn als een spervuur van stenen tegen een metalen plaat. Of zoals hij het zelf zegt: zijn verzen zijn de pijlen die hij op de goden richt. Ik was nog lang niet in staat om dit geweld om te zetten naar een Nederlands dat er recht aan deed, maar de poging leerde me vooral zien hoe de gangbare vertalingen uit de klassieke talen het taalgeweld dat zo eigen is aan Latijn en Grieks verzachten en ronder maken. Ik dank het Pindaros te hebben leren zien hoe smakeloos braaf de oudheid in onze vertalingen is geworden.
F. Leren uit het verleden
Ik ben altijd bezeten geweest door het verleden, door het wordingsproces van de wereld waarin ik geboren ben en die ik over een onbepaalde tijd zal verlaten. Deze passie richtte zich op de natuur, op het universum en op de menselijke wereld. Maar tijdens mijn studie in de biologie ontdekte ik hoe wij als mensen wetten opleggen aan de wereld om ons heen en daardoor geen oog meer hebben voor de rijkdommen die aan onze drang tot wetmatigheid ontsnappen. Daarom koos ik er uiteindelijk niet voor geschiedenis te studeren, hoewel ik hier lang over twijfelde. Ik wilde niet het verhaal zoals het door historici nu aan ons verteld wordt. Ik wilde het verhaal van de mensen in het verleden zelf horen. Dus koos ik voor Latijn als de taal van het West-Europese verleden. Ik wilde horen wat de mensen in dat verleden dat ook het mijne is zelf te zeggen hebben. Van hen heb ik het meest geleerd.
17. Lambertus, Liber Floridus
Sinds de eerste keer dat de deze zomer overleden Albert Derolez tijdens de cursus die ik bij hem volgde ons als studenten het Liber Floridus liet zien, lijkt dit Lam Gods van de Universiteit mij niet meer los te willen laten. Ik heb intussen het ongekende genoegen gesmaakt het Liber meer dan eens zelf in handen te hebben gehad, het te kunnen doorbladeren, het van heel dichtbij te bestuderen, er workshops en congressen over te hebben georganiseerd en de indruk te krijgen dat ik heel langzaam begin te begrijpen wat de maker ervan, Lambertus van St-Omer, ermee heeft willen uitdrukken. Het Liber Floridus gooit al onze ideeën overhoop over wat een boek is, wat het is te kunnen lezen, hoe je een manuscript moet benaderen. Het Liber is onuitputtelijk en niemand zal ooit in staat zijn het in zijn totaliteit te vatten. Wie erin duikt, komt er niet meer uit maar beseft hoe bekrompen wij over de mensen in het verleden denken. Lambertus lacht ons recht in het gezicht uit.
18. Hadewijch, Brieven (Nederlands) 
Moeten we Hadewijch de Sappho van de Nederlanden noemen? Of veeleer Sappho de Hadewijch van Griekenland? Elke keer wanneer ik de werken van Hadewijch opensla, slaat ze me met verstomming. Haar Strofische Gedichten behoren tot het sterkste wat er in het Nederlands aan poëzie geschreven is. Haar Visioenen leren mij ervaringswerelden kennen die onze wereld en mij als kind ervan volslagen vreemd zijn. In haar Brieven ontmoet ik een pedagoog van de hoogste klasse, die probeert het onbegrijpelijke begrijpelijk te maken voor haar meisjes. Ik werd lang geleden door Mieke Musschoot in de schoonheid en de kracht van Hadewijch ingewijd. Zij was nochtans maar een invaller voor de cursus, maar de manier waarop zij Hadewijch opende, heeft mij nadien telkens weer naar deze werken doen terugkeren om eruit te putten.
19. François-Timoléon abbé de Choisy, Journal du voyage de Siam (Frans)
Ik heb lang getwijfeld tussen Casanova en de abbé de Choisy. Allebei zijn het onovertroffen leermeesters voor het leven: hoe je het met een brede lach ernstig kunt nemen. Allebei laten ze een levensvrijheid zien zoals we die in Europa intussen kwijt zijn geraakt. Ik koos uiteindelijk voor de Choisy die nog stevig in de zeventiende eeuw thuishoort. Hij werd opgevoed als meisje om het speelkameraadje te zijn van Monsieur, de broer van Lodewijk XIV. Om een nieuwe Fronde te voorkomen leek het Mazarin namelijk beter de broer van de troonopvolger als meisje op te voeden. De moeder van François-Timoléon zag haar kans schoon en deed hetzelfde met haar zoon. De jongen hield er een levenslange passie aan over om zich als vrouw te kleden, compleet met mouches, ook toen hij al tot de geestelijke stand was verheven. Hij heeft zelf de avonturen te boek gesteld die hij in zijn vrouwelijke rollen beleefde.
Een gevolg was dat weinigen hem serieus namen en dat speelde hij dan weer uit door iedereen tot bekentenissen te brengen die hij noteerde voor zijn Mémoires. Hij is een van de scherpste waarnemers van zijn tijd en geeft dit weer in een Frans dat met het beste Frans uit de Grande Époque kan wedijveren. Uiteindelijk werd hij toegelaten tot de Académie.
Ik koos voor zijn reisverslag naar Siam, het huidige Thailand. Hij vergezelde op eigen kosten het Franse gezantschap en geeft een onovertroffen verslag van de ontmoeting van twee sterke culturen en hoe deze botsing nu juist door de kracht van twee kanten tot wederzijdse erkenning leidt.
20. Ludvig Holberg, Nicolai Klimii Iter Subterraneum (Latijn)
Ook Ludvig Holberg hoort in de achttiende eeuw en nog voor het classicisme en de revoluties alle vrijheden een kopje kleiner maakten. Ik denk dat hij de laatste Europese schrijver van Latijnse teksten is, die nog van wereldformaat zijn. In Scandinavië geldt hij als de vader van de Noors-Deense literatuur. Zijn komedies worden nog altijd opgevoerd en blijven de moeite waard. Dat geldt in even grote mate voor zijn Latijnse werken. De onderaardse reis van Niels Klim mag wel als het hoogtepunt hiervan gelden. In zijn tijd was de avontuurlijke reis van de jonge academicus Klim veel bekender dan Gullivers Travels, omdat nog iedereen het Latijn kende en het veel sneller vanuit het Latijn vertaald werd. Holberg verzorgde zelf twee uitgaven, waarbij hij in de tweede uitgave belangrijke wijzigingen en aanvullingen gaf. Zo waren de lezers van de eerste editie wel gedwongen ook de tweede aan te schaffen. Ze zullen zich niet bedrogen hebben gevoeld. Holberg verveelt nooit.
21. Rudolf Höß, Kommandant in Auschwitz (Duits)
Je komt in het verleden niet alleen mensen tegen met wie je graag aan een tafel zou hebben gezeten. Ik werd geboren onder de lange schaduw van de Tweede Wereldoorlog en eigenlijk heb ik hier nooit aan kunnen ontkomen. Heel onze wereld lijkt nog altijd in sterke mate te zoeken hoe ze met deze passage uit het recente verleden om moet gaan. Voor mij persoonlijk blijft het een open vraag hoe een land met een dergelijk intellectueel verleden, met een zo sterke culturele avant-garde heeft kunnen vervallen in een barbarij, zoals de geschiedenis voordien nooit had gezien. De autobiografie van Höß, die hij schreef in de periode voor hij terechtgesteld werd, behoort tot het meest ijzingwekkende wat ik ooit gelezen heb. Niet zozeer vanwege de horror van Auschwitz (al krijg je daar genoeg van te zien), maar vanwege de ambtelijke vanzelfsprekendheid waarmee aan de wensen van hogerhand tegemoetgekomen wordt. Meer dan bij Eichmann is hier sprake van de banaliteit van het kwaad. Jonathan Glazer baseerde zijn film The Zone of Interest (2023) op deze autobiografie. Het verschil: ook Glazers blik komt van buiten. De tekst van Höß komt van binnen en dit maakt het zo goed als onmogelijk te oordelen, laat staan te veroordelen. Na het lezen van deze bladzijden rijst onwillekeurig de vraag: wie durft te beweren zelf geen Höß te kunnen zijn en niet in de ambtelijke molens mee te draaien?
