Van zwarte schaap tot centrale speler in een circulair en duurzaam voedingssysteem

De veehouderij, in 2020 nog ‘kop van jut’ in het debat rond de klimaatverandering, eutrofiëring en verzuring van natuurgebieden, speelt in 2050 (opnieuw) een centrale rol in een evenwichtige en duurzame voedselvoorziening binnen een circulaire voedingseconomie. De sector heeft in 2050 een nieuwe maatschappelijke ‘license to produce’ verworven. Dit werd bereikt door een én-én-strategie: een sterke reductie van de veestapel, een lagere methaanproductie door herkauwers, het bannen van voedermiddelen geschikt voor menselijke consumptie uit diervoeders en mogelijkheden voor selectie en management van ‘het juiste dier op de juiste plaats’.

Verschillende veranderingen liggen aan de basis van de reductie van de veestapel. Het Westerse consumptieniveau van dierlijk eiwit is gehalveerd in vergelijking met 30 jaar geleden, terwijl in regio’s die kampten met nutriëntenondervoeding, de consumptie van dierlijke producten tot een evenwichtig niveau is gestegen. Door een duurzame dierlijke productieverhoging in deze regio’s is ook hier het aantal dieren in de veehouderij gereduceerd. Diernutritionisten optimaliseren rantsoenen lang niet meer alleen op basis van nutritionele behoeften van het dier en het prijskaartje van voedermiddelen maar o.a. ook op basis van kengetallen die landgebruik, milieu-en klimaatimpact kwantificeren. Zo ook voor graslanden: biodiversiteit, opbouw van organische stof in de bodem, en waterbeheer zijn niet langer hiërarchisch ondergeschikte parameters aan nutritionele kwaliteit en biomassa-opbrengst.

De voedermiddelenkeuze is uitgebreid én ingeperkt: de diervoedingssector beschikt niet langer over hoogwaardige grondstoffen die rechtstreeks door de mens kunnen worden geconsumeerd of afkomstig zijn van niet-marginale gronden geschikt voor het telen van akkerbouwgewassen. Voor de mens niet-consumeerbare reststromen van deze gewassen zijn basisingrediënten voor diervoeders. In vergelijking met een kwarteeuw geleden, worden deze reststromen beter benut door biotechnologische (voor)behandelingen waardoor o.a. de verteerbaarheid van vezelrijke producten sterk wordt verhoogd en gefractioneerde stromen voor specifieke toepassingen worden ingezet. Anderzijds zijn er nieuwe bronnen zoals insecten, zeewier en algen maar ook microbieel eiwit, geproduceerd m.b.v. groene energie en op basis van opgevangen koolstofdioxide, gerecycleerde ammoniak en fosfor.

Belangrijke inzichten zijn verworven in de interactie tussen het microbioom van dier en omgeving enerzijds en dierfysiologie, -genetica, -gezondheid, en -gedrag anderzijds en dit van geboorte tot volwassen leeftijd. Verschillende van deze interacties, die aan de basis liggen van individuele dierverschillen, kunnen nu door sensoren, big data-analyse tools en praktische interpretatie-apps worden opgevolgd door de veehouder. Zo is individueel diermanagement op maat haalbaar geworden, ondanks grote diergroepen en kunnen geneesmiddelen en voedersupplementen gericht worden toegepast. Onderzoek aan de FBW heeft een sterke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling en optimalisatie van nieuwe voedermiddelen, het verwerven van basisinzichten in microbioom-dier-omgevingsinteracties en de interpretatie van sensordata om deze te monitoren.

Veerle Fievez