Cijfers en statistieken
In 2025 werden aan de UGent 44.323 dierproeven uitgevoerd. Gezien sommige dieren werden hergebruikt (zoals toegelaten in de wetgeving) vertaalt zich dat in 44.138 betrokken proefdieren in 2025. Een dierproef wordt in de wet gedefinieerd als één proef op één dier. Zo wordt bijvoorbeeld een onderzoek dat gebruik maakt van 30 dieren die een eenmalige bloedafname ondergaan, geteld als 30 dierproeven.
Wie wil weten waar de UGent staat in vergelijking met de Vlaamse, Belgische en Europese cijfers over de jaren heen, kan de onderstaande cijfers vergelijken met de statistieken van de Vlaamse dienst Dierenwelzijn en de Europese Unie.
Aantallen dierproeven aan de UGent sinds 2014
De grafiek toont de cijfers vanaf 2014. Het aantal proeven in 2025 is het laagste uit de periode 2014-2025.
Aantallen per diersoort
Jaarlijkse schommelingen tonen op zich geen trend aan. Voor diergeneeskundige veldstudies bij bijvoorbeeld runderen en varkens in landbouwbedrijven schommelen de aantallen jaarlijks erg sterk. Dit wordt veroorzaakt door enkele studies, waarbij in het kader van ziektemonitoring of op het vlak van voeding en welzijn relatief grote aantallen dieren worden betrokken. Het aantal proeven met runderen was in 2025 daardoor een uitschieter.
De aantallen proeven met honden lag in 2025 lager dan in alle voorgaande jaren. Bij katten is het aantal proeven, eveneens in het kader van diergeneeskunde, zowat een kwart van de aantallen van de voorbije vijf jaren. Ook bij katten lag het aantal proeven erg laag. De meeste studies hadden betrekking op diergeneeskunde voor honden en katten, of op het verbeteren van voeding.
Het aantal proeven met muizen is het laagste sinds 2017. Procentueel blijft het aantal proeven met muizen relatief ongewijzigd zo’n 75% van de dierproeven verklaren. Het aantal proeven met ratten vertoont een licht dalende trend over de laatste tien jaar. Het gebruik van zebravissen is over de jaren heen gestegen.
1 Hergebruik slaat op het aantal dieren dat reeds in een eerdere proef gebruikt werd. Er zijn strenge regels waaraan hergebruik dient te voldoen (cf. ernstgraden, zie welzijn bij proefdieren).
Aantallen per onderzoeksdoel
Dierproeven worden in vele gevallen uitgevoerd met het oog op een directe of indirecte toepasbaarheid op de menselijke gezondheid. Dat geldt in 2025 voor bijvoorbeeld bijna 98% van de proeven met muizen. Ook proeven met ratten en zebravissen hebben als eerste doeleinde vrijwel steeds kennis rond de mens en de menselijke geneeskunde (resp. 87 en 98%).
Proeven met de meeste andere diersoorten zijn daarentegen gericht op de kennis rond of het welzijn van die dieren. Dit geldt bijvoorbeeld voor alle proeven met runderen, paarden, honden en katten in onderzoekscontext.
Vaak wordt vergeten dat de diergeneeskunde ook sterk steunt op inzichten uit de menselijke geneeskunde. Men kan deze kennisdomeinen niet volledig van elkaar loskoppelen. Lees meer over onderzoek met honden en katten.
In de opleidingscontext zijn de proeven ook vaak indirect gericht op het welzijn van dieren. Zeker voor zoogdieren geldt dit: het leren palperen en hanteren van paarden door studenten diergeneeskunde wordt immers ook gerapporteerd als dierproeven – ook al zou men dit niet meteen als een ‘dierproef’ beschouwen. Deze activiteiten worden dan ook steeds beoordeeld door de Ethische Commissie en ook opgenomen in de jaarlijkse cijfers. Lees meer over het gebruik van dierproeven in de opleidingscontext.
Het proefdiergebruik aan de UGent wijzigt licht in de loop der jaren, en volgt de evolutie van onderzoeksprojecten en -disciplines. De belangrijkste grote onderzoeksthema’s aan de UGent, in aantallen dierproeven in 2025, zijn (in stijgende volgorde) spier- en skeletziekten, cardiovasculaire aandoeningen, gastro-intestinale aandoeningen, multisystemische ziekten, immuunziekten, en, met voorsprong, het onderzoek naar het kanker, goed voor bijna 22% van het aantal dierproeven in 2025.
Een beperkt aantal van de door de UGent gerapporteerde proeven worden uitgevoerd door bedrijven die hun onderzoek laten beoordelen door de ethische commissies van de UGent en die ook vaak gebruik maken van haar faciliteiten. Rapportering aan de overheid gebeurt immers door de ethische commissies.
Ernstgraden
Dierproeven omvatten volgens de wet de handelingen en praktijken die waarschijnlijk evenveel, of meer, pijn, lijden, angst of blijvende schade berokkenen als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Uiteraard heeft niet elke proef hetzelfde effect op elk dier. Het is ook van belang dat onderzoekers op voorhand inschatten welk nadelig effect een proef zal kunnen hebben, en hiermee rekening houden bij de opmaak van het onderzoeksvoorstel: enerzijds zullen zij de ernst moeten trachten te minimaliseren, anderzijds zullen ze de te verwachten (maximale) ernstgraad moeten kunnen verantwoorden. En uiteraard worden steeds humane eindpunten gedefinieerd en in acht genomen (opdat dieren niet meer lijden dan maximaal toegelaten).
Logischerwijze moeten proeven die als ernstig gecategoriseerd worden, op voorhand zeer sterk geargumenteerd worden aan de Ethische Commissie. Onderzoeken waar een relatief hoog aantal ernstige proeven gebeuren, situeren zich in studies met betrekking tot het immuunsysteem, besmettelijke ziekten, en zenuwziekten, of in multisystemische studies. Hier vinden we een groot aantal ernstige, nog slecht begrepen of moeilijk behandelbare aandoeningen.
Wanneer onderzoekers de feitelijke ernstgraad interpreteren of inschatten, stelt het voorzorgsbeginsel van ethisch handelen dat zij bij ‘randgevallen’ best eerder zwaarder dan lichter rapporteren.
Ondanks wat de hierboven vermelde wettelijke definitie van dierproeven suggereert, zijn heel wat dierproeven die in de statistieken van de UGent opgenomen worden, ook niet-invasief en bezorgen ze minimaal ongemak: dit zijn bijvoorbeeld echografieën bij runderen, fitheidstesten bij sportpaarden en proeven rond dierenvoeders.
Aantal dierproeven aan de UGent, per ernstgraad
Dieren van particuliere eigenaars
De herkomst van dieren die in proefdieronderzoek gebruikt worden, is aan strenge regels onderworpen. De meeste dieren worden gekweekt door een in de Europese Unie erkende fokker, waardoor er garanties bestaan naar kwaliteit, oorsprong en dierenwelzijn. In een aantal gevallen is een – gemotiveerde – afwijking mogelijk.
In bepaalde gevallen maken wetenschappers ook gebruik van dieren van particuliere eigenaars. Vanuit het standpunt van de drie V’s is het vaak best om, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling en evaluatie van een geneesmiddel voor paarden, toestemming te vragen aan de eigenaars van paarden met een bepaalde aandoening om deel te nemen aan een klinische studie. Dezelfde logica gaat op voor o.m. katten, honden en runderen.
In 2025 werd zo’n 12% van de dierproeven aan de UGent uitgevoerd op dieren die niet van een in de EU geregistreerde en erkende fokker afkomstig waren. Dit cijfer varieert sterk per diersoort (bv. 4% voor muizen, 82% voor honden). De grootste absolute aantallen zijn doorgaans gelinkt aan studies in landbouwbedrijven met bijvoorbeeld huishoenders en runderen.
Wilde dieren
In bepaalde gevallen komen speciaal gekweekte dieren noch eigenaarsdieren in aanmerking. Dit is vaak het geval bij onderzoek naar dieren in het wild. Denk aan bijvoorbeeld gedragsonderzoek naar vogels, of ecologisch onderzoek naar salamanders of makrelen. Zodra men bijvoorbeeld een bloedstaal neemt van een dier, of een dier van een zender voorziet (om de bewegingen te kunnen monitoren), geldt dit ook als een dierproef die in de statistieken terechtkomt.
Adoptie
In 2015 werd een succesvol adoptieprogramma opgestart door de Faculteit Diergeneeskunde. De onderstaande tabel toont de geadopteerde dieren tot 2025.







