Cijfers en statistieken

In 2020 werden aan de UGent 45.942 dierproeven uitgevoerd. Gezien sommige dieren werden hergebruikt (zoals toegelaten in de wetgeving) vertaalt zich dat in 45.733 betrokken proefdieren in 2020. Een dierproef wordt in de wet gedefinieerd als één proef op één dier, m.a.w. een onderzoek dat gebruik maakt van 12 dieren die een bepaalde procedure ondergaan, wordt geteld als 12 dierproeven.

Wie wil weten waar de UGent staat in vergelijking met de Vlaamse en Belgische cijfers over de jaren heen, kan de onderstaande cijfers vergelijken met de statistieken die de Vlaamse dienst Dierenwelzijn verstrekt. Cijfers van de Europese Unie zijn hier raadpleegbaar.

Aantallen per diersoort

De figuur toont de cijfers vanaf 2014. Er is een afname van het aantal proeven in 2020.
Het aantal dieren dat hergebruikt werd, was in 2020 eerder laag in vergelijking met de voorgaande jaren (209 versus 165 tot 577 in de periode 2014-2019). De hoogste cijfers voor hergebruik dateren van voor 2018.

Dierproeven: aantallen

De maatregelen omtrent Covid-19 hebben de cijfers voor 2020 beïnvloed: sommige niet-dringende studies werden uitgesteld. Bijgevolg werden minder dieren aangekocht, en minder dieren gebruikt. Binnen de faciliteiten gehouden dierenkolonies brachten uiteraard wel nog nakomelingen voort, waarvan er een relatief groter aantal dus niet gebruikt werden.

Jaarlijkse schommelingen tonen op zich ook geen trend aan. Wanneer we kijken naar de periode 2014 tot 2019, blijkt dat het aantal muizen, veruit de meest gebruikte soort, licht steeg, zowel in absolute als in relatieve cijfers. Ook het aantal zebravissen steeg in dezelfde periode. Andere vissen waren in 2019 en 2020 duidelijk veel minder aanwezig in vergelijking met de voorgaande jaren, net zoals huishoenders. De UGent doet geen dierproeven met apen.

Dierproeven: diersoorten

Aantal dierproeven per soort

Dierproeven: soorten en jaren

1 In 2020: 162 kleine mantelmeeuwen (Larus fuscus), 25 kikuyubrilvogels (Zosterops kikuyuensis) en acht kalkoenen (Meleagris gallopavo).
2 In 2020: 14 Sagra's anolissen (Anolis sagrei).
3 In 2020: 584 karpers (Cyprinus carpio), 34 zeebaarzen (Dicentrarchus labrax) en vier Afrikaanse meervallen (Clarias gariepinus).

Aantal dierproeven in 2020 per soort exclusief en inclusief hergebruik

Dierproeven: soorten

1 Hergebruik slaat op het aantal dieren dat reeds in een eerdere proef gebruikt werd. Er zijn strenge regels waaraan hergebruik dient te voldoen (cf. ernstgraden, zie welzijn bij proefdieren).

Aantallen per onderzoeksdoel

Dierproeven: onderzoeksdoelen

Dierproeven worden in vele gevallen uitgevoerd met het oog op een directe of indirecte toepasbaarheid op de menselijke gezondheid. Dat geldt in 2020 voor bijvoorbeeld ruim 91% van de proeven met muizen. Ook proeven met ratten en zebravissen hebben als eerste doeleinde meestal kennis rond de mens en de menselijke gezondheid.
Proeven met de meeste andere diersoorten zijn daarentegen gericht op de kennis rond of het welzijn van die dieren. Dit geldt bijvoorbeeld voor alle proeven met runderen, paarden of katten in onderzoekscontext in de periode 2014-2020. In het geval van honden gaat dit over 99,47% van de proeven in dezelfde periode (of 2.077 van de 2.088 proeven uit deze zes jaren).
Vaak wordt vergeten dat de diergeneeskunde ook sterk steunt op inzichten uit de menselijke geneeskunde. Men kan deze kennisdomeinen niet volledig van elkaar loskoppelen.

In de opleidingscontext zijn de proeven ook vaak indirect gericht op het welzijn van dieren. Zeker voor zoogdieren geldt dit: het leren palperen en hanteren van huisdieren door studenten diergeneeskunde wordt immers ook beschouwd als dierproeven. Deze activiteiten wordt dan ook steeds als dierproef aangevraagd, beoordeeld door de Ethische Commissie en dus ook opgenomen in de jaarlijkse cijfers. Lees meer over het gebruik van dierproeven in de opleidingscontext.

Het proefdiergebruik aan de UGent evolueert in de loop der jaren, en volgt de evolutie van onderzoeksprojecten en -disciplines. Zo is in de periode 2014-2020 het aandeel van dierproeven in het kader van reglementaire testen en andere kwaliteitscontroles gedaald. In dezelfde periode steeg het aantal onderzoeksprojecten, en dus ook dierproeven, in het kader van een aantal elementaire onderzoeksdisciplines. Het gaat dan om onderzoek naar zenuwziekten, psychische aandoeningen, ademhalingsaandoeningen, en kanker. De sterkst genoteerde stijging deed zich voor bij fundamenteel onderzoek naar het immuunstelsel, goed voor ruim 34% van het aantal dierproeven in 2019 (en zo’n 21% in 2020).

Ernstgraden

Dierproeven omvatten volgens de wet de handelingen en praktijken die waarschijnlijk evenveel, of meer, pijn, lijden, angst of blijvende schade berokkenen als het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Uiteraard heeft niet elke proef hetzelfde effect op elk dier. Het is ook van belang dat een onderzoeker op voorhand inschat welk nadelig effect een proef zal kunnen hebben, en hiermee rekening houdt bij de opmaak van het onderzoeksvoorstel: enerzijds zal hij de ernst moeten trachten te minimaliseren, anderzijds zal hij de te verwachten (maximale) ernstgraad moeten kunnen verantwoorden. En uiteraard worden steeds humane eindpunten gedefinieerd en in acht genomen (opdat dieren niet meer lijden dan maximaal toegelaten).

Logischerwijze moeten proeven die als ernstig gecategoriseerd worden, op voorhand zeer sterk geargumenteerd worden aan de Ethische Commissies. Onderzoeken waar een relatief hoog aantal ernstige proeven gebeuren, situeren zich in studies met betrekking tot het immuunsysteem, besmettelijke ziekten, en zenuwziekten, of in multisystemische studies. Hier vinden we een groot aantal ernstige, nog slecht begrepen of moeilijk behandelbare aandoeningen.

Ondanks wat de hierboven vermelde wettelijke definitie van dierproeven suggereert, zijn heel wat dierproeven die in de statistieken van de UGent opgenomen worden, ook niet-invasief en bezorgen ze minimaal ongemak: dit zijn bijvoorbeeld echografieën bij runderen, fitheidstesten bij sportpaarden en palpeeroefeningen door studenten diergeneeskunde.

Dierproeven: ernstgraden

Kweekdieren en eigenaarsdieren

De herkomst van dieren die in proefdieronderzoek gebruikt worden, is ook aan strenge regels onderworpen. De meeste dieren worden gekweekt door een in de Europese Unie erkende fokker, waardoor er garanties bestaan naar kwaliteit, oorsprong en dierenwelzijn. In een aantal gevallen is een – gemotiveerde – afwijking mogelijk.

Vaak maken wetenschappers ook gebruik van eigenaarsdieren, m.a.w. huisdieren van particuliere eigenaars. Het is vanuit vele opzichten wenselijker om, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling en evaluatie van een geneesmiddel voor honden, toestemming te vragen aan de eigenaars van honden met een bepaalde aandoening, dan om honden op te kweken, de aandoening trachten uit te lokken (als dat al kan) en hierop de behandeling te evalueren. Dezelfde logica gaat op voor o.m. katten, paarden en runderen.

In 2020 werd zo’n 5% van de dierproeven aan de UGent uitgevoerd op dieren die niet van een in de EU geregistreerde en erkende fokker afkomstig waren. Een voorbeeld: van de proeven op honden werden er 141 uitgevoerd op proefhonden, en 257 op eigenaarshonden.

Wilde dieren

In bepaalde gevallen komen speciaal gekweekte dieren noch eigenaarsdieren in aanmerking. Dit is vaak het geval bij onderzoek naar dieren in het wild. Denk aan bijvoorbeeld gedragsonderzoek naar vogels, of ecologisch onderzoek naar salamanders. Zodra men bijvoorbeeld een bloedstaal neemt van een dier, of een dier van een zender voorziet (om de bewegingen te kunnen monitoren), geldt dit ook als een dierproef die in de statistieken terechtkomt.

Adoptie

Binnen de faculteit Diergeneeskunde werd een succesvol adoptieprogramma opgestart. De onderstaande tabel toont de geadopteerde dieren vanaf 2015.

Dierproeven: adoptie